|
WET TOT REGELING VAN HET HOOGER ONDERWIJS. (Vastgesteld den 28sten April 1876, en uitgegeven den 6den Mei 1876, Staatsbl. no. 102). TITEL I ALGEMEENE BEPALINGEN. Art. 1. Hooger onderwijs omvat de vorming en voorbereiding tot zelfstandige beoefening der wetenschappen en tot het bekleeden van maatschappelijke betrekkingen, waarvoor eene wetenschappelijke opleiding vereischt wordt. 2. De scholen van hooger onderwijs worden onderscheiden in openbare en bijzondere. Openbare scholen zijn die, opgerigt en onderhonden door gemeenten en het rijk, afzonderlijk of gezamenlijk; de overige zijn bijzondere scholen. 3. Tot het geven van hooger onderwijs aan gemeentelijke of bijzondere scholen behoeven vreemdelingen Onze vergunning . Op hen, die in strijd hiermede handelen, zijn de straffen, vermeld in art. 6, 1ste en 3de lid der wet van 2 Mei 1863 toepasselijk. TITEL II. VAN HET OPENBAAR HOOGER, ONDERWIJS. Art. 4. Openbaar hooger onderwijs wordt gegeven aan: gymnasia; het athenaeum illustre te Amsterdam; universiteiten. EERSTE HOOFDSTUK. VAN DE GYMNASIA. § 1. Van de scholen. Art. 5. Gymnasia zijn instellingen, voorbereidend tot universitair onderwijs. Aan de gymnasia wordt onderwijs gegeven in: a. de grieksche taal en letterkunde; 6. de latijnsche taal en letterkunde; c. de nederlandsche taal en letterkunde; d. de fransche taal; e. de hoogduitsche taal; ƒ. de engelsche taal; g. de geschiedenis; h. de aardrijkskunde; i. de wiskunde; k. de natuurkunde; l. de scheikunde; m. de natuurlijke historie. Aan de gymnasia kan ook onderwijs gegeven worden in: n. de hebreeuwsche taal; o. de gymnastiek. 6. In elke gemeente, waar de bevolking twintig duizend zielen te boven gaat, wordt door het gemeentebestuur een gymnasium opgerigt of naar de voorschriften dezer wet ingerigt en in stand gehouden: In andere gemeenten kan een gymnasium opgerigt worden. Mogt in eene gemeente van boven twintig duizend zielen op bezoek van een gymnasium weinig te rekenen zijn, dan kan zoodanige gemeente door Ons van het voorschrift der eerste zinsnede van dit artikel vrijgesteld worden. 7. Het onderwijs aan de gymnasia wordt gegeven in eenen zesjarigen cursus, in overeenstemming met een leerplan, door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur vastgesteld, regelende den omvang van het onderwijs, in art. 5 genoemd, en de wijze, waarop het over de verschillende jaren van den cursus moet worden verdeeld. Dit leerplan wordt zoo ingerigt, dat het na het vijfde jaar splitsing toelaat tusschen de leerlingen, die gedurende het laatste jaar van den cursus voortgezet onderwijs hoofdzakelijk in de letterkundige, en die dit hoofdzakelijk in de wis- en natuurkundige vakken verlangen te genieten. Het staat aan de besturen van gemeenten, waar de bevolking minder dan twintig duizend zielen bedraagt, en, met Onze toestemming, aan die der in het eerste lid van art. 6 bedoelde gemeenten vrij den zesjarigen cursus met twee jaren te verminderen. In dat geval moet het onderwijs in het eerste studiejaar van den verkorten cursus overeenstemmen met dat in het eerste studiejaar van den zesjarigen cursus, en zoo elk volgend jaar. De gymnasia met aldus verkorten cursus dragen den naam van pro-gymnasia. 8. Aan de gemeenten kan ten behoeve van hare gymnasia uit 's rijks kas subsidie worden verleend. De gemeenten, dusverre in het genot van rijkssubsidie ten behoeve harer latijnsche scholen of gymnasia, blijven in dat genot, voor zooveel die instellingen aan de vereischten dezer wet voldoen. 9. Om als leerling aan een gymnasium te worden toegelaten, wordt het afleggen van een examen gevorderd. Dit examen, afgenomen door een of meer leeraren onder toezigt van curatoren, betreft voor de toelating tot het eerste studiejaar: het lezen, schrijven, rekenen, de beginselen der nederlandsche taal, der aardrijkskunde en der geschiedenis. Voor de toelating tot een hooger studiejaar betreft het examen hetgeen in het voorgaande studiejaar is onderwezen aan het gymnasium, tot hetwelk de toelating wordt verlangd. Geen leerling van een gymnasium wordt tot een hooger studiejaar bevorderd, dan ten gevolge van een bij het einde van het studiejaar door leeraren onder toezigt van curatoren te houden overgangsexamen, waaruit blijkt, dat hij voldoende kundigheden bezit om het onderwijs in dat hooger studiejaar te kunnen bijwonen. Bij verschil van gevoelen tusschen leeraren en curatoren omtrent den uitslag van een examen beslist het collegie van curatoren. 10. Al hetgeen de toelating tot de gymnasia, de verpligtingen van den rector en de leeraren, de regeling van het onderwijs en de vacantien betreft, wordt, voor zooverre het niet door deze wet is beslist, door den gemeenteraad geregeld. 11. Aan de leerlingen der gymnasia met zesjarigen cursus, die het onderwijs tot aan het einde hebben bijgewoond, wordt eenmaal 's jaars gelegenheid gegeven, om, ten gevolge van een mondeling en schriftelijk examen, een getuigschrift te verkrijgen, dat zij bekwaam zijn tot de studie aan eene universiteit over te gaan in de faculteit in het getuigschrift vermeld. Dit examen, voor zoo verre het mondeling is, in het openbaar te houden, wordt afgenomen door de leeraren van het gymnasium, ten overstaan van een of meer gecommitteerden, door Onzen minister van binnenlandsche zaken aan te wijzen. Bij verschil van gevoelen tusschen de leeraren en den gecommitteerde of de gecommitteerden omtrent het verleenen van het getuigschrift, beslissen laatstgenoemde. Het programma van dit examen wordt door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur vastgesteld. 12. Aan alle anderen dan de bij art. 11 vermelde, wordt eenmaal 's jaars gelegenheid gegeven, om, hetzij door deelneming aan het daar bedoelde eindexamen bij een gymnasium te hunner keuze, hetzij ten gevolge van gelijk examen als in dat artikel, bij eene door Ons te benoemen commissie, gelijk getuigschrift te verkrijgen. De tijd en de plaats der vergaderingen dezer commissie worden door Onzen minister van binnenlandsche zaken bepaald. Hare leden genieten uit 's rijks kas vergoeding voor reis- en verblijfkosten, benevens vacatiegelden. 13. Zij, die het eindexamen van de hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus of het examen A, bedoeld bij art. 59 der wet van 2 Mei 1863 met goed gevolg hebben afgelegd, worden bij de in de artikelen 11 en 12 omschrevene examens alleen geëxamineerd in de vakken waarin zij bij het door hen afgelegd examen niet zijn geëxamineerd. Bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur wordt door Ons bepaald, van welke vakken zij, die andere van staatswege ingestelde en gedeeltelijk dezelfde vakken omvattende examens met goed gevolg hebben afgelegd, bij de in artt. 11 en 12 omschrevene examens zullen zijn vrijgesteld. § 2. Van de onderwijzers. Art. 14. De onderwijzers aan de gymnasia dragen den titel van leeraar. Aan het hoofd van elk gymnasium is een der leeraren geplaatst, die den titel draagt van rector. Een der leeraren wordt aangewezen om den rector bij verhindering te vervangen; hij draagt den titel van conrector. 15. Het getal der leeraren voor de gymnasia, alsmede het bedrag hunner jaarwedden, wordt door den gemeenteraad vastgesteld. De besluiten van den gemeenteraad, daartoe betrekkelijk, worden voor de scholen, tot wier oprigting de gemeenten krachtens deze wet verpligt zijn, aan de goedkeuring van gedeputeerde staten, voor die, welke door het rijk worden gesubsidieerd, aan de goedkeuring van Onzen minister van binnenlandsche zaken onderworpen. 16. Om tot leeraar aan een gymnasium benoemd te kunnen worden, wordt gevorderd, behalve een getuigschrift van goed zedelijk gedrag, afgegeven door het hoofd van het bestuur der gemeente of gemeenten, waar men gedurende de twee laatste jaren heeft gewoond: a. voor de grieksche en latijnsche talen en letterkunde de graad van doctor in de klassieke letterkunde; b. voor de nederlandsche taal en letterkunde de graad van doctor in de nederlandsche letterkunde; c. voor de fransche, hoogduitsche en engelsche talen het bezit eener acte van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in die vakken; d. voor de geschiedenis de graad van doctor in de klassieke letterkunde of die van doctor in de nederlandsche letterkunde; e. voor de aardrijkskunde de graad van doctor in de nederlandsche letterkunde of die van doctor in de wis- en natuurkunde; f. voor de wiskunde en de natuurkunde de graad van doctor in de wis- en sterrekunde of die van doctor in de wis- en natuurkunde; g. voor de scheikunde de graad van doctor in de scheikunde h. voor de natuurlijke historie de graad van doctor in de aard- en delfstofkunde of die van doctor in de plant- en dierkunde; i. voor de hebreeuwsche taal- en letterkunde de graad van doctor in de godgeleerdheid of die van doctor in de Semitische letterkunde. Tot het geven van dit onderwijs zijn ook benoembaar de nederlandsche-israëlitische en portugeesch-israëlitische godgeleerden van den eersten en tweeden rang en godsdienstonderwijzers van den hoogsten en middelsten rang; k. voor de gymnastiek het bezit eener acte van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in dat vak. Tot het geven van het onderwijs, hierboven vermeld onder a, b, e, f, g, h en i, zijn ook benoembaar zij, die het examen, laatstelijk voorafgaande aan dat ter verkrijging van den doctoralen graad, met goed gevolg hebben afgelegd. Tot het geven van het onderwijs, hierboven vermeld onder b, d, e, f, g en h, zijn ook benoembaar zij, die in het bezit zijn van acten van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in die vakken aan eene hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus. Voor de rectoren en conrectoren wordt de graad van doctor in de klassieke letterkunde gevorderd. Conrectoren van pro-gymnasia kunnen tijdelijk door Ons van het bezit van den doctoralen graad worden vrijgesteld. 17. De leeraren der gymnasia worden benoemd door den gemeenteraad die vooraf eene aanbevelingslijst van benoembaren ontvangt, door curatoren, na verhoor van den inspecteur, wiens advies aan den gemeenteraad wordt overgelegd, opgemaakt. Zij kunnen door burgemeester en wethouders worden geschorst. Deze geven, zoo spoedig mogelijk, rekenschap van hun besluit aan den gemeenteraad. Zij worden ontslagen door den gemeenteraad, burgemeester en wethouders en den inspecteur gehoord. Is schorsing naar inzien van den inspecteur noodig, en zijn burgemeester en wethouders nalatig of weigerachtig daartoe over te gaan, dan kan de schorsing door gedeputeerde staten geschieden. Is ontslag naar inzien van burgemeester en wethouders of van den inspecteur noodig, en is de gemeenteraad nalatig of weigerachtig daartoe over te gaan, dan kan het ontslag door gedeputeerde staten geschieden. 18. De schorsing van een leeraar geschiedt hoogstens voor drie maanden. Het besluit tot schorsing bepaalt, of zij geschiedt met behoud, dan wel met gedeeltelijk of geheel verlies der bezoldiging. Schorsing of ontslag wordt niet uitgesproken dan nadat de belanghebbende is gehoord of opgeroepen. 19. Van de besluiten, krachtens art. 15, 2de lid, en artt. 17 en 18 door gedeputeerde staten genomen, kan bij Ons in beroep worden gekomen door den belanghebbende en voor zoo ver ieder in het ongelijk is gesteld, door burgemeester en wethouders, den gemeenteraad en den inspecteur. 20. Aan leeraren der gymnasia, tot wier oprigting de gemeenten verpligt zijn, wordt ten laste van den staat pensioen verleend in de gevallen, naar de regeling en onder de voorwaarden, voor burgerlijke ambtenaren bij de wet vastgesteld of nader vast te stellen, een en ander overeenkomstig de bijzondere bepalingen, in dit en de drie volgende artikelen vervat. Voor de toepassing dier regelen worden de genoemde leeraren als burgerlijke ambtenaren beschouwd. Zij behooren tot de deelhebbenden in het voor die ambtenaren bij de eerste afdeeling der wet betreffende de burgerlijke pensioenen, laatstelijk gewijzigd bij die van 21 Mei 1873 ingesteld pensioenfonds 21. De bijdragen, ingevolge het voorgaande artikel door de leeraren verschuldigd, worden door de zorg der gemeentebesturen geïnd en aan het rijk verantwoord. 22. Van de pensioenen, die ingevolge art. 20 dezer wet aan leeraren worden toegekend, wordt alleen dat gedeelte ten laste van het pensioenfonds voor burgerlijke ambtenaren gebragt, waarvoor het fonds bijdragen heeft genoten. Het overige gedeelte komt ten laste van het hoofdstuk der staatsbegrooting, waaruit de kosten voor het openbaar onderwijs worden gekweten. Deze splitsing valt niet onder het verbod, vervat in art. 29 der wet betreffende de burgerlijke pensioenen. 23. Door de gemeente, uit welke krachtens deze wet leeraren van gymnasia worden gepensioneerd, wordt aan den staat vergoed de helft van het pensioensbedrag, hetwelk ingevolge het voorgaande artikel ten laste der staatsbegrooting wordt gebragt. § 3. Van de kosten. Art. 24. Ter tegemoetkoming in de kosten der gymnasia kan van iederen leerling eene bijdrage gevorderd worden, die echter het bedrag van ƒ 100 's jaars voor alle lessen niet te boven gaat. Het invoeren, wijzigen en afschaffen van deze bijdrage geschiedt met inachtneming van de artt. 232-236 der wet van 29 Junij 1851. De invordering wordt geregeld door eene plaatselijke verordening, overeenkomstig de bepalingen van de artt. 258-262 dier wet. § 4. Van het bestuur en het toezigt. Art. 25. Bij elk gymnasium is een collegie van curatoren, door den gemeenteraad benoemd. Aan dit collegie wordt jaarlijks uit de gemeentekas eene som voor bureaukosten toegelegd. 26. Het collegie van curatoren zorgt voor de getrouwe nakoming dezer wet en van alle krachtens haar uitgevaardigde verordeningen. Het deelt den inspecteur de belangrijke veranderingen mede, die in het gymnasium hebben plaats gehad, en doet aan het gemeentebestuur de voorstellen, die het in het belang der instelling noodzakelijk acht. Het doet jaarlijks vóór l Maart aan den gemeenteraad een beredeneerd verslag omtrent den toestand van het gymnasium in het vorig jaar, en vóór l September aan den inspecteur gelijk verslag over het afgeloopen studiejaar. 27. Het toezigt op de gymnasia is, onder het oppertoezigt van Onzen minister van binnenlandsche zaken, opgedragen aan een of meer inspecteurs. De inspecteurs worden door Ons benoemd en ontslagen. Zij genieten uit 's rijks kas eene jaarwedde, benevens vergoeding voor reis- en verblijfkosten. Zij bekleeden geen ambten of bedieningen zonder Onze toestemming. 28. De inspecteurs leggen, bij de aanvaarding hunner betrekking, in handen van Onzen minister van binnenlandsche zaken, den eed of de belofte af, dat zij haar naar behooren en trouw zullen waarnemen. 29. De inspecteurs zijn bevoegd van de overtredingen dezer wet en van alle krachtens haar uitgevaardigde verordeningen, voor zoo veel de gymnasia betreft, proces-verbaal op te maken. 30. De inspecteurs hebben den vrijen toegang tot alle gymnasia onder hun toezigt geplaatst. De curatoren en rectoren zijn gehouden hun de verlangde inlichtingen te geven omtrent de school en het onderwijs. Weigering van toegang of inlichting wordt gestraft met eene boete van ƒ 25, en bij herhaling van ƒ 50; in het laatste geval met of zonder gevangenisstraf van een tot drie dagen. Curatoren zijn hoofdelijk voor het geheel der gezamenlijk opgelegde boete aansprakelijk. Tegen den curator, die bewijst het zijne te hebben gedaan om aan het voorschrift gevolg te geven, wordt geen veroordeeling uitgesproken. 31. De inspecteurs zorgen door bezoek bekend te blijven met de gymnasia onder hun toezigt geplaatst; zij trachten door overleg met de gemeentebesturen, de curatoren en de rectoren den bloei der gymnasia te bevorderen; zij lichten de regering voor omtrent alle onderwerpen, waarover hun berigt wordt gevraagd, en doen aan onzen minister van binnenlandsche zaken de noodige voorstellen. Zij doen jaarlijks vóór l November aan Onzen voornoemden minister een beredeneerd verslag omtrent den toestand van het onderwijs aan de gymnasia onder hun toezigt geplaatst. TWEEDE HOOFDSTUK. VAN HET ATHENAEUM ILLUSTRE TE AMSTERDAM. Art. 32. Het athenaeum illustre te Amsterdam is eene gemeentelijke instelling van universitair onderwijs. De bepaling der vakken daar te onderwijzen, de regeling en omvang van het onderwijs, de wijze van aanstelling der docenten, benevens al hetgeen eene behoorlijke inrigting verder vereischt, worden aan het gemeentebestuur overgelaten. De daartoe betrekkelijke besluiten worden aan Ons medegedeeld en niet ten uitvoer gelegd vóór dat gebleken is, dat daartegen geen bedenking bestaat. Dit laatste wordt geacht het geval te zijn, indien binnen twee maanden na ontvangst der besluiten door Ons niet is beslist. 33. Het gemeentebestuur van Amsterdam doet jaarlijks vóór l November aan Onzen minister van binnenlandsche zaken een beredeneerd verslag omtrent den toestand van het athenaeum illustre in het afgeloopen studiejaar. 34. Op de bij dragen in de kosten van het athenaeum illustre zijn toepasselijk de artt. 232-236 der wet van 29 Junij 1851. De invordering wordt geregeld door eene plaatselijke verordening overeenkomstig de bepalingen van de artt. 258-262 dier wet. DERDE HOOFDSTUK. VAN DE UNIVERSITEITEN. § 1. Algemeene bepalingen. Art. 35. Er zijn drie rijksuniversiteiten, gevestigd te Leiden, te Utrecht en te Groningen. 36. Aan de gemeente Amsterdam wordt toegestaan het athenaeum illustre tot universiteit in te rigten, mits deze voldoe aan al de eischen, krachtens de wet ten opzigte van den omvang van het onderwijs, de promotiën, de examens en de toelating daartoe voor de rijksuniversiteiten gesteld, en bovendien de aanstelling der hoogleeraren aan Onze bekrachtiging worde onderworpen. Bij voldoening hieraan heeft deze universiteit ten aanzien van de door haar te verleenen doctorale graden en af te nemen examens gelijke regten als de rijksuniversiteiten. 37. De besluiten van den gemeenteraad, waarbij het athenaeum illustre wordt ingerigt, op den voet in het voorgaande artikel bedoeld, worden aan Ons medegedeeld en niet ten uitvoer gelegd, vóór dat gebleken is, dat daartegen geen bedenking bestaat. Dit laatste wordt geacht het geval te zijn, indien binnen twee maanden na ontvangst van liet besluit door Ons niet is beslist. 38. Het gemeentebestuur van Amsterdam doet jaarlijks vóór l November aan Onzen minister van binnenlandsche zaken een beredeneerd verslag omtrent den toestand der gemeentelijke universiteit in het afgeloopen studiejaar. 39. Met het toezigt op de gemeentelijke universiteit te Amsterdam is belast een collegie van vijf curatoren, waarvan de burgemeester lid en voorzitter is, twee leden door Ons en twee door den gemeenteraad worden benoemd en ontslagen. De werkzaamheden van dat collegie en de aftreding der leden worden geregeld bij besluit van den gemeenteraad, op het welk art. 37 toepasselijk is. 40. Op de bijdragen in de kosten van de gemeentelijke universiteit te Amsterdam zijn toepasselijk de artt. 232-236 der wet van 29 Junij 1851. De invordering wordt geregeld door eene plaatselijke verordening, overeenkomstig de bepalingen van de artt. 258-262 dier wet. 41. Elke der universiteiten bevat de navolgende faculteiten: a. de faculteit der godgeleerdheid; b. de faculteit der regtsgeleerdheid; c. de faculteit der geneeskunde; d. de faculteit der wis- en natuurkunde; e. de faculteit der letteren en wijsbegeerte. § 2. Van het onderwijs aan de rijksuniversiteiten. Art. 42. Aan elke universiteit wordt onderwijs gegeven: 1°. In de faculteit der godgeleerdheid: a. in de encyclopaedie der godgeleerdheid; b. in de geschiedenis der leer aangaande God; c. in de geschiedenis der godsdiensten in het algemeen; d. in de geschiedenis van de israëlitische godsdienst; e. in de geschiedenis van het christendom; ƒ. in de israëlitische en oud-christelijke letterkunde; g. in de uitlegging van het oud en nieuw testament; h. in de geschiedenis der leerstellingen van de christelijke godsdienst ; i. in de wijsbegeerte van de godsdienst; k. in de zedekunde. 2°. In de faculteit der regtsgelserdheid: a. in de encyclopaedie der regtswetenschap; b. in de wijsbegeerte van het regt; c. in het romeinsche regt en zijne geschiedenis; d. in het oud-vaderlandsch regt en zijne geschiedenis; e. m het burgerlijk- en handelsregt; ƒ. in de burgerlijke regtsvordering; g. in het strafregt; h. in de strafvordering; i. in het staatsregt; k. in het volkenregt; l. in het administratief regt; m. in de staathuishoudkunde; n. in de statistiek; o. in de staatkundige geschiedenis. 3°. In de faculteit der geneeskunde: a. in de ontleedkunde, b. in de physiologie; c. in de ziektekunde en de ziektekundige ontleedkunde; d. in de geneeskunde; e. in de heelkunde; f. in de verloskunde; g. in de kennis der geneesmiddelen en de geneesmiddelleer; h. in de gezondheidsleer en de geneeskundige politie; i. in de geregtelijke geneeskunde. 4°. In de faculteit der wis- en natuurkunde: a. in de wiskunde; b. in de mechanica; c. in de natuurkunde; d. in de sterrekunde; e. in de physische aardrijkskunde; f. in de geologie; g. in de mineralogie; h. in de botanie; i. in de zoölogie, de vergelijkende anatomie en de physiologie; k. in de scheikunde; l. in de artsenijbereidkunde; m. in de toxicologie. 5°. In de faculteit der letteren en wijsbegeerte: a. in de grieksche taal- en letterkunde; b. in de latijnsche taal- en letterkunde; c. in de hebreeuwsche taal- en letterkunde; d. in de nederlandsche taal- en letterkunde; e. in de israëlitische, grieksche en romeinsche oudheden; ƒ. in de algemeene geschiedenis; g. in de vaderlandsche geschiedenis; h. in de politische aardrijkskunde; i. in de geschiedenis der wijsbegeerte; k. in de logica; l. in de metaphysica, m. in de zielkunde. 43. Aan minstens ééne universiteit wordt bovendien onderwijs gegeven: 1°. In de faculteit der godgeleerdheid: a. in de christelijke archaeologie. 2°. In de faculteit der regtsgeleerdheid: a. in het mohammedaansche regt en de overige volksinstellingen en gebruiken in Nederlandsch Indië; b. in het staatsregt en de inrigting van 's rijks koloniën en overzeesche bezittingen; c. in het internationale privaatregt. 3°. In de faculteit der geneeskunde: a. in de psychiatrie; b. in de oogheelkunde; c. in de oorheelkunde; d. in de tandheelkunde. 4°. In de faculteit der wis- en natuurkunde: a. in de meteorologie. 5°. In de faculteit der letteren en wijsbegeerte: a. in de archaeologie; b. in de taal- en letterkunde der Semitische volken; c. in de taal-, letter-, land- en volkenkunde van den Oost-Indischen Archipel; d. in de fransche, de engelsche en de hoogduitsche taal- en letterkunde ; e. in de aesthetiek en kunstgeschiedenis; ƒ. in het sanskriet en zijne letterkunde; g. in de oude talen en letterkunde der germaansche volken. 44. Aan eene of meer der universiteiten kunnen, wanneer Wij het noodig oordeelen, leerstoelen worden gevestigd voor vakken in art. 42 en art. 43 niet vermeld. 45. De lessen worden gegeven in het latijn of in het nederlandsch; met vergunning van curatoren ook in andere talen. 46. Het studiejaar vangt aan den derden Dingsdag der maand September. Er zijn drie vacantiën; eene van den tweeden Zaturdag der maand Julij tot de*n aanvang van den volgenden cursus; eene van den laatsten Zaturdag vóór Kersmis tot den derden Dingsdag daaraanvolgende, en eene van tien dagen, beginnende den laatsten Woensdag vóór Paschen. 47. Het programma der lessen, in het latijn te stellen, wordt voor elk studiejaar door den senaat der universiteit, na goedkeuring door curatoren, in de maand Junij vastgesteld. Het vermelt welke lessen in een halfjarigen, welke in een langeren cursus worden gegeven, en hoeveel uren in de week voor elke les zijn bestemd. § 3. Van de hnlpmidden voor het onderwijs, de prijsvragen en de beurzen aan de rijksuniversiteiten. Art. 48. Tot aanbouw, onderhoud en verbetering der gebouwen, voor het meubilair en tot aanvulling en uitbreiding der verzamelingen en hulpmiddelen voor het onderwijs worden jaarlijks de vereischte gelden van rijkswege beschikbaar gesteld. Het beheer en gebruik dier verzamelingen en hulpmiddelen wordt door Ons geregeld, curatoren gehoord. 49. Elk jaar worden, beurtelings aan iedere universiteit, tien prijsvragen uitgeschreven, twee in elke faculteit. Voor het meest voldoende antwoord van een der studerenden aan eene nederlandsche instelling van universitair onderwijs, dat de faculteit, die de vraag stelde, der bekrooning waardig keurt, wordt een gonden eerepenning toegekend. 50. Er kunnen aan elke universiteit zes beurzen van rijkswege worden verleend, ieder van ƒ 800, ter ondersteuning van onvermogende studententen van bnitgewonen aanleg. Deze beurzen worden door Ons toegekend, curatoren gehoord. § 4. Van de docenten en beambten aan de rijksuniversiteiten. Art. 51. De hoogleeraren worden door Ons benoemd en ontslagen. Voor elke te vervullen plaats wordt door curatoren, de faculteit gehoord, eene met redenen omkleede aanbevelingslijst aan Onzen minister van binnenlandsche zaken aangeboden. Ontslag wordt niet verleend dan op eigen verzoek, of nadat curatoren zijn gehoord; deze geven deswege, den belanghebbende gehoord of opgeroepen, hun advies. 52. De jaarwedde der hoogleeraren bedraagt minstens ƒ 4000. 53. Elk hoogleeraar wordt benoemd tot het onderwijs van bepaalde vakken, in zijne aanstelling uitgedrukt. Deze kunnen door Ons worden verminderd of gewijzigd. Tegen zijnen wil kan een hoogleeraar niet met het onderwijs in andere vakken worden belast. 54. Het staat iederen hoogleeraar vrij om, met goedkeuring van curatoren, behalve de hem opgedragene, nog andere lessen te geven. Deze worden dan op de gewone wijze aangekondigd. De besluiten van curatoren tot het verlenen of weigeren dier goedkeuring worden aan Onzen minister van binnenlandsche zaken medegedeeld en kunnen door Ons vernietigd worden. 55. Aan hoogleeraren kan met Onze goedkeuring worden toegestaan, de hun opgedragen vakken van onderwijs met elkander te verwisselen. 56. De hoogleeraren bekleeden geene ambten of bedieningen zonder Onze toestemming. Hoogleeraren het lidmaatschap van eene der beide kamers van de staten-generaal aanvaardende, blijven, zoolang hun lidmaatschap duurt, in het genot der helft van hunne jaarwedde als verlof-tractement. 57. Behoudens kostelooze behandeling van lijders in zieken-inrigtingen aan hunne zorg toevertrouwd en in hunne woningen, het uitoefenen van consultative medische praktijk en het geven van regtsgeleerde adviesen, oefenen de hoogleeraren noch medische, noch regtspraktijk uit. 58. Met het einde van het studiejaar, waarin een hoogleeraar den ouderdom van zeventig jaren bereikt, wordt hem ontslag verleend. 59. Lectoren worden door Ons benoemd en ontslagen. Zij genieten eene jaarwedde uit 's rijks kas. 60. Tot het geven van hooger onderwijs aan de universiteiten kunnen doctoren als privaatdocenten door Onzen minister van binnenlandsche zaken, curatoren gehoord, tot wederopzeggens toe worden toegelaten. De senaat kan de aankondiging hunner lessen op het programma, vermeld in art. 47, toestaan. Bij weigering beslist, curatoren gehoord, Onze minister van binnenlandsche zaken. Van de inrigtingen, verzamelingen en hulpmiddelen voor het onderwijs kunnen curatoren, onder door hen te stellen voorwaarden, aan privaatdocenten het gebruik vergunnen. 61. Bij verhindering of ontstentenis van een hoogleeraar of lector, en in het geval, bedoeld in het 2de lid van art. 56, worden door Ons tijdelijke maatregelen tot voorziening bevolen, indien het belang van het onderwijs dit vordert. 62. De beambten bij de universiteiten worden benoemd en ontslagen door Onzen minister van binnenlandsche zaken, die bevoegd is deze taak, wat de lagere beambten betreft, op te dragen aan curatoren. Eene lijst der beambten wordt door Ons vastgesteld. De werkkring en de verpligtingen der beambten worden door Onzen voornoemden minister, curatoren gehoord, bepaald. § 5. Van de studenten aan de rijksuniversiteiten. Art. 63. Tot het volgen der lessen aan de universiteit wordt gevorderd: 1°. betaling der in artt. 64 of 65 vermelde sommen; 2°. inschrijving bij den rector-magnificus. De inschrijving geschiedt kosteloos; zij geldt voor het studiejaar waarin zij is geschied. Tot de inschrijving gaat de rector-magnificus niet over, vóór dat hem het bewijs is vertoond, dat de gevorderde som is betaald of dat eene rijksbeurs genoten wordt. 64. Ieder die de lessen aan de universiteit wenscht te volgen, betaalt jaarlijks eene som van ƒ 200. Daardoor wordt toegang tot alle lessen der hoogleeraren en lectoren en tot de inrigtingen en verzamelingen der universiteit verkregen, onder de bepalingen, bedoeld in het 2de lid van art. 48. Zij, aan wie eene rijksbeurs is toegekend, zijn van deze betaling vrijgesteld. De toegang tot de lessen, inrigtingen en verzamelingen wordt hun kosteloos verleend. 65. Zij, die slechts enkele, hoogstens vier, lessen van hoogleeraren of lectoren wenschen te volgen, betalen voor iedere les ƒ 30; zoo de les in een halfjarigen cursus gegeven wordt, ƒ 15, Daardoor wordt tevens toegang tot de inrigtingen en verzamelingen, in het voorgaand artikel vermeld, verkregen. 66. De in artt. 64 en 65 vermelde gelden worden in 's rijks schatkist gestort. Terugbetaling geschiedt uitsluitend indien door overlijden vóór den aanvang der lessen van deze geen gebruik is gemaakt en alsdan op aanvrage der erfgenamen. 67. Behalve de gelden, vermeld in artt. 64 en 65, wordt van de studenten, ter zake van het onderwijs door hoogleeraren en lectoren, geenerlei betaling gevorderd. § 6. Van het beheer en het toezigt aan de rijksuniversiteiten. Art. 68. Aan iedere universiteit is een collegie van curatoren, bestaande uit minstens drie en hoogstens vijf leden. Zij worden door Ons benoemd en ontslagen. Om de twee jaren treedt een hunner af; de aftredende is weder benoembaar. Het beheer, door curatoren te voeren, en hun overige werkkring worden door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur geregeld, met inachtneming van het in deze wet bepaalde. Elk collegie van curatoren stelt een huishoudelijk reglement voor zijne werkzaamheden vast en onderwerpt het aan de goedkeuring van Onzen minister van binnenlandsche zaken 69. Curatoren worden bijgestaan door een bezoldigden secretaris, die zijne vaste woonplaats heeft in de gemeente, waar de universiteit is gevestigd; hij wordt door Ons benoemd en ontslagen. Van de bepaling omtrent de woonplaats kan door Ons, curatoren gehoord, ontheffing worden verleend. Curatoren zenden ter zijner benoeming eene aanbevelingslijst van twee personen aan Onzen minister van binnenlandsche zaken. De secretaris treedt om de vijfjaren af en is weder benoembaar. Voor bureaukosten wordt hem een jaarlijksch abonnement toegestaan. Hij ontvangt vergoeding voor reis- en verblijfkosten. 70. Curatoren genieten geen jaarwedde. Zij ontvangen vergoeding voor reis- en verblijfkosten. 71. Curatoren waken voor de getrouwe naleving dezer wet en van alle krachtens haar uitgevaardigde verordeningen, voor zooveel de universiteit betreft. 72. Maken hoogleeraren, lectoren of beambten bij de universiteit, zich aan pligtverzuim of wangedrag schuldig, dan nemen curatoren de vereischte maatregelen van spoedeischenden aard, waaronder schorsing hoogstens voor zes weken, en doen aan Onzen minister van binnenlandsche zaken de noodige voorstellen, zelfs tot ontslag. 73. Curatoren doen jaarlijks vóór l November aan Onzen minister van binnenlandsche zaken een uitvoerig verslag van den staat der universiteit gedurende den afgeloopen cursus en zenden hem vóór 15 Junij eene begrooting der uitgaven voor het volgend burgerlijk jaar. 74. De gezamenlijke hoogleeraren vormen den senaat der universiteit. De hoogleeraar, die het voorzitterschap bekleedt, draagt den titel van rector-magnificus. Hij wordt voor den duur van elk studiejaar door ons benoemd uit eene door den senaat opgemaakte voordragt van drie hoogleeraren, waarbij de aftredende rector-magnifieus buiten aanmerking blijft. 75. Bij den senaat is een secretaris. Elk hoogleeraar is op zijne beurt, volgens een rooster door den senaat vast te stellen, gedurende een jaar met deze betrekking belast. Hij treedt af op hetzelfde tijdstip als de rector-magnifieus. 76. De rector-maguificus en de secretaris ontvangen ieder voor de waarneming hunner betrekking eene toelage, door Ons te bepalen. Uit die van den secretaris worden tevens de bureaukosten bestreden. 77. De rector-magnifieus wordt in zijne werkzaamheden, waar het noodig is, bijgestaan door vier assessoren. Zij worden door den senaat benoemd voor den tijd van een jaar en treden af op het in art. 75 vermelde tijdstip; de aftredenden zijn weder benoembaar. Bij verhindering of ontstentenis van den rector-magnifieus worden zijne werkzaamheden door den oudste in jaren der assessoren waargenomen. Bij verhindering of ontstentenis van den secretaris treedt zijn laatste aanwezige voorganger op. 78. De senaat stelt een reglement vast voor zijne vergaderingen, de werkzaamheden van den secretaris en die van rector-magnifieus en assessoren. De hoogleeraren van iedere faculteit kiezen bij volstrekte meerderheid van stemmen uit hun midden een voorzitter en een secretaris, die na vier jaren aftreden. Zij zijn niet dadelijk weder benoembaar. 79. De senaat, de rector-magnifious en elk hoogleeraar in het bijzonder geven aan Onzen minister van binnenlandsehe zaken en aan curatoren alle noodige inlichtingen en berigten. 80. Bij den aanvang van het studiejaar draagt de rector-magnificus zijne waardigheid in het openbaar aan zijnen opvolger over en geeft dan een verslag van de lotgevallen der universiteit in het afgeloopen jaar. 81. De handhaving der tucht onder de studenten is opgedragen aan den rector-maguificus. 82. Bij overtreding der tucht of bij wangedrag waarschuwt of berispt de rector-magnificus. In buitengewone gevallen, ter beoordeeling van den senaat, alsmede indien een student bij den rector-magnificus of bij den rector-magnificus en assessoren ontboden, moedwillig niet verschijnt, is de senaat bevoegd den overtreder den toegang tot de universiteit voor een tijdvak van minstens een jaar en hoogstens vijf jaren te ontzeggen. Van de uitspraak des senaats kan door belangheb benden bij Onzen ministervan binnenlaudsche zaken inhooger beroep worden gekomen. VIERDE HOOFDSTUK. VAN DE WETENSCHAPPELIJKE GRADEN. Art. 83. Aan de universiteiten zijn de volgende doctoraten verkrijgbaar: 1°. in de faculteit der godgeleerdheid: in de godgeleerdheid; 2°. in de faculteit der regtsgeleerdheid: a. in de regtswetenschap; b. in de staatswetenschap; 3°. in de faculteit der geneeskunde: a. in de geneeskunde; b. in de heelkunde; c. in de verloskunde; 4°. in de faculteit der wis- en natuurkunde: a. in de wis- en sterrekunde; b. in de wis- en natuurkunde; c. in de scheikunde; d. in de aard- en delfstofkunde; . e, in de plant- en dierkunde; ƒ. in de artsenijbereidkunde; 5°. in de faculteit der letteren en wijsbegeerte: a. in de klassieke letterkunde; b. in de Semitische letterkunde; c. in de nederlandsehe letterkunde; d. in de taal- en letterkunde van den Oost-Indischen Archipel; e. in de wijsbegeerte. 84. De in het voorgaande artikel genoemde doctoraten worden verkregen door het afleggen van de examens en het voldoen aan de voorwaarden, door Ons vast te stellen bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur, na ingewonnen gezamenlijk advies van de senaten der rijksuniversiteiten. Bij Ons bedoeld besluit worden de inrigting, omvang en duur der examens en promotiën, de tijdstippen waarop zij worden gehouden en al wat verder daarop betrekking heeft, geregeld. Voor het geven van hun advies wordt aan de senaten door Ons een termijn van ten minste drie maanden gesteld, aanvangende met den dag, waarop zij, op uitnoodiging van Onzen minister van binnenlandsche zaken, zijn vergaderd. Alvorens Ons bedoeld besluit te wijzigen, worden de senaten der rijksuniversiteiten op dezelfde wijze geraadpleegd. 85. Tot het afleggen der examens wordt ieder, onverschillig waar hij de daarvoor vereischte kundigheden heeft opgedaan, toegelaten, mits hij in het bezit zij van een der getuigschriften, vermeld in artt. 11 en 12. Het het getuigschrift in art. 11 vermeld, wordt gelijk gesteld dat, hetwelk, door bestuurders van instellingen, voorbereidend tot universitair onderwijs, in de koloniën en overzeesche bezittingen van het rijk, aan hen die het onderwijs aan zoodanige instellingen tot het einde toe hebben genoten, wegens met goed gevolg afgelegd examen is uitgereikt, voor zoo verre dit voorregt door Ons aan die instellingen is toegekend. 86. Zij, die gedurende den loop hunner universitaire studiën van studievak veranderen en examens wenschen af te leggen in eene andere faculteit dan die, waarvoor zij ingevolge artt. 11 of 12 het getuigschrift verwierven, zijn verpligt, naar gelang hunner studiën aan de faculteit der letteren en wijsbegeerte of aan die der wis-en natuurkunde, de bewijzen te geven, dat zij voldoende kennis bezitten van hetgeen, waarin zij bij het verkrijgen van het getuigschrift niet zijn geëxamineerd. 87. Alle examens aan de universiteiten worden afgenomen door de faculteiten. 88. De toekenning van den doctoralen graad geschiedt door den senaat en ten overstaan van dat ligchaam of van eene commissie uit zijn midden, volgens regelen in den bij art. 84 bedoelden algemeenen maatregel van inwendig bestuur vastgesteld. 89. Voor het afleggen van de examens, vermeld in art. 12, voor zooveel deze door de aldaar vermelde commissie worden afgenomen, en in art. 86 wordt eene som van f 10 betaald. Voor het afleggen van elk ander examen aan eene rijksuniversiteit wordt eene som van f 50 betaald. In geval van afwijzing wordt voor de eerste herhaling van een examen geene betaling gevorderd. Deze gelden worden in 's rijks schatkist gestort . De toekenning van den doctoralen graad geschiedt kosteloos. 90. De senaten hebben het regt om, op voordragt der faculteiten, wegens zeer uitstekende verdiensten, aan Nederlanders of vreemdelingen, het doctoraat honoris causa te verleenen. 91. De graad van doctor geeft in het algemeen de aan dien graad bij deze en andere wetten verbonden bevoegdheid tot het geven van onderwijs en tot het uitoefenen van ambten en bedieningen. 92. De graad van doctor in de regtswetenschap geeft de bevoegdheid, zich, met inachtneming van de overigens daaromtrent bestaande bepalingen, als advocaat te doen inschrijven en om benoemd te worden tot de regterlijke betrekkingen, waarvoor volgens de wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie de graad van meester in de regten gevorderd wordt, zoomede tot de betrekkingen van ambtenaar bij de regterlijke magt of bij de burgerlijke dienst in 's rijks koloniën en overzeesche bezittingen, behoudens nadere vereischten in bijzondere wetten of verordeningen voor ieder van die betrekkingen gevorderd. Voor zooveel Nederlandsen Indië betreft, geeft de voormelde graad onder hetzelfde voorbehoud de bevoegdheid om bij de regterlijke magt of de burgerlijke dienst te worden benoemd, aan hem, die bij de betrokken faculteiten een door Ons, ingevolge art. 84 te regelen examen in de vakken, vermeld in art. 43, sub no. 2, litt. a, en b, en sub no. 5, lit. c, heeft afgelegd. Hij geeft voorts de bevoegdheid, middelbaar onderwijs te geven in de gronden van de gemeente-, provinciale en staatsinrigting van Nederland. 93. De graad van doctor in de staatswetenschap geeft de bevoegdheid, middelbaar onderwijs te geven in de staathuishoudkunde, de statistiek, inzonderheid van Nederland en van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen, en in de gronden van de gemeente-, provinciale en staatsinrigting van Nederland. 94. De doctoren in de geneeskunde en zij, die tot de promotie in dit vak zijn toegelaten, zijn bevoegd de geneeskunst in haren geheelen omvang uit te oefenen, na aflegging van het practisch examen, bedoeld in art. 5 der wet van l Junij 1865, gewijzigd door die van 8 Julij 1874. 95. De graad van doctor in de wis- en sterrekunde en die van doctor in de wis- en natuurkunde, geven gelijke bevoegdheid als de acte B, vermeld in de artt. 70 en 71 der wet van 2 Mei 1863. De graad van doctor in de scheikunde geeft gelijke bevoegdheid als de acte B, vermeld in art. 72 van genoemde wet. De graad van doctor in de aard- en delfstofkunde geeft gelijke bevoegdheid als de acte A, vermeld in art. 70 van genoemde wet. De graad van doctor in de plant- en dierkunde geeft gelijke bevoegdheid als de acte A, vermeld in art. 70 van genoemde wet. 96. De doctoren in de artsenijbereidkunde en zij, die tot de promotie in dit vak zijn toegelaten, zijn bevoegd de artsenij bereidkunst in haren geheelen omvang uit te oefenen, na aflegging van het practisch examen, bedoeld in B van art. 9 der in art. 94 vermelde wet. 97. De graad van doctor in de nederlandsche letterkunde geeft gelijke bevoegdheid als de acte, vermeld in het eerste lid van art. 74 der wet van 2 Mei 1863 Het getuigschrift van voldaan te hebben aan het examen, laatstelijk voorafgaande aan dat ter verkrijging van genoemden doctoralen graad, geeft gelijke bevoegdheid als de acte, vermeld in het eerste lid van art. 74 van genoemde wet. 98. Zij die, na voldaan te hebben aan een of meer examens ter verkrijging van het doctoraat in de wis- en sterrekunde, de wis-en natuurkunde, de scheikunde of de aard- en delfstofkunde, tot de polytechnische school wenschen over te gaan, zijn vrijgesteld van het examen A volgens art. 59 der wet van 2 Mei 1863. TITEL III. VAN HET BIJZONDER HOOGER ONDERWIJS. Art. 99. Het staat aan ieder Nederlander, ieder vreemdeling, die de bij art. 3 bedoelde vergunning bezit, elke erkende vereeniging en ieder kerkgenootschap vrij, eene bijzondere school van hooger onderwijs te openen, onder voorwaarde dat de oprigter vooraf daarvan kennis geve aan het gemeentebestuur en aan Onzen minister van binnenlandsche zaken, met overlegging van de reglementen of statuten. Worden die reglementen of statuten gewijzigd of ingetrokken, dan doet het hoofd of het bestuur der school, gelijke mededeeling van de wijziging of intrekking. 100. Tot het openen eener bij zondere school van hooger onderwijs, gesticht bij uiterste wilsbeschikking, wordt Onze goedkeuring vereischt. Bij het daartoe strekkend verzoek wordt door de erfgenamen, executeurs of administrateurs, het testament overgelegd. 101. Het bestuur van elke bijzondere school van hooger onderwijs zendt jaarlijks vóór l Maart aan het gemeentebestuur een beredeneerd verslag omtrent den toestand der school in het vorig jaar, en vóór l November aan Onzen minister van binnenlandsche zaken gelijk verslag over het afgeloopen studiejaar. 102. Het verzuim der kennisgevingen en van het doen van het verzoek en der verslagen, gevorderd bij artt. 99, 100 en 101, wordt gestraft met eene boete van ƒ 25 en bij herhaling van ƒ 100. Bij de derde overtreding wordt bovendien bij regterlijk vonnis de sluiting der school bevolen. Art. 463 van het Wetboek van Strafregt en art. 20 der Wet van 29 Julij 1854 zijn ten deze toepasselijk. 103. De bij het in werking treden dezer wet bestaande kerkelijke kweekscholen en seminaria tot opleiding van leeraren voor eenig kerkgenootschap of kweekelingen voor den geestelijken stand, blijven, zoo lang zij bestaan, in het genot der subsidiën, beurzen, toelagen en verdere ondersteuningen uit 's rijks kas, door hen op dat tijdstip genoten. 104. Indien, na het in werking treden dezer wet van wege het hervormd kerkgenootschap tot het opleiden van leeraren voor dat kerkgenootschap een of meer leerstoelen of scholen van hooger onderwijs worden gevestigd, kan ten behoeve dier opleiding jaarlijks van rijkswege zoodanig bedrag beschikbaar worden gesteld als blijken zal voor dat doel noodig te zijn. De bepalingen of reglementen betreffende die opleiding worden vooraf ter Onzer kennis gebragt. De wijze van benoeming der docenten wordt daarin vermeld. Art. 99, tweede lid, en art. 102 zijn ten deze toepasselijk. 105. Hoogleeraren aan de instellingen, bedoeld in artt. 103 en 104, gevestigd in gemeenten waar eene rijksuniversiteit is, hebben bij plegtigheden der universiteit rang en zitting nevens die der universiteit. 106. De studenten of kweekelingen der instellingen, bedoeld in de art. 103 en 104, gevestigd in gemeenten waar eene rijksuniversiteit is, hebben toegang tot al de lessen harer hoogleeraren en tot de wetenschappelijke instellingen en verzamelingen. Zij, die daarvan wenschen gebruik te maken, betalen de helft der sommen in artt. 64 en 65 vermeld. Zij worden door.den rector-magnificus ingeschreven. Op die inschrijving is art. 63, 2de en 3de lid, toepasselijk. 107. Van bestaande makingen ten behoeve eener theologische faculteit of van theologische studiën, alsmede van bestaande stichtingen van beurzen of leenen ten voordeele van studerenden in de theologie aan eene van 's rijksuniversiteiten, wordt, indien eene regeling zoo als in art. 104 is bedoeld, tot stand is gekomen, door Ons, den raad van state gehoord, de voortdurende bestemming aangewezen op de wijze, die het meest met het doel der erflaters en stichters overeenkomt. TITEL IV. OVERGANGSBEPALINGEN. Art. 108. Ieder, die op het tijdstip van liet in werking treden dezer wet, aan eene inrigting van hooger onderwijs, zonder in strijd met bestaande verordeningen te zijn, onderwijs geeft, heeft de bevoegdheid met onderwijzen voort te gaan. 109. Op het in art. 108 vernielde tijdstip worden aan de dan bij de hoogescholen te Leiden, Utrecht en Groningen in dienst zijnde hoogleeraren, die den leeftijd van zeventig jaren nog niet bereikt hebben, door Ons de vakken aangewezen, waarin zij onderwijs zullen geven. Zij, die tegen de aanvaarding der hun toegewezen vakken bedenkingen hebben, welke door Ons gegrond worden geacht, behouden de door hen op gemeld tijdstip genoten jaarwedde als wachtgeld tot hun zeventigste jaar. Dit wachtgeld vervalt, zoodra zij eene landsbediening aanvaarden, tot eene betrekking van staatswege worden benoemd, waarvan de bezoldiging met het bedrag van het wachtgeld gelijk staat of dat overtreft, of zoodanige betrekking, hun niet van staatswege opgedragen, aanvaarden. Bij aanvaarding eener betrekking niet van staatswege opgedragen, waarvan de bezoldiging lager is dan het wachtgeld, wordt dit verminderd met het bedrag van die bezoldiging. De tijd, gedurende welken wachtgeld wordt genoten, rekent mede voor aanspraak op pensioen. Geen wachtgeld gaat de som van ƒ 3000 's jaars te boven. 110. Aan de hoogleeraren, vermeld in het 1ste lid van art. 109, die aantoonen, dat hunne inkomsten aan jaarwedde, collegiegelden en verdere emolumenten, in de vijf laatste jaren aan het in art. 108 vermelde tijdstip voorafgegaan, of, voor zooveel zij korter in dienst zijn geweest, over dat kortere tijdvak, gemiddeld, jaarlijks, meer hebben bedragen dan de jaarwedde, hun krachtens deze wet toe te leggen, kan eene personele toelage ten bedrage van hetgeen zij in hunne nieuwe betrekking minder ontvangen, worden verleend. Deze toelage wordt, voor zooveel de aanspraak op pensioen betreft, niet als wedde of belooning beschouwd. Aan de hoogleeraren die, op het in art. 108 vermelde tijdstip gepensioneerd, krachtens art. 4 van het Koninklijk besluit van 7 Mei 1837 in het genot zijn der emolumenten, vermeld in art. 134, no. l en 2, van het organiek besluit van 2 Augustus 1815, kan, ter vergoeding van het gemis dier emolumenten, eene personele toelage worden verleend, ten bedrage van hetgeen zij in de vijf laatste jaren aan het in art. 108 vermelde tijdstip voorafgegaan, of, voor zooveel zij korter in dat genot zijn geweest, over dat kortere tijdvak, gemiddeld, jaarlijks, aan emolumenten hebben genoten. Gelijke personele toelage kan ook worden verleend aan de op het in art. 108 vermelde tijdstip in dienst zijnde hoogleeraren, wanneer zij op zeventigjarigen ouderdom worden gepensioneerd. Op deze personele toelagen is art. 30 der wet betreffende de burgerlijke pensioenen, laatstelijk gewijzigd bij die van 21 Mei 1873, niet van toepassing. 111. De hoogleeraren, vermeld in het eerste lid van art. 109, worden op hun verzoek vrijgesteld van de bijdrage voor pensioen ingevolge art. 156 der wet betreffende de burgerlijke pensioenen, laatstelijk gewijzigd bij die van 21 Mei 1873, wegens de verhooging hunner wedde verschuldigd. Indien echter die verhooging meer bedraagt dan het gemiddeld bedrag hunner collegiegelden en verdere emolumenten, berekend op den voet in het vorig artikel bepaald, blijft van dat meerdere de bijdrage voor pensioen verschuldigd. Het gedeelte der wedde, waarover aldus de bijdrage voor pensioen niet wordt betaald, blijft bij de bepaling van den grondslag voor de latere regeling van het pensioen buiten aanmerking. 112. Zij, aan wie, vóór het in art. 108 vermelde tijdstip, de titel van hoogleeraar is toegekend, blijven dien behouden. 113. De bestemming der gelden en archiven, behoorende tot het bij elk der hoogescholen te Leiden, Utrecht en Groningen bestaande akademisch fonds, ingesteld bij Koninklijk besluit van 13 October 1836, wordt door Ons geregeld. 114. De gemeenten, die krachtens art. 6 dezer wet tot het oprigten of volgens bare voorschriften inrigten en onderhouden van gymnasia gehouden zijn, voldoen, voor zoo verre haar niet de bij het derde lid van dat artikel vermelde vrijstelling is verleend, aan die verpligting binnen een termijn van uiterlijk drie jaren, te rekenen van het in art. 108 vermelde tijdstip. Zoolang binnen dezen termijn eene bestaande latijnsche school of een bestaand gymnasium in wezen blijft, gelden, wat betreft het onderwijzend personeel, de vakken waarin onderwijs wordt gegeven en de inrigting, de bepalingen van het organiek besluit van 2 Aug. 1815 en die tot aanvulling of wijziging daarvan vastgesteld. Gelijke termijn wordt toegestaan aan gemeenten, wier bevolking blijkens de alsdan laatste tienjarige volkstelling, boven bet cijfer van twintig duizend is geklommen en aan welke bovengemelde vrijstelling niet wordt verleend. 115. Aan de leeraren bij de gymnasia, in het 1ste lid van het voorgaand artikel bedoeld, die op het in art. 108 vermelde tijdstip bij eene latijnsche school of een gymnasium geplaatst waren, wordt vrijheid gelaten van de aanspraak op pensioen bij art. 20 toegekend, afstand te doen. In dit geval zijn de artt. 20-23 niet op hen toepasselijk. 116. Gedurende vier jaren, te rekenen van het in art. 108 vermelde tijdstip, gelden, met betrekking tot de toelating tot de examens aan de universiteiten, de bepalingen van het Koninklijk besluit van 4 Augustus 1853. 117. Van het bezit der getuigschriften, vermeld in artt. 11 en 12, zijn vrijgesteld zij, die tot op het in art. 108 vermelde tijdstip als studenten aan eene nederlandsche hoogeschool zijn ingeschreven, voor zoo verre de inschrijving is geschied na overlegging van het bewijs, vermeld in het 1ste lid van art. l van Ons besluit van 4 Augustus 1853, of na aflegging van het examen, vermeld in het 2de lid van dat artikel. 118. Door Ons wordt bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur bepaald, welke bewijzen van bekwaamheid zij, die vermeld zijn in de beide voorgaande artikelen, behooren te geven, alvorens tot de examens, bedoeld bij art. 84, te kunnen worden toegelaten. 119. Door Ons wordt bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur bepaald, van welke der examens, bedoeld bij art. 84 zijn vrijgesteld zij, die, op het in art. 108 vermelde tijdstip, aan eene nederlandsche hoogeschool den graad van candidaat verkregen hebben. 120. Wij behouden Ons voor, geheele of gedeeltelijke vrijstelling van de bijdrage, in art. 64 vermeld, voor het eerste studiejaar na het in art. 108 vermelde tijdstip toe te kennen aan hen, die voor dat jaar reeds de collegiegelden betaald hebben. 121. Zij die, vóór het in art. 108 vermelde tijdstip, het laatste examen in eenige faculteit hebben afgelegd, worden nog gedurende den tijd van twee jaren na dat tijdstip, overeenkomstig de bepalingen van het organiek besluit van 2 Augustus 1815 en die tot aanvulling of wijziging daarvan vastgesteld, tot de promotie toegelaten. 122. Zij die, vóór het in art. 108 vermelde tijdstip, aan eene nederlandsche hoogeschool een akademischen graad verkregen hebben, behouden de bevoegdheid tot het geven van onderwijs in de vakken waarin zij, krachtens het hun verleend diploma, de bevoegdheid hadden onderwijs te geven. De graad van doctor in de godgeleerdheid geeft gelijke bevoegdheid als de graden van doctor in de godgeleerdheid en in de Semitische letterkunde, vermeld in art. 83. De graad van doctor juris Romani et hodierni geeft gelijke bevoegdheid als de graden van doctor in de regtswetenschap en in de staatswetenschap, vermeld in art. 83. De graden van doctor in de genees-, heel- en verloskunde geven dezelfde bevoegdheid als de graden van doctor in dezelfde vakken, vermeld in art. 83. De graad van doctor in de wis- en natuurkunde geeft gelijke bevoegdheid als de graden van doctor in de wis- en sterrekunde, in de wis- en natuurkunde, in de scheikunde, in de aard- en delfstofkunde en in de plant- en dierkunde, vermeld in art. 83, of naar gelang van den inhoud van het verkregen diploma; gelijke bevoegdheid als één of meer dier graden. De graad van candidaat in de wis- en natuurkunde, voorbereidend voor het doctoraat in die wetenschappen, geeft gelijke bevoegdheid als het getuigschrift van voldaan te hebben aan het examen, laatstelijk voorafgaande aan dat ter verkrijging van een der doctorale graden in de faculteit der wis- en natuurkunde, vermeld in art. 83. De graad van doctor artis pharmaceuticae geeft dezelfde bevoegdheid als de graad van doctor in de artsenijbereidkunde, vermeld in art. 83. De graad van doctor in de bespiegelende wijsbegeerte en letteren geeft gelijke bevoegdheid als de graden van doctor in de klassieke letterkunde en in de nederlandsche letterkunde, vermeld in art. 83. De graad van candidaat, voorbereidend voor het doctoraat in de bespiegelende wijsbegeerte en letteren, geeft gelijke bevoegdheid als het getuigschrift van voldaan te hebben aan de examens, laatstelijk voorafgaande aan die ter verkrijging van den doctoralen graad in de klassieke en in de nederlandsche letterkunde, vermeld in art. 83. Voor elk der in dit artikel genoemde doctoraten wordt de daarbij vermelde bevoegdheid ook toegekend aan hen, die krachtens art. 121 het doctoraat hebben verworven. 123. De gemeenten, dus verre in het genot van rijkssubsidie ten behoeve harer latijnsche scholen of gymnasia, en die, niet aan de vereischten dezer wet voldoende, overeenkomstig art. 8 dat subsidie zouden verliezen, blijven niettemin in het genot daarvan gedurende één jaar, te rekenen van het in art. 108 vermelde tijdstip. 124. Binnen zes maanden na het in art. 108 vermelde tijdstip leggen de bestuurders van de op dat tijdstip bestaande bijzondere scholen van hooger onderwijs de reglementen of statuten dier scholen over aan het gemeentebestuur en aan Onzen minister van binnenlandsche zaken, aan welke insgelijks mededeeling wordt gedaan van latere wijziging of intrekking dier reglementen of statuten. Het verzuim dezer kennisgevingen wordt gestraft op de wijze vermeld in art. 102. 125. De rijksinstellingen van onderwijs in indische taal-, land- en volkenkunde, opgerigt ten gevolge der wet van 10 Junij 1864, wordt op het in art. 108 vermelde tijdstip opgeheven. Op de hoogleeraren is art. 109 toepasselijk. 126. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip . Alsdan vervallen, behoudens de tijdelijke uitzonderingen in dezen titel bepaald, het organiek besluit van 2 Augustus 1815, en alle verdere algemeene verordeningen betreffende het hooger onderwijs. Hetgeen ter voorbereiding van het in werking treden dezer wet en tot hare behoorlijke uitvoering noodig is, wordt door Ons geregeld. Voor het vervullen der bij haar gevorderde leerstoelen aan de rijksuniversiteiten, wordt eene tijdsruimte van vijf jaren na haar in werking treden toegestaan. Bronnen: J.C. Meijer (ed.) Nederlandsche Staatswetten (Sneek 1876)
|
|
Terugkeren naar Overzicht pagina costuymen etc. Terugkeren naar Inhoudsopgave Laatst bijgewerkt op 17 juli 2009 |