WET TOT REGELING VAN HET ONDERWIJS BIJ DE

KONINKLIJKE MILITAIRE AKADEMIE.

(Vastgesteld den 17den Julij 1869

en uitgegeven den 26sten Julij 1869, Staatsblad no. 141).

 

Art. 1. De koninklijke militaire akademie is bestemd:

1°. tot het opleiden van jongelieden tot officieren voor alle wapens bij het leger, hetzij hier te lande, hetzij in de koloniën en bezittingen van het rijk in andere werelddeelen;

2°. als applicatie-school tot het voortzetten der studiën voor de 2de luitenants der artillerie en genie, alvorens deze bij hun wapen de dienst aanvaarden.

2. Aan de akademie wordt onderwijs gegeven in:

a. de wiskunde;

b. de werktuigkunde;

c. de natuurkunde;

d. de scheikunde;

e. de geodosie;

f. de krijgsgeschiedenis;

g. de militaire aardrijkskunde en statistiek;

h de land- en volkenkunde van Nederlandseh Indië;

i. de Maleische taalkunde;

k. het regtlijnig- en situatie-teekenen;

l de dienst- en exercitie-reglementen;

m. de militaire administratie;

n. de militaire hygiëne;

o. de velddienst, taktiek en strategie;

p. de artillerie-wetenschap;

q. de versterkingskunst;

r. de burgerlijke en militaire bouwkunde;

s. de waterbouwkunde;

t. de kennis van de militaire wetboeken en van het reglement van krijgstucht;

u. de paardenkennis en de rij- en afrigtingskunst;

v. het exerceren, het paardrijden, het schermen en de gymnastiek.

Het getal der in dit artikel aangewezen vakken kan door Ons worden uitgebreid.

Voorts wordt aan de kadetten gelegenheid gegeven om, overeen komstig het verlangen en de keuze der ouders of voogden, onderwijs in de godsdienst te ontvangen.

3. De cursus duurt twee jaren.

Geen kadet zal langer dan twee jaren in hetzelfde studiejaar mogen verblijven.

4. Jaarlijks wordt door Onzen minister van oorlog, in overleg met Onzen minister van koloniën, bet aantal kadetten bepaald, dat aan de akademie kan worden geplaatst. Hiervan wordt aankondiging gedaan in de Nederlandsche Staatscourant.

5. Ieder Nederlander, die op het tijdstip van den aanvang van den cursus den vollen ouderdom van zeventien jaren beeft bereikt en niet ouder is dan twintig jaren, wordt, zoo hij daartoe op den door Ons te bepalen tijd en wijze het verzoek heeft gedaan en door eene geneeskundige commissie, te benoemen door Onzen minister van oorlog, voor de militaire dienst geschikt is bevonden, tot het examen toegelaten om als kadet aan de akademie te worden geplaatst.

6. Het examen, in het vorig artikel bedoeld, wordt, voor zoover liet mondeling is, in het openbaar afgenomen door eene commissie, uit militaire officieren en burgerlijke personen bestaande, jaarlijks door Onzen minister van oorlog te benoemen.

Het is gelijk aan het eindexamen der hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus, omschreven bij alinea 3 van art. 57 der wet van 2 Mei 1863, en betreft voorts het exerceren uit de recrutenschool van het reglement op de exercitiën der infanterie.

Hebben meer adspiranten aan het examen voldaan, dan geplaatst kunnen worden, alsdan geschiedt de plaatsing in de rangorde, die de adspiranten, volgens hunne betoonde kunde, hebben verkregen, voor zooveel er plaatsen zijn opengesteld.

Bedrevenheid in gymnastiek en schermen strekt tot aanbeveling en doet, bij overigens gelijke kunde, voorgaan.

7. Hij, die tot kadet wordt toegelaten, is verbonden om den staat als militair gedurende den tijd van vijf jaren te dienen.

Door Ons kan in bijzondere omstandigheden ontheffing van de verdere vervulling dier verbindtenis worden verleend.

8. Om van het eerste in het tweede studiejaar te kunnen overgaan, moet een voldoend examen worden afgelegd in die vakken, welke in het eerste studiejaar zijn behandeld.

Na het einde van elken tweejarigen cursus, wordt door de kadetten, die dien cursus hebben bijgewoond, voor eene door Ons te benoemen commissie, in het openbaar een examen afgelegd, ten einde hunne geschiktheid voor den officiersrang te kunnen bewijzen.

Dat examen betreft de vakken, opgenoemd in art. 2, voor zoover als daarin aan elke kategorie van kadetten onderwijs is gegeven. De commissie brengt aan Onzen minister van oorlog een verslag uit, hetwelk in de Staatscourant wordt medegedeeld.

9. Hij, die aan het eindexamen heeft voldaan, wordt, behoudens de voorwaarden van goed gedrag en ligchamelijke geschiktheid, bij het wapen, waarvoor hij is opgeleid, door Onzen minister van oorlog aan Ons ter benoeming tot officier voorgedragen, al mogt er op dat oogenblik geen vacature in den rang van 2den luitenant bij dat wapen bestaan.

10. De ingevolge het vorig artikel benoemde 2de luitenants van het wapen der artillerie en die van het wapen der genie blijven, alvorens de dienst bij die wapens te aanvaarden, gedurende een jaar bij de applicatie-school de toegepaste studiën voor het wapen, waartoe zij behooren, voortzetten.

Na het einde van dat jaar leggen zij in de vakken, waarin hun gedurende dat tijdvak onderwijs is gegeven, een examen af ten overstaan van eene door Ons te benoemen commissie, tot het geven der vereischte bewijzen van bekwaamheid.

Dat examen beslist omtrent hunne definitieve rangschikking, wordende met wijziging, voor zooveel deze officieren betreft, van de eerste alinea van art. 7 der wet van 28 Augustus 1851, tot regeling van de bevordering, het ontslag en het op pensioen stellen der militaire officieren bij de landmagt, de ouderdom in rang voor de bevordering en de rangschikking door Ons op nieuw bepaald, naar mate der kunde, bij het in dit artikel gemeld examen aan den dag gelegd.

Zij, die aan het examen niet voldoen, blijven nog één jaar aan de applicatie-school hunne studiën voortzetten.

Het bepaalde bij de tweede en derde alinea van dit artikel, omtrent het examen en de rangschikking, is ook op hen van toepassing.

11. Het onderwijs aan de akademie wordt gegeven door:

a., officieren, door Onzen minister van oorlog daartoe aan te wijzen ;

b. burger-leeraren.

12. De burger-leeraren worden door Ons benoemd, geschorst en ontslagen.

Aan hen wordt, ten laste van den staat, pensioen verleend in de gevallen, naar de regelen en onder de voorwaarden voor burgerlijke ambtenaren bij de wet vastgesteld, of nader vast te stellen.

Zij behooren tot de deelhebbenden in het, voor die ambtenaren, bij de eerste afdeeling der wet van 9 Mei 1846 ingestelde pensioenfonds.

De diensttijd, krachtens eene vaste aanstelling in eenigerlei rijksbetrekking, alsmede die bij eene openbare inrigting van onderwijs, krachtens eene vaste aanstelling van een gemeentebestuur doorgebragt, is daarbij voor hen geldig.

13. Tot tegemoetkoming in de kosten der akademie, wordt voor iederen kadet eene jaarlijksche bijdrage van zes honderd gulden voldaan.

Door Ons worden de regelen vastgesteld, waarnaar geheele of gedeeltelijke vrijstelling van die bijdrage kan worden verleend.

14. Het bestuur der Akademie is opgedragen aan een door Ons aan te wijzen hoofd- of opperofficier, als gouverneur, aan wien een officier als directeur der studiën kan worden toegevoegd.

Uit de officieren en burger-leeraren der academie wordt door Onzen minister van oorlog een raad van toezigt benoemd, aan welken de behartiging van de belangen der inrigting is opgedragen.

De werkkring en de bevoegdheid van den gouverneur, van den directeur der studiën en van den raad van toezigt, zoomede de inwendige regeling der akademie, worden door Ons binnen drie jaren na het in werking treden dezer wet bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur bepaald.

15. In tijden van oorlog of gevaar kan de akademie door Ons geschorst en over het aan die akademie verbonden militair personeel, zoomede over de kadettcn, in het belang van 's lands dienst, beschikt worden.

16. De akademie staat onder het oppertoezigt van Onzen minister van oorlog.

Telkens, wanneer dit door Ons noodig wordt geacht en minstens éénmaal 's jaars, wordt de inrigting en de gang van hot onderwijs aldaar gegeven, door eene commissie, door Ons te benoemen, in alle bijzonderheden geïnspecteerd. Van die inspectie brengt de commissie een verslag vut aan Onzen voormelden minister.

17. Het jaarlijksch toelatings-examen, bedoeld in de artt. 5 en 6 dezer wet, zal voor de eerste maal in 1872 worden gehouden.

18. De burger-leeraren, thans aan de akademie aanwezig, die ten gevolge van de invoering dezer wet buiten betrekking geraken, zullen een wachtgeld genieten, gelijkstaande met twee derden van het thans door hen genoten tractement.

19. Deze wet treedt den 1sten Januarij 1872 in werking.

Bronnen: J.C. Meijer (ed.) Nederlandsche Staatswetten (Sneek 1876)

Terugkeren naar Overzicht pagina costuymen etc.

Terugkeren naar Inhoudsopgave

Laatst bijgewerkt op 17 juli 2009