WET OP HET LAGER ONDERWIJS.

(Vastgesteld den 13den Augustus 1857, Staatsblad no. 103).

TITEL I.

ALGEMEENE BEPALINGEN.

Art. 1. Het lager onderwijs wordt onderscheiden in gewoon en meer uitgebreid onderwijs.

Het gewoon lager onderwijs omvat het onderwijs in:

a. het lezen,

b. het schrijven,

c. het rekenen,

d. de beginselen der vormleer,

e. die der nederlandsehe taal,

f. die der aardrijkskunde,

g. die der geschiedenis,

h. die der kennis van de natuur,

i. het zingen.

Tot het meer uitgebreid lager onderwijs wordt gerekend het onderwijs in:

k. de beginselen der kennis van de levende talen,

l. die der wiskunde,

m. die der landbouwkunde,

n. de gymnastiek,

o. het teekenen,

p. de handwerken voor meisjes.

2. Lager onderwijs wordt gegeven in scholen en in de woningen der ouders of voogden van de kinderen.

Het eerste is school, het laatste huisonderwijs.

Onderwijs aan de kinderen van ten hoogste drie gezinnen gezamenlijk wordt nog als huisonderwijs beschouwd.

3. De lagere scholen worden onderscheiden in openbare en bijzondere scholen.

Openbare scholen zijn die, opgerigt en onderhouden door de gemeenten, de provinciën en het rijk, afzonderlijk of gezamenlijk; de overige zijn bijzondere scholen.

Aan bijzondere scholen kan vanwege de gemeente of de provincie subsidie worden verleend, onder zoodanige voorwaarden, als het gemeente- of provinciaal bestuur noodig acht.

De aldus gesubsidieerde scholen zijn toegankelijk voor alle kinderen, zonder onderscheid van godsdienstige gezindheid. Het 1ste en 2de lid van art. 23 zijn op die scholen toepasselijk.

4. Geen schoolonderwijs wordt gegeven in localen, die door den districts-schoolopziener verklaard zijn voor de gezondheid schadelijk te wezen of van onvoldoende ruimte voor het aantal schoolgaande kinderen.

Indien in zijne uitspraak niet wordt berust, beslissen gedeputeerde staten na een nieuw zelfstandig onderzoek.

Het komen in hooger beroep, zoo van de uitspraak van den schoolopziener als van die van gedeputeerde staten, geschiedt binnen veertien dagen, te rekenen van den dag, waarop de kennisgeving der uitspraak bij de belanghebbenden is ontvangen.

Tot het komen in hooger beroep zijn bevoegd allen, ten wier nadeel de uitspraak is uitgevallen, met name de ouders of voogden der schoolgaande kinderen, indien de schoolopziener in de uitspraak van gedeputeerde staten heeft berust.

In afwachting der eindbeslissing kan het onderwijs in het afgekeurde locaal worden voortgezet.

5. Het schoolonderwijs wordt gegeven door hoofd- en hulponderwijzers, hoofd- en hulpouderwijzeressen, en kweekelingen, zoo mannelijke als vrouwelijke.

Kweekelingen zijn zij, die den ouderdom niet bereikt hebbende waarop zij tot het examen als hulponderwijzer of als hulponderwijzeres kunnen worden toegelaten, bij het schoolonderwijs behulpzaam zijn.

Dien ouderdom bereikt hebbende, mogen zij als kweekelingen werkzaam blijven gedurende den tijd, die nog verloopen moet alvorens zij tot het examen kunnen worden toegelaten.

Indien kweekelingen het examen, vermeld in het 2de en 3de lid, met ongunstig gevolg hebben afgelegd, of om redenen, ter beoordeeling van den provincialen inspecteur, verhinderd zijn geweest, examen af te leggen, kunnen zij nog tot aan het eerstvolgend examen als kweekelingen werkzaam blijven.

6. Niemand mag lager onderwijs geven, die niet in het bezit is der bij deze wet gevorderde bewijzen van bekwaamheid en zedelijkheid.

Vreemdelingen behoeven bovendien Onze vergunning .

7. De bepalingen van het voorgaand artikel zijn niet toepasselijk op:

a. de kweekelingen, voor zooveel betreft het onderwijs in de school, waarin zij werkzaam zijn;

b. hen, die uitsluitend aan de kinderen van één gezin lager onderwijs geven;

c. hen, die van het geven van lager onderwijs geen beroep makende en zich zonder geldelijke belooning daartoe bereid verklarende, van Ons vergunning hebben verkregen tot het geven van zoodanig onderwijs;

d. de candidaten en doctoren in de letteren en in de wis- en natuurkunde, voor zooveel zij door hunne academische graden bevoegd zijn onderwijs te geven in een of eenige der vakken, vermeld in art. l.

8. Die lager onderwijs geeft, zonder daartoe bevoegd te zijn of in strijd met het 1ste lid van art. 4, wordt voor de eerste maal gestraft met eene boete van vijf en twintig tot vijftig gulden, voorde tweede maal met eene boete van vijftig tot honderd gulden en gevangenisstraf van acht tot veertien dagen, te zamen of afzonderlijk, en vervolgens telkens met gevangenisstraf van eene maand tot een jaar .

Op hem, die buiten de grenzen zijner bevoegdheid lager onderwijs geeft, is de helft dezer straffen van toepassing. Hiervan zijn uitgezonderd de hulponderwijzers, tijdelijk aan het hoofd eener school geplaatst, mits de tijdelijke waarneming niet langer dan zes maanden dure.

Art. 463 van het Wetboek van Strafregt en art. 20 der wet van den 29sten Juni 1854 zijn ten deze toepasselijk.

9. Bij elke veroordeeling tot boete wordt tevens door den regter bepaald, dat, indien de veroordeelde, twee maanden na daartoe te zijn aangemaand, in gebreke blijft de boete of geregtskosten te voldoen, de opgelegde straf zal worden vervangen door gevangenisstraf van ten hoogste veertien dagen, indien meer dan vijftig gulden en ten hoogste zeven dagen, indien niet meer dan vijftig gulden aan boete is opgelegd.

10. Behalve in de gevallen, hierna vermeld, vervalt de bevoegdheid tot het geven van lager onderwijs voor hem, die hij eindvonnis is veroordeeld:

a. wegens misdaad;

b. wegens diefstal, opligting, meineed, misbruik van vertrouwen of aantasting der zeden.

11. Die de bevoegdheid tot het geven van lager onderwijs verloren heeft, kan haar niet terugkrijgen.

In de gevallen, bedoeld bij art. 22, 7de lid, en art. 39, kan zij door Ons worden teruggegeven.

12. Tot opleiding van ouderwijzers zijn er ten minste twee rijkskweekscholen en worden van rijkswege aan enkele der meest voortreffelijke lagere scholen normaallessen verbonden.

De opleiding van onderwijzers en onderwijzeressen op de lagere scholen wordt zooveel mogelijk van rijkswege bevorderd.

13. Van elk besluit, krachtens deze wet door gedeputeerde staten genomen, kan bij Ons in beroep worden gekomen.

14. De bepalingen dezer wet omtrent de onderwijzers zijn insgelijks op de onderwijzeressen van toepassing, voor zooverre zij voor deze geene uitzondering behelst.

15. Deze wet is niet toepasselijk:

a. op hen , die uitsluitend onderwijs geven in een der vakken, vermeld onder i, n. o en p van art. l en op de daarvoor bestemde scholen;

b. op militaire onderwijzers en het onderwijs door hen gegeven aan militairen.

TITEL II.

VAN HET OPENBAAR ONDERWIJS.

§ 1. Van de scholen.

Art. 16. In elke gemeente wordt lager onderwijs gegeven in een voor de bevolking en de behoefte voldoend getal scholen, toegankelijk voor alle kinderen, zonder onderscheid van godsdienstige gezindheid'

Het onderwijs omvat ten minste de vakken, vermeld onder a-i van art. 1. Waar behoefte aan uitbreiding bestaat en deze mogelijk is, worden een, meer of alle vakken, onder k-p van art. 1 vermeld, in het onderwijs opgenomen.

Twee of meer naburige gemeenten kunnen, met inachtneming van art. 121 der wet van den 29sten Juni 1851, zich vereenigen tot het oprigten en in stand houden van gemeenschappelijke scholen.

17. De gemeenteraad bepaalt het getal der scholen. Zijn besluit wordt aan gedeputeerde staten medegedeeld.

Zoo gedeputeerde staten het getal onvoldoende achten, bevelen zij vermeerdering.

Indien het Ons onvoldoende voorkomt, kan vermeerdering door Ons worden bevolen.

De uitbreiding van het onderwijs, bij het 2de lid van het voorgaand artikel bedoeld, wordt op dezelfde wijze vastgesteld.

§ 2. Van de onderwijzers.

Art. 18. Wanneer het getal der leerlingen op eene school meer dan zeventig bedraagt, wordt de hoofdonderwijzer bijgestaan door een kweekeling, meer dan honderd door een hulponderwijzer, meer dan honderd vijftig door een hulponderwijzer en een kweekeling. Boven dit getal wordt hij telkens voor vijftig leerlingen door een kweekeling, en voor honderd leerlingen door een hulponderwijzer bijgestaan.

19. Aan elken hoofdonderwijzer wordt, behalve vrije woning zoo mogelijk met een tuin, eene jaarwedde toegelegd.

Ingeval hem geene vrije woning kan verschaft worden, ontvangt hij eene billijke vergoeding voor huishuur.

Bij verschil tusschen den gemeenteraad en den onderwijzer omtrent het bedrag dier vergoeding beslissen gedeputeerde staten.

Ten behoeve van elken kweekeling, bedoeld in liet voorgaand artikel, wordt den hoofdonderwijzer eene jaarlijksche toelage verleend.

Aan elken hulponderwijzer wordt eene jaarwedde toegelegd.

De jaarwedden en toelagen worden door den gemeenteraad onder goedkeuring van gedeputeerde staten bepaald.

Voor een hoofdonderwijzer is het bedrag der jaarwedde ten minste ƒ 400, voor een hulponderwijzer ten minste ƒ 200. Het bedrag; der toelage is ten minste ƒ 25.

20. In gemeenten, waarin, wegens de uitgebreidheid van haar grondgebied bij verspreide bevolking, een grooter aantal scholen vereischt wordt dan anders noodig zou zijn, kan, onder goedkeuring van gedeputeerde staten, aan het hoofd van eene of eenige dier scholen een hoofd- of hulponderwijzer geplaatst worden, wiens jaarwedde ten minste f 200 bedraagt.

21. Om als hoofd- of hulponderwijzer benoemd te kannen worden, wordt vereischt het bezit:

a. eener acte van bekwaamheid tot het geven van schoolonderwijs;

b. van een getuigschrift van goed zedelijk gedrag, afgegeven door het dagelijksch bestuur der gemeente of gemeenten, waar de bezitter gedurende de twee laatste jaren heeft gewoond.

22. De hoofdonderwijzers worden benoemd door den gemeenteraad uit eene voordragt van minstens drie en hoogstens zes personen, opgemaakt door burgemeester en wethouders, in overleg met den districts-schoolopziener, na een vergelijkend examen, door hem of onder zijn opzigt afgenomen ten overstaan van burgemeester en wethouders of van afgevaardigden uit hun midden, en van de plaatselijke schoolcommissie of van afgevaardigden uit die commissie. De leden van den raad worden tot het bijwonen van dit examen uitgenoodigd.

De hulponderwijzers worden benoemd door den gemeenteraad, uit eene voordragt van drie personen, opgemaakt door burgemeester en wethouders in overleg met den hoofdonderwijzer en den districtsschoolopziener.

De hoofd- en hulponderwijzers kunnen door burgemeester en wethouders, den schoolopziener gehoord, worden geschorst. Burgemeester en wethouders geven zoo spoedig mogelijk rekenschap van hun besluit aan den raad.

De hoofd- en hulponderwijzers worden ontslagen door den gemeenteraad, op voordragt van burgemeester en wethouders en den districts-schoolopziener. Ontslag op eigen verzoek geschiedt regtstreeks door den raad.

Is schorsing of ontslag, naar inzien der plaatselijke schoolcommissie of van den districts-schoolopziener, noodig en de gemeenteraad nalatig of weigerachtig daartoe over te gaan, dan kan de schorsing of het ontslag door gedeputeerde staten geschieden.

Schorsing geschiedt uiterlijk voor drie maanden en met behoud of met gedeeltelijk of geheel verlies der bezoldiging gedurende het buiten dienst blijven.

Die ontslagen zijn ter zake van een ergerlijk levensgedrag of het verspreiden van leeringen, strijdig met de goede zeden of aansporende tot ongehoorzaamheid aan de wetten des lands, kunnen door gedeputeerde staten worden verklaard hunne bevoegdheid tot liet geven van onderwijs verloren te hebben.

Het benoemen en ontslaan der kweekelingen geschiedt door den hoofdonderwijzer, onder goedkeuring van den districts-schoolopziener.

In geval van schorsing, ontslag of ontstentenis van den hoofd-of hulponderwijzer, wordt door burgemeester en wethouders, in overleg wat den hoofdonderwijzer betreft met den districts-schoolopziener, wat den hulponderwijzer aangaat met den hoofdonderwijzer, in de tijdelijke waarneming der opengevallen plaats voorzien. Die van hoofdonderwijzer moet uiterlijk binnen zes maanden na het openvallen zijn vervuld.

23. Het schoolonderwijs wordt, onder het aanleeren van gepaste en nuttige kundigheden, dienstbaar gemaakt aan de ontwikkeling van de verstandelijke vermogens der kinderen en aan hunne opleiding tot alle christelijke en maatschappelijke deugden.

De onderwijzer onthoudt zich van iets te leeren, te doen of toe te laten, wat strijdig is met den eerbied, verschuldigd aan de godsdienstige begrippen van andersdenkenden.

Het geven van onderwijs in de godsdienst wordt overgelaten aan de kerkgenootschappen. Hiervoor kunnen de schoollocalen buiten de schooluren ten behoeve van de leerlingen, die er ter school gaan, beschikbaar worden gesteld.

24. De hoofd- en hulponderwijzers bekleeden geene ambten of bedieningen dan met goedkeuring van gedeputeerde staten, die vooraf burgemeester en wethouders, en in gemeenten van 3000 zielen en daarboven de plaatselijke schoolcommissie, in de overige gemeenten den districts-schoolopziener hooren.

Zij drijven geen handel, doen geen nering noch oefenen eenig beroep uit; dit verbod is mede toepasselijk op de leden van het gezin der hoofd- en hulponderwijzers, voor zooverre het verbodene ten huize van dezen zou geschieden.

25. Aan hoofd- en hulponderwijzers wordt in de volgende gevallen en onder de daarbij gestelde voorwaarden pensioen ten laste van den staat verleend.

26. Regt op pensioen wordt, na bekomen eervol ontslag, verkregen op bereikten vijf-en-zestigjarigen leeftijd en veertigjarigen diensttijd.

Insgelijks kan pensioen worden verleend aan hen, die, na tienjarigen diensttijd, uit hoofde van ziels- of ligchaamsgebreken voor de waarneming hunner betrekking ongeschikt zijn en op dien grond eervol ontslag hebben bekomen. Die ongeschiktheid wordt aangenomen op de verklaring van den districts-schoolopziener en van gedeputeerde staten.

Bij de berekening van het pensioen komen alleen in aanmerking diensten, onder deze wet als hoofd- of hulponderwijzer, en, vóór dien tijd, als onderwijzer aan eeue openbare school, ten behoeve van het lager onderwijs bewezen.

Voor hem, die niet eervol wordt ontslagen, gaat aanspraak op persioen verloren.

27.. Het pensioen beloopt voor elk jaar dienst een zestigste deel van de jaarwedde, die over de laatste twaalf maanden, het eervol ontslag voorafgegaan, heeft gediend tot grondslag van de betaling der bijdrage, bij art. 28 bepaald, doch mag nimmer het twee derde gedeelte dier jaarwedde te boven gaan.

28. Als bijdrage voor pensioen wordt door de hoofd- en hulponderwijzers, te rekenen van het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, jaarlijks betaald twee ten honderd van de jaarwedde, aan hunne betrekking verbonden. Die bijdrage komt ten voordeele van den staat en wordt door de zorg der gemeentebesturen geïnd en aan 's rijks schatkist verantwoord.

29. Door de gemeenten, uit welke, krachtens deze wet, hoofd- of hulponderwijzers worden gepensioneerd, wordt aan den staat een derde gedeelte van het bedrag van het pensioen vergoed.

30. De bepalingen van de artt. 22, 23, 24, 26, 27, 28, 29., 30, 31, 32, 37, 40 en 41 der wet van den 9den Mei 1846, zoo als die bij de wet van den 3den Mei 1851 zijn gewijzigd, zijn op de pensioenen der hoofd- en hulponderwijzers toepasselijk. Nader aangevuld: Bij wet van 21 Mei 1873 § JJ, art. 2.

§ 3. Van de kosten van het onderwijs.

Art. 31. Elke gemeente voorziet in de kosten van haar lager onderwijs, voor zooverre die niet komen ten laste van anderen, of op andere wijze worden gevonden.

32. Die kosten zijn:

a. de jaarwedde der hoofd- en hulponderwijzers;

b. de toelagen ten behoeve der kweekelingen;

c. de kosten van het oprigten en in stand houden of het huren der schoolgebouwen;

d. die van het aanschaffen en onderhouden der schoolmeubelen en der schoolboeken en schoolbehoeften der leerlingen;

e. die van licht en brand, benoodigd voor de schoollocalen;

ƒ. die van het oprigten en in stand houden of het huren der onderwijzerswoningen;

g. de vergoeding aan de hoofdonderwijzers voor het gemis van vrije woning;

h. de bijdrage der gemeente tot het pensioen der onderwijzers;

i. de kosten der plaatselijke schoolcommissie.

33. Ter tegemoetkoming in deze kosten kan eene bijdrage voor ieder schoolgaand kind worden geheven.

Bedeelden en zij, die, schoon niet bedeeld, onvermogend zijn schoolgeld te betalen, worden niet aan de heffing onderworpen.

Het gemeentebestuur bevordert zooveel mogelijk het schoolgaan der kinderen van bedeelden en onvermogenden.

34. Het invoeren, wijzigen of afschaffen van schoolgeld geschiedt met inachtneming van de artt. 232-236 der wet van den 29sten Junij 1851.

De invordering wordt geregeld door eene plaatselijke verordening, overeenkomstig de bepalingen van de artt. 258-262 dier wet.

35. Voor de kinderen van dezelfde klasse eener school is het schoolgeld gelijk.

Voor twee of meer kinderen uit één gezin, gelijktijdig ter school gaande, kan het bedrag lager worden gesteld.

36. Indien Wij, na onderzoek door gedeputeerde staten en de provinciale staten gehoord, oordeelen, dat eene gemeente door de uitgaven, tot eene behoorlijke inrigting van haar lager onderwijs vereischt, te zwaar zou worden gedrukt, wordt hetgeen ten laste der gemeente zal blijven door Ons bepaald en in het overige door de provincie en het rijk, elk voor de helft, voorzien.

TITEL III.

VAN HET BIJZONDER ONDERWIJS.

Art. 37. Tot het geven van bijzonder schoolonderwijs of van huisonderwijs wordt vereischt het bezit:

a. eener acte van bekwaamheid;

b. van gelijk getuigschrift als in art. 21, lit. i, is vermeld;

c. van een bewijs, dat beide deze stukken door burgemeester en wethouders der gemeente, waar het onderwijs zal gegeven worden, zijn gezien en in orde bevonden.

38. Omtrent de afgifte van het bewijs, vermeld bij lit. c van art. 37. wordt, uiterlijk binnen vier weken, te rekenen van den dag waarop de aanvrage daartoe geschied is, door burgemeester en wethouders beslist.

Van die beslissing, of wanneer binnen dien termijn de beslissing aan de belanghebbenden niet is kenbaar gemaakt, wordt beroep toegelaten op gedeputeerde staten.

Na afwijzing door gedeputeerde staten, of indien binnen dien tijd van zes weken hunne beschikking aan de belanghebbenden niet is kenbaar gemaakt, kan bij Ons in beroep worden gekomen.

39. De onderwijzers, die bij het geven van bijzonder schoolonderwijs of van huisonderwijs, leeringen verspreiden, strijdig met de goede zeden of aansporende tot ongehoorzaamheid aan de wetten des lands, kunnen, op voordragt van burgemeester en wethouders, van de plaatselijke schoolcommissie of van den districts-schoolopziener, door gedeputeerde staten worden verklaard hunne bevoegdheid tot het geven van onderwijs verloren te hebben.

Deze bepaling is ook van toepassing op de onderwijzers, die zich aan een ergerlijk levensgedrag schuldig maken.

TITEL IV.

VAN DE ACTEN VAN BEKWAAMHEID

TOT HET GEVEN VAN ONDERWIJS.

Art. 40. De acten van bekwaamheid tot het geven van school- en van huisonderwijs worden verkregen door het afleggen van examens.

41. Hiertoe wordt twee malen 's jaars in elke provincie de gelegenheid aangeboden door eene commissie, zamengesteld uit den inspecteur en vier schoolopzieners.

Die commissie houdt hare zitting in de hoofdplaats der provincie. Zij is bevoegd zich door deskundigen te doen bijstaan.

De aanwijzing der schoolopzieners en de bepaling van den tijd, waarop de commissiën vergaderen, geschiedt door Onzen minister van binnenlandsche zaken.

De examens worden in het openbaar gehouden, met uitzondering van die der onderwijzeressen.

42. De tijd, gedurende welken de examens worden gehouden, wordt bij openbare aankondiging ter algemeene kennis gebragt.

Die een examen wenscht af te leggen, meldt zich tijdig aan bij den schoolopziener van het district, waarin hij woont, of, van buiten 's lands komende, voornemens is zich te vestigen, met opgave van de acte, die hij verlangt.

Hij legt daarbij over een of meer getuigschriften van zijn goed zedelijk gedrag en zijne geboorte-acte.

De dag en plaats van het examen worden hem door den schoolopziener bekend gemaakt.

Hij legt het examen af in de provincie, waar hij woont, of, van buiten 's lands komende, voornemens is zich te vestigen.

43. Om tot het examen te worden toegelaten, moet de gevorderde ouderdom zijn bereikt.

Deze is bepaald voor de huisonderwijzers, huisonderwijzeressen, hulponderwijzers en hulponderwijzeressen op 18 jaren, voor de hoofdonderwijzers en hoofdonderwijzeressen op 23 jaren.

44. Voor het examen ter verkrijging eener acte van bekwaamheid als hulponderwijzeres en als hulponderwijzer wordt gevorderd:

goed lezen en schrijven;

voldoende kennis der zinsontleding, der spelregels en eerste gronden der Nederlandsche taal;

vaardigheid om zich, zoowel mondeling als schriftelijk, juist en gemakkelijk uit te drukken;

beginselen van de vormleer;

rekenen, zoowel met geheele getallen als gewone en tiendeelige breuken, toegepast op munten, maten en gewigten;

als hulponderwijzer daarenboven de leer der evenredigheden;

aardrijkskunde en geschiedenis;

beginselen van de kennis der natuur;

theorie van het zingen;

beginselen van onderwijs en opvoeding.

45. Voor het examen ter verkrijging eener acte van bekwaamheid als hoofdonderwijzeres wordt gelijke kennis als van den hulponderwijzer gevorderd, maar grondiger en met toepassing op hare bestemming als hoofdonderwijzeres.

46. Voor het examen ter verkrijging eener acte van bekwaamheid als hoofdonderwijzer wordt gelijke kennis als van den hulponderwijzer gevorderd, doch grondiger, meer omvattend en ontwikkeld.

47. Zij, die eene der acten verlangen of reeds verkregen hebben, in de drie voorgaande artikelen genoemd, worden, op hun verzoek, daarenboven onderworpen aan een examen in een of meer der vakken, vermeld onder k-p van art. 1.

48. Het examen ter verkrijging eener acte van bekwaamheid als huisonderwijzer of huisonderwijzeres loopt over een of meer der vakken, vermeld in art. 1.

Daarbij wordt althans gelijke kennis als van den hulponderwijzer gevorderd.

49. Wanneer het examen naar genoegen der commissie is afgelegd , wordt door haar aan den geëxamineerde de verlangde acte uitgereikt.

Op de acte van bekwaamheid tot het geven van schoolonderwijs: worden tevens het vak of de vakken van het meer uitgebreid lager onderwijs aangeteekend, waarin niet gunstig gevolg examen is afgelegd.

Insgelijks worden op de acten van bekwaamheid tot het geven van huisonderwijs de verdere vakken van het lager onderwijs aangeteekend, waarin met gunstig gevolg examen is afgelegd.

50. De acte van bekwaamheid wordt uitgereikt tegen betaling van tien gulden voor die van hoofdonderwijzer en die van hoofd-onderwijzeres;

vijf gulden voor die van hulponderwijzer en die van hulponderwijzeres;

vijf gulden voor die van huisonderwijzer en die van huisonderwijzeres in meer dan één vak;

drie gulden voor die van huisonderwijzer en die van huisonderwijzeres in één vak.

Voor de eerste aanteekening op de acte voor liet schoolonderwijs wordt betaald drie gulden en op die voor het huisonderwijs in één vak twee gulden. De eerste aanteekening op de acte voor het huisonderwijs in meer dan één vak en alle verdere aanteekeningen in het algemeen geschieden kosteloos.

Deze gelden strekken ter voldoening der kosten van de vergaderingen der commissiën, daaronder begrepen de schadeloosstelling der deskundigen. Het overschietende wordt in 's rijks schatkist gestort.

51. De acten van bekwaamheid gelden voor het geheele rijk. Die voor het schoolonderwijs ook voor het huisonderwijs. Die voor het huisonderwijs geven tevens de bevoegdheid om in eene school onderrigt te geven in een of meer der vakken, vermeld onder b, c en i-f van art. 1.

De acten van bekwaamheid als hoofdonderwijzer en als hoofdonderwijzeres geven ook het regt om als hulponderwijzer en als hulponderwijzeres werkzaam te zijn.

Behalve in de gevallen, voorzien bij art. 20, kan de acte van hulponderwijzer, onder de voorwaarden, door Ons te bepalen, regt geven om aan het hoofd eener openbare school te staan.

TITEL V.

VAN HET TOEZIGT OP HET ONDERWIJS.

Art. 52. Met het toezigt op het onderwijs zijn, onder het oppertoezigt van Onzen minister van binnenlandsche zaken, belast:

a. plaatselijke schoolcommissiën.

b. districts-school opzieners

c. provinciale inspecteurs.

53. In elke gemeente is eene plaatselijke schoolcommissie.

In gemeenten, die zich ingevolge het 3de lid van art. 16 vereenigd hebben tot het oprigten en in stand houden van gemeenschappelijke scholen, is eene gemeenschappelijke commissie.

54. In gemeenten beneden de 3000 zielen zijn de werkzaamheden der plaatselijke schoolcommissie opgedragen aan burgemeester en wethouders.

In de overige gemeenten worden die commissiën door den gemeenteraad benoemd.

Het lidmaatschap dezer commissiën is vereenigbaar met dat van dien raad.

55. Elke provincie wordt door Ons in schooldistricten verdeeld.

Elk district staat onder het toezigt van een schoolopziener.

Ingeval van overlijden, ziekte of afwezigheid van den schoolopziener, kan in de waarneming zijner betrekking door Onzen minister van binnenlandsche zaken worden voorzien.

56. De schoolopzieners worden door Ons benoemd voor den tijd van zes jaren.

De aftredenden zijn weder benoembaar. Zij kunnen ten allen tijde door Ons worden ontslagen.

57. De schoolopzieners genieten uit 's rijks kas eene som bij abonnement, als vergoeding voor hunne reis- en verblijfkosten.

58. In elke provincie is een inspecteur.

De inspecteurs worden door Ons benoemd. Zij kunnen ten allen tijde door Ons worden ontslagen.

Zij genieten uit 's rijks kas eene jaarwedde en vergoeding voor reis- en verblijfkosten.

59. De inspecteurs worden eenmaal 's jaars door Onzen minister van binnenlandsche zaken bijeengeroepen, ten einde onder zijne leiding de algemeene belangen van het lager onderwijs te overwegen en te bevorderen.

60. De inspecteurs bekleeden geene ambten of bedieningen zonder Onze toestemming.

61. De leden der plaatselijke schoolcommissiën, de schoolopzieners en de inspecteurs leggen, bij de aanvaarding hunner betrekking, den eed of de belofte af, dat zij haar naar behooren en getrouw zullen waarnemen.

De eedsaflegging of belofte geschiedt door de leden der plaatselijke schoolcommissiën in gemeenten van 3000 zielen en daarboven in handen van den burgemeester, in de overige gemeenten in handen van den regter van het kanton waarin zij wonen, door de schoolopzieners in handen van Onzen commissaris in de provincie, door de inspecteurs in handen van Onzen minister van binnenlandsche zaken.

62. De leden der plaatselijke schoolcommissiën, de schoolopzieners en de inspecteurs zijn bevoegd van de overtredingen dezer wet en der verdere verordeningen op het lager onderwijs proces-verbaal op te maken.

63. Alle scholen, waar lager onderwijs wordt gegeven, zoo openbare als bijzondere, zijn steeds toegankelijk voor de leden der plaatselijke schoolcommissie van de gemeente, voor den schoolopziener van het district en voor den inspecteur der provincie.

De onderwijzers zijn gehouden hun de verlangde inlichtingen te geven omtrent de school en het onderwijs.

Weigering in dezen wordt gestraft met eene boete van vijf en twintig gulden of gevangenisstraf van drie dagen, en bij herhaling telkens met beide straffen te zamen.

Art. 463 van het Wetboek van Strafregt en art. 20 der wet van den 29sten Junij 1854 zijn ten deze toepasselijk.

64. De plaatselijke schoolcommissiën houden een naauwkeurig toezigt op alle scholen in de gemeente, waar lager onderwijs gegeven wordt; bezoeken die ten minste twee malen 's jaars, hetzij gezamenlijk, hetzij door commissiën uit haar midden; zorgen, dat de verordeningen op het lager onderwijs stipt nagekomen worden; houden aanteekening van het onderwijzend personeel, van het getal leerlingen en van den staat van het onderwijs; doen jaarlijks vóór den 1sten Maart aan den gemeenteraad een beredeneerd verslag van den toestand van het onderwijs in de gemeente, en zenden daarvan afschrift aan den districts-schoolopziener; deelen dezen de belangrijke veranderingen mede, die het schoolwezen heeft ondergaan; geven hem en den provincialen inspecteur alle inlichtingen, die zij verlangen; verleenen den onderwijzers, die hare voorlichting, hulp of medewerking vragen, bijstand, en beijveren zich den bloei van het onderwijs naar vermogen te behartigen.

65. De schoolopzieners zorgen voortdurend bekend te blijven met den toestand van het schoolwezen in hun district; bezoeken ten minste twee malen 's jaars alle scholen in hetzelve, waar lager onderwijs wordt gegeven en houden van dat schoolbezoek naauwkeurig aanteekening; zorgen, dat de verordeningen op het lager onderwijs stipt nagekomen worden; treden in overleg met de plaatselijke schoolcommissiën en de gemeentebesturen; doen zoowel aan deze, als aan den provincialen inspecteur, de voorstellen, die zij in het belang van het onderwijs achten; geven dien inspecteur kennis van al hetgeen hun bij het schoolbezoek belangrijk is voorgekomen en verstrekken hem alle inlichtingen, die hij verlangt; doen jaarlijks voor den 1sten Mei een beredeneerd verslag van den toestand van het onderwijs in hun district aan den inspecteur en zenden daarvan afschrift aan gedeputeerde staten der provincie; behartigen de belangen der onderwijzers, bevorderen hunne bijeenkomsten en wonen die, zooveel mogelijk, bij.

66. De schoolopzieners hebben toegang tot de vergaderingen van alle plaatselijke schoolcommissiën in hun district en brengen daarin eene raadgevende stem uit.

67. De inspecteurs trachten, zoo door schoolbezoek als door mondeling en schriftelijk overleg met de districts-schoolopzieners, plaatselijke sehoolcommissiën en gemeentebesturen, de verbetering en den bloei van het schoolwezen te bevorderen; zij lichten Onzen minister van binnenlandsche zaken voor omtrent alle onderwerpen waarover hun oordeel wordt gevraagd; zij vervaardigen uit de jaarlijksche verslagen der schoolopzieners en uit hunne eigene aanteekeningen jaarlijks een beredeneerd verslag omtrent den toestand van het onderwijs in de provincie, en zenden dit vóór den 1sten Julij aan Onzen minister voornoemd.

TITEL VI.

OVERGANGSBEPALINGEN.

Art. 68. De onderwijzers en onderwijzeressen, zoo openbare als bijzondere, de huisonderwijzers en huisonderwijzeressen, die op het tijdstip van het in werking treden dezer wet wettig in die betrekkingen zijn, behoeven, om daarin voort te gaan, geene herbenoeming of erkenning.

Na dat tijdstip worden de vóór hetzelve verkregen acten van algemeene toelating van den 1sten en 2den rang beschouwd gelijke regten te geven als de acten van bekwaamheid als hoofdonderwijzer; die van den 3den rang gelijke regten als de acten van bekwaamheid als hulponderwijzer, die van schoolhouderes gelijke regten als de acten van bekwaamheid als hoofdonderwijzeres, doch alleen binnen de provincie of de gemeente, waarin de acten zijn afgegeven.

De huisonderwijzers en huisonderwijzeressen, die, na dat tijdstip, zich als zoodanig in eene andere gemeente wenschen te vestigen, zijn verpligt zich vooraf aan het examen, vermeld in art. 48, te onderwerpen.

De hoofdonderwijzers der bij het in werking treden dezer wet bestaande bijzondere scholen van de tweede klasse, welke minstens den tweeden rang bezitten, kunnen, indien die scholen door de gemeentebesturen, in overleg met den districts-schoolopziener, als openbare lagere scholen worden overgenomen, bij die inrigtingen als hoofdonderwijzers worden aangesteld.

De bepalingen van art. 22 omtrent de voordragt en het vergelijkend examen zijn daarop niet van toepassing.

69. De jaarwedden van alle tijdens het in werking treden dezer wet dienstdoende openbare hoofdonderwijzers en hoofdonderwijzeressen worden, zoolang zij hunne betrekking bekleeden, in geen geval tot een minder bedrag geregeld dan hetgeen zij in de laatste vijf jaren, aan gemeld tijdstip voorafgegaan, of voor hen, die korter in dienst zijn geweest, over het kortere tijdvak, in hunne betrekking, gemiddeld, jaarlijks, aan inkomsten hebben genoten.

70. Tot het in werking brengen der voorschriften betrekkelijk:het bepalen van het getal der scholen in evenredigheid met de bevolking en de behoefte, en de uitbreiding van het onderwijs;

den bijstand in het onderwijs, aan don hoofdonderwijzer te verleenen ;

de jaarwedden en andere voordeelen der hoofd- en hulponderwijzers en de toelagen ten behoeve der kweekelingen;

de kosten van het onderwijs;

wordt een termijn toegestaan van uiterlijk drie jaren, te rekenen van het tijdstip, waarop deze wet verbindende is.

Gedurende dien termijn worden aan de openbare hoofdonderwijzers en hoofdonderwijzeressen en aan de gemeenten de jaarwedden en toelagen der provinciën en van het rijk uitbetaald, in welker genot zij zijn tijdens het in werking treden dezer wet.

71. Aan bijzondere scholen, welke tijdens het inwerking treden dezer wet in het genot zijn van subsidie van wege de gemeente of de provincie, en niet beantwoorden aan de voorwaarden van het 4de lid van art. 3, kan het subsidie niet langer dan nog gedurende een jaar na eerstgenoemd tijdstip worden verleend.

72. In afwachting der wettelijke regeling van het middelbaar onderwijs zijn de voorschriften dezer wet mede van toepassing op alles wat betreft het verder voortgezet onderwijs in de levende talen en in de wis- en natuurkunde.

Om tot het examen ter verkrijging eener acte van bekwaamheid voor een of meer dier vakken te worden toegelaten, wordt de ouderdom van ten minste 18 jaren gevorderd. Voor de acte wordt eenmaal vijf gulden betaald.

73. Deze wet treedt in werking den 1sten Januarij 1858.

Behoudens het bepaalde bij art. 70 zijn alsdan de bestaande algemeene, provinciale en plaatselijke verordeningen op het lager onderwijs afgeschaft, de provinciale commissiën van onderwijs, plaatselijke schoolcommissiën en commissiën van plaatselijke schooltoevoorzigt ontbonden, de districts-sclioolopzieners ontslagen en door het school-toezigt, ingevolge deze wet, vervangen.

Bronnen: J.C. Meijer (ed.) Nederlandsche Staatswetten (Sneek 1876)

Terugkeren naar Overzicht pagina costuymen etc.

Terugkeren naar Inhoudsopgave

Laatst bijgewerkt op 17 juli 2009