WET, HOUDENDE REGELING VAN HET

MIDDELBAAR ONDERWIJS.

(Vastgesteld den 2den Mei 1863,

en uitgegeven den 19den Mei 1863, Staatsbl, no. 50).

TITEL I.

ALGEMEENE BEPALINGEN.

 

Art. 1. Tot het middelbaar onderwijs worden gerekend te behooren alle vakken, welke volgens deze wet onderwezen worden aan de scholen, waarover zij zich uitstrekt.

2. De scholen van middelbaar onderwijs worden onderscheiden in openbare en bijzondere.

Openbare scholen zijn die, opgerigt en onderhouden door gemeenten, provinciën en het rijk, afzonderlijk of gezamenlijk; de overige zijn bijzondere.

Aan bijzondere inrigtingen kan van wege de gemeente, de provincie of het rijk subsidie worden verleend, onder zoodanige voorwaarden als door het gemeentebestuur, het provinciaal bestuur of Ons noodig zal geacht worden.

Bijzondere inrigtingen, aldus gesubsidieerd, zijn, gelijk de openbare scholen, voor alle leerlingen, zonder onderscheid van godsdienstige gezindheid, toegankelijk.

Op de onderwijzers van scholen, van overheidswege opgerigt of gesubsidieerd, is van toepassing het tweede lid aan art. 23 der wet van den 13den Augustus 1857 Stsbl. no. 103.

Op de localen van alle scholen is van toepassing art. 4 van genoemde wet. De taak, in dat artikel aan den schoolopziener opgedragen, is hier die van den inspecteur.

3. Middelbaar onderwijs, gegeven aan jongelieden van niet meer dan drie gezinnen gezamenlijk, wordt als huisonderwijs beschouwd.

4. Niemand mag middelbaar onderwijs geven, die niet in het bezit is der bij deze wet gevorderde bewijzen van bekwaamheid en zedelijkheid.

Vreemdelingen behoeven bovendien Onze vergunning .

5. De bepalingen van het voorgaande artikel zijn niet toepasselijk:

a. op hen, die aan de kinderen van slechts één gezin middelbaar onderwijs geven,

b. op hen, die, van het geven van middelbaar onderwijs geen beroep makende en zich zonder geldelijke belooning daartoe bereid verklarende, van Ons vergunning hebben verkregen tot het geven van zoodanig onderwijs.

6. Ieder, die middelbaar onderwijs geeft, zonder daartoe bevoegd te zijn, wordt voor de eerste maal gestraft met eene boete van vijf en twintig tot vijftig gulden; voor de tweede maal met eene boete van vijftig tot honderd gulden en gevangenisstraf van acht tot veertien dagen, te zamen of afzonderlijk, en vervolgens telkens met gevangenisstraf van ééne maand tot één jaar.

Wanneer men buiten de grenzen zijner bevoegdheid middelbaar onderwijs geeft, is de helft dezer straffen toepasselijk. Hiervan zijn uitgezonderd de onderwijzers en onderwijzeressen aan inrigtingen van middelbaar onderwijs, die bij het bestaan eener vacature of bij ontstentenis van een ambtgenoot eenige lessen tijdelijk waarnemen, mits die waarneming niet langer dan zes maanden dure.

Art. 463 van het Wetboek van Strafregt en art. 20 der wet van den 29sten Julij 1854 zijn ten deze toepasselijk.

7. Bij elke veroordeeling tot boete wordt tevens door den regter bepaald, dat, indien de veroordeelde, twee maanden na daartoe te zijn aangemaand, in gebreke blijft de boete of geregtskosten te voldoen, de opgelegde straf zal worden vervangen door gevangenisstraf van ten hoogste veertien dagen, indien meer dan vijftig gulden, en ten hoogste zeven dagen, indien niet meer dan vijftig gulden aan boete is opgelegd.

8. De bevoegdheid tot het geven van middelbaar onderwijs vervalt voor hem, die bij een eindvonnis is veroordeeld:

a. wegens misdaad;

b. wegens diefstal, opligting, meineed, misbruik van vertrouwen of aantasting der zeden.

Bij ergerlijk levensgedrag of wanneer hij, bij het geven van onderwijs, leeringen verspreidt strijdig met de goede zeden of aansporende tot ongehoorzaamheid aan de wetten des lands, kan de onderwijzer door Ons worden verklaard zijne bevoegdheid tot het geven van onderwijs verloren, te hebben.

9. Hij, die de bevoegdheid tot het geven van middelbaar onderwijs verloren heeft, kan haar niet terugkrijgen.

In het geval, omschreven in het laatste lid van het voorgaande artikel, kan zij door Ons worden teruggegeven.

10. Van elk besluit, krachtens deze wet door gedeputeerde staten genomen, kan bij Ons in beroep worden gekomen.

11. Deze wet is niet toepasselijk op inrigtingen van onderwijs der zee- en landmagt, noch op de onderwijzers, bij die inrigtingen aangesteld.

Zij is, voor zooveel de bevoegdheid tot het geven van onderwijs aangaat, evenmin toepasselijk op de scholen voor doofstommen of blinden, welke nogtans onderworpen zijn aan het toezigt, vermeld in art. 46.

Bij geschil, of eene school, hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk, tot de inrigtingen van het lager, het middelbaar of het hooger onderwijs hehoore, wordt daarover door Ons beslist.

TITEL II.

VAN HET OPENBAAR.MIDDELBAAR ONDERWIJS.

Art. 12. Openbaar middelbaar onderwijs wordt gegeven in:

a. burgerscholen;

b. hoogere burgerscholen;

c. landbouwscholen;

d. de polytechnische school).

EERSTE HOOFDSTUK.

VAN DE BURGERSCHOLEN, HOOGERE BURGERSCHOLEN

EN LANDBOUWSCHOLEN.

§ 1. Van de scholen.

Art. 13. De burgerscholen, voornamelijk bestemd voor aanstaande ambachtslieden en landbouwers, zijn dag- en avondscholen.

De burgerschool is van een tweejarigen cursus.

Aan de burgerdagschool wordt onderwijs gegeven in:

a. de wiskunde;

b. de eerste beginselen der theoretische en toegepaste mechanica en der kennis van werktuigen;

c. die der natuur- en scheikunde;

d. die der natuurlijke historie;

e. die der technologie of der landbouwkunde;

g. de beginselen der aardrijkskunde;

f. die der geschiedenis;

h. die der nederlandsche taal;

i. de eerste gronden der staathuishoudkunde;

k. het hand- en regtlijnig teekenen.

l. de gymnastiek..

De gemeenteraad bepaalt, of de beginselen der technologie, dan wel die der landbouwkunde onderwezen zullen worden; hij kan ook bepalen, dat in beide vakken onderwijs gegeven zal worden. Hij kan ook bij de opgenoemde vakken van onderwijs dat in het boetseren en in eene of andere vreemde taal voegen.

De raad bepaalt mede, welke van de in dit artikel genoemde vakken aan de avondschool onderwezen zullen worden.

14. In elke gemeente, waar de bevolking tien duizend zielen te boven gaat, wordt door het gemeentebestuur ten minste ééne burgerschool, dag- en avondschool opgerigt. Zij kan aan eene openbare lagere school verbonden worden.

Mogt de bevolking eener gemeente van boven tien duizend zielen zóó ver uiteenwonen, dat op bezoek eener burgerschool weinig te rekenen ware, of in de behoefte op andere wijze voorzien zijn, dan kan zoodanige gemeente door Ons van het voorschrift der eerste zinsnede van dit artikel vrijgesteld worden.

Blijkt het, dat door eene burgeravondschool in de behoefte eener gemeente voldoende wordt voorzien, dan kan van de verpligting tot het oprigten eener burgerdagschool door Ons, doch telkens slechts voor een bepaald getal jaren, ontheffing worden verleend. In dit geval is het onderwijs der avondschool over een tweejarigen cursus verdeeld, en bepalen Wij, den gemeenteraad gehoord, welke der in het vorig artikel genoemde vakken het onderwijs zal omvatten.

15. De hoogere burgerscholen worden onderscheiden in hoogere burgerscholen met vijfjarigen, en in hoogere burgerscholen met driejarigen cursus.

16. Aan de hoogere burgerscholen met driejarigen cursus wordt onderwijs gegeven in:

a. de wiskunde;

b. de eerste beginselen der natuur- en scheikunde;

c. de beginselen der plant- en dierkunde;

d. die der staathuishoudkunde;

e. die van het boekhouden;

f. de aardrijkskunde;

g. de geschiedenis;

h. de nederlandsche taal;

i. de fransche taal;

k. de engelsche taal;

l. de hoogduitsche taal;

m. het schoonschrijven;

n. het hand- en regtlijnig teekenen;

o. de gymnastiek.

17. Aan de hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus wordt onderwijs gegeven in:

a, de wiskunde;

b. de beginselen van de theoretische en toegepaste mechanica, van de kennis van werktuigen en van de technologie;

c. de natuurkunde en hare voornaamste toepassingen;

d. de scheikunde en hare voornaamste toepassingen;

e. de beginselen der delfstof-, aard-, plant- en dierkunde;

ƒ. die der kosmographie;

g. de gronden van de gemeente-, provinciale en staatsinrigting van Nederland;

h. staathuishoudkunde en de statistiek, inzonderheid van Nederland en van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen;

i. de aardrijkskunde;

k. de geschiedenis;

l. de nederlandsche taal- en letterkunde;

m. de fransche taal- en letterkunde;

u. de engelsche taal- en letterkunde;

o. de hoogduitsche taal- en letterkunde;

p. de beginselen der handelswetenschappen, daaronder die der warenkennis en het boekhouden;

q. het schoonschrijven;

r. het hand- en regtlijnig teekenen;

s. de gymnastiek.

18. Er zijn althans vijftien rijks hoogere burgerscholen, te vestigen in daarvoor meest gelegene gemeenten in de onderscheidene oorden van het land. Daaronder zijn ten minste vijf met vijfjarigen cursus.

19. Er is eene rijks landbouwschool, indien in de behoefte aan landbouwonderwijs niet op andere wijze wordt voorzien.

Aan bijzondere landbouwscholen kan rijkssubsidie worden verleend.

20. Het onderwijs aan de rijks landbouwschool omvat:

a. staathuishoudkunde;

b. toegepaste wiskunde, als landmeten, waterpassen en inhoudsbe-rekeningen;

c. de werktuigkunde, toegepast op den landbouw en kennis van landbouwwerktuigen;

d. de samenstelling en inrigting der gebouwen voor den landbouw en de veeteelt;

e. het regtlijnig teekenen, toegepast op de bouwkunde en werktuigen;

f. de natuurkunde, scheikunde en weerkunde, toegepast op den landbouw;

g. de landbouw-technologie;

h. de delfstofkunde en aardkunde, toegepast op den landbouw;

i. de algemeeneen bijzondere plant- en dierkunde;

k. de ontleedkunde en natuurkunde der planten en dieren;

l. de kennis van de uiterlijke vormen, rassen, ziekten en geneesleer der huisdieren;

m. den algemeenen en bijzonderen landbouw, akkerbouw, weidebouw, warmoezerij, tuinbouw en hout- en ooftboomteelt;

n. de veeteelt, daaronder begrepen pluimvee- en bijenteelt, en zuivelbereiding;

o. het landbouw-boekhouden;

p. den praktischen landbouw, houtteelt en behandeling der huisdieren daaronder begrepen;

q. den kolonialen land- en boschbouw.

21. Voor burgerscholen, hoogere burgerscholen of landbouwscholen, door provinciën, gemeenten of bijzondere personen, met of zonder rijkssubsidie tot stand gebragt, kan het plan van inrichting van onderwijs, zoo als het aan de verpligte gemeentescholen en de rijksscholen in art. 13, 16, 17 en 20 is voorgeschreven, naar de omstandigheden gewijzigd, ingekrompen of uitgebreid worden.

De inrigting van middelbare scholen voor meisjes, door gemeentebesturen, provinciën of bijzondere personen met of zonder subsidie te stichten, wordt aan de stichters overgelaten, behoudens voorwaarden, aan verleende subsidiën te verbinden.

22. Al hetgeen de toelating tot de rijks- hoogere burger- en landbouwscholen, de verpligtingen van den directeur en de leeraren en de regeling van het onderwijs betreft, wordt, voor zooverre het niet door deze wet is geregeld, bij algemeenen maatregel van bestuur vastgesteld.

§ 2. Van de onderwijzers.

Art. 23. De onderwijzers aan de openbare burgerscholen, de hoogere burgerscholen en de rijkslandbouwschool dragen den titel van leeraar.

Aan het hoofd van elke dier scholen is een der leeraren geplaatst, die den titel draagt van directeur.

24. Het getal der leeraren voor de gemeentescholen, alsmede het bedrag hunner jaarwedden, wordt door den gemeenteraad vastgesteld.

De besluiten van den gemeenteraad, daartoe betrekkelijk, worden voor de scholen, tot wier oprigting de gemeenten krachtens deze wet verpligt zijn, aan de goedkeuring van gedeputeerde staten, voor die, welke door het rijk worden gesubsidieerd, aan de goedkeuring van Onzen minister van binnenlandsche zaken onderworpen. Gelijke goedkeuring wordt gevorderd met betrekking tot scholen, door eene provincie met rijkssubsidie opgerigt.

25. Om tot leeraar aan eene burgerschool benoemd te kunnen worden, wordt gevorderd, behalve een getuigschrift van goed zedelijk gedrag, afgegeven door het dagelijksch bestuur der gemeente of gemeenten, waar men gedurende de twee laatste jaren heeft gewoond:

a. voor de vakken, vermeld onder a-d van art. 13, en voor de technologie, het bezit eener acte van bekwaamheid A, vermeld in art. 70, of voor elk dier vakken afzonderlijk het bezit van eene der acten, vermeld in art. 76;

b. voor de landbouwkunde, het bezit eener acte A voor dat vak, afgegeven krachtens art. 73;

c. voor de vakken , vermeld onder ƒ-h van art. 13, het bezit eener acte, vermeld in het eerste lid van art. 74, of voor elk dier vakken, afzonderlijk, het bezit van eene der acten, vermeld in art. 76;

d. voor de eerste gronden der staathuishoudkunde, het bezit eener acte, vermeld in het tweede lid van art. 74, of van de acte voor dat vak, vermeld in art. 76;

e, voor het teekenen en de gymnastiek, het bezit eener acte voor die vakken, vermeld in art. 77.

Tot het geven van onderwijs in de vakken, vermeld onder ƒ-h van art. 13, zijn tevens bevoegd zij, die in het bezit zijn eener acte van bekwaamheid als hoofdonderwijzer voor het lager onderwijs; tot het onderwijs in wiskunde en levende talen zij, die eene acte voor dat onderwijs bezitten, afgegeven krachtens art. 47 der wet van den 13den Augustus 1857,

26. Om tot leeraar aan eene hoogere burgerschool met driejarigen cursus benoemd te kunnen worden, wordt vereischt, behalve het in het voorgaand artikel vermeld getuigschrift:

a. voor de vakken, vermeld onder a-c van art. 16, het bezit eener acte van bekwaamheid A, vermeld in art. 70, of voor elk dier vakken afzonderlijk, het bezit van eene der acten, vermeld in art. 76;

b. voor de beginselen der staathuishoudkunde, het bezit eener acte, vermeld in het tweede lid van art. 74, of van de acte voor dat vak, vermeld in art. 76;

c. voor de beginselen van het boekhouden, het bezit eener acte, vermeld in het eerste lid van art. 75, of van de acte voor dat vak, vermeld in art. 76;

d. voor de vakken, vermeld onder f-h van art. 16, het bezit eener acte, vermeld in het eerste lid van art. 74, of voor elk dier vakken afzonderlijk, het bezit van eene der acten, vermeld in art. 76;

e. voor de vakken , vermeld onder i, k, l, n en o van art. 16 , het bezit der acten voor die vakken, afgegeven krachtens art. 77.

27. Om tot leeraar aan eene hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus benoemd te kunnen worden, wordt, behalve het in art. 25 vermelde getuigschrift, gevorderd:

a. voor de vakken, vermeld onder a en b van art. 17, het bezit eener acte van bekwaamheid B, vermeld in art. 70 of in art. 71;

b, voor het vak, vermeld onder c, het bezit eener acte B, vermeld in art. 71;

c. voor het vak, vermeld onder d, het bezit eener acte B , vermeld art. 72;

d. voor de vakken, vermeld onder e en ƒ, het bezit eener acte A, vermeld in art. 70;

e. voor de vakken, vermeld onder g en h, het bezit eener acte, vermeld in het tweede lid van art. 74, of van de acten voor die vakken, afgegeven krachtens art. 76;

f voor de vakken, vermeld onder i-l, het bezit eener acte, vermeld in het eerste lid van art. 74, of voor elk dier vakken afzonderlijk, het bezit van eene der acten, afgegeven krachtens art. 76;

g. voor de vakken, vermeld onder m-o, r en s, het bezit van de acten voor die vakken, afgegeven krachtens art. 77;

h. voor het vak, vermeld onder p, het bezit eener acte, vernield in het eerste lid van art. 75, of van de acte voor dat vak, vermeld in art. 76.

28. De directeuren en leeraren der rijks hoogere burgerscholen en der rijks landbouwschool worden door Ons benoemd, geschorst en ontslagen.

29. De directeuren en leeraren der gemeentescholen worden benoemd door den gemeenteraad, die vooraf eene aanbevelingslijst van benoembaren ontvangt, door burgemeester en wethouders , na verhoor van den inspecteur, opgemaakt.

Zij kunnen door burgemeester en wethouders worden geschorst. Deze geven zoo spoedig mogelijk rekenschap van hun besluit aan den gemeenteraad.

Zij worden ontslagen door den gemeenteraad, burgemeester en wethouders en den inspecteur gehoord.

Is schorsing naar inzien van den inspecteur noodig, en zijn burgemeester en wethouders nalatig of weigerachtig daartoe over te gaan, dan kan de schorsing door gedeputeerde staten geschieden.

Is ontslag naar inzien van burgemeester en wethouders of van den inspecteur noodig, en is de gemeenteraad nalatig of weigerachtig daartoe over te gaan, dan kan het ontslag door gedeputeerde staten geschieden.

30. De schorsing van een directeur of leeraar geschiedt hoogstens voor drie maanden.

Het besluit tot schorsing bepaalt, of zij geschiedt met behoud, dan wel met gedeeltelijk of geheel verlies der bezoldiging.

31. Voor de directeuren en leeraren der rijks hoogere burger- en landbouwscholen komt, met opzigt tot hunne aanspraak op pensioen, als diensttijd mede in aanmerking de tijd, dien zij krachtens eene vaste aanstelling van Ons, van Onzen minister van binnenlandsche zaken of van een gemeentebestuur ontvangen, als onderwijzer bij eene openbare inrigting van onderwijs hebben doorgebragt.

82. Aan de directeuren en leeraren der gemeente-burgerscholen, tot welker oprigting de gemeenten verpligt zijn , wordt ten laste van den staat pensioen verleend in de gevallen, naar de regelen en onder de voorwaarden, voor burgerlijke ambtenaren bij de wet vastgesteld of nader vast te stellen, een en ander overeenkomstig de bijzondere bepalingen, in dit en de drie volgende artikelen vervat.

Voor de toepassing dier regelen worden de genoemde directeuren en leeraren als burgerlijke ambtenaren beschouwd. Zij behooren tot de deelhebbenden in het voor die ambtenaren bij de eerste afdeeling der wet van den 9den Mei 1846 ingestelde pensioenfonds.

Voor hen komt, behalve den diensttijd in de bij het eerste lid van dit artikel vermelde betrekkingen, en dien, welke voor andere burgerlijke, ambtenaren geldig is, als zoodanig mede in aanmerking de tijd, dien zij, krachtens eene vaste aanstelling, van Ons, van Onzen minister van binnenlandsche zaken of van een gemeentebestuur ontvangen, als onderwijzer bij eene openbare inrigting van onderwijs hebben doorgebragt.

De bepalingen van dit artikel zijn niet toepasselijk op directeuren en leeraren, die als onderwijzers eener openbare lagere school aanspraak op pensioen kunnen doen gelden.

33. De bijdragen, ingevolge het voorgaande artikel door de directeuren en leeraren verschuldigd, worden door de zorg der gemeentebesturen geïnd en aan het rijk verantwoord.

34. Van de pensioenen, die ingevolge art. 32 dezer wet aan de directeuren en leeraren worden toegekend, wordt alleen dat gedeelte ten laste van het pensioenfonds voor burgerlijke ambtenaren gebragt, waarvoor dit fonds bijdragen heeft genoten. Het overige gedeelte komt ten laste van het hoofdstuk der staatsbegrooting, waaruit kosten voor het openbaar onderwijs worden gekweten.

Deze splitsing valt niet onder het verbod, vervat in art. 29 der bij de wet van den 3den Mei 1851 gewijzigde wet van den 9den Mei 1846.

35. Door de gemeente, uit welke krachtens deze wet directeuren of leeraren van gemeente-burgerscholen worden gepensioneerd, wordt aan den staat vergoed de helft van het pensiocnsbedrag, hetwelk ingevolge het voorgaande artikel ten laste der staatsbegrooting wordt gebragt

§ 3. Van de kosten.

Art. 36. De kosten der gemeente-burgerscholen, voor zooverre zij niet komen ten laste van anderen of uit bijzondere daartoe bestemde fondsen kunnen worden bestreden, door de gemeente te dragen, zijn:

a. de jaarwedden van de directeuren, leeraren en bedienden dier scholen;

b. de kosten van het oprigten en in stand houden of het huren der schoollocalen en der woningen van de directeuren of leeraren, voor zooveel die het genot van vrije woning mogten hebben;

c. die van verlichting en verwarming der schoollocalen;

d. die van het aanschaffen en onderhouden der schoolmeubelen, werktuigen en verdere hulpmiddelen voor het onderwijs;

e. de bijdrage der gemeente tot het pensioen der onderwijzers ;

ƒ. de kosten der plaatselijke commissie van toezigt.

37. Ter gemoetkoming in de kosten der scholen kan eene bijdrage van iederen leerling gevorderd worden.

Deze bijdrage kan voor de gemeentescholen, die art. 14 vordert, niet hooger worden gesteld dan op twaalf gulden 's jaars, en voor de rijks-hoogere burgerscholen niet hooger dan op zestig gulden 's jaars.

De bepaling der bijdrage geschiedt voor de gemeentescholen door den gemeenteraad, voor de provinciale scholen door de staten, en voor de rijksscholen door Onzen minister van binnenlandsche zaken.

Het invoeren, wijzigen en afschaffen van schoolgelden geschiedt, voor de gemeentescholen, met inachtneming van artt. 232-236 der wet van den 29sten Junij 1851.

De invordering wordt geregeld door eene plaatselijke verordening overeenkomstig de bepalingen van artt. 258-262 dier wet

De invordering der schoolgelden voor de rijks hoogere burgerscholen geschiedt op de wijze, door Onzen minister van binnenlandsche zaken vast te stellen. De opbrengst dier gelden wordt in 's rijks schatkist gestort.

38. Ieder, die als kweekeling der rijks landbonwschool is ingeschreven, stort, bij den aanvang van elk studiejaar, eene som van ƒ 100, Hij verkrijgt daardoor den toegang tot alle lessen der school.

Zij, die slechts enkele lessen wenschen te volgen, kunnen daartoe van den directeur vergunning bekomen. Zij betalen, mede bij den aanvang van elk studiejaar, voor lessen, die gegeven worden:

eenmaal 's weeks ƒ 5,00;

tweemaal 's weeks, ƒ 10,00;

driemaal 's weeks, ƒ 15,00;

viermaal of meermalen 's weeks, ƒ 20,00.

De in dit artikel vermelde gelden worden in 's rijks schatkist gestort.

TWEEDE HOOFDSTUK.

VAN DE POLYTECHNISCHE SCHOOL.

§ 1. Van de school.

Art. 39. De polytechnische school is bestemd voor de opleiding:

1°. van aanstaande industriëlen of technologen, die eene grootere mate van theoretische en technische kennis verlangen dan aan eene hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus kan verkregen worden;

2". van hen, die verlangen zich te bekwamen tot:

a. civiel ingenieur;

b. architect of bouwkundig ingenieur;

c. scheepsbouwkundig ingenieur;

d. werktuigkundig ingenieur;

e. mynen-ingenieur.

40. Het onderwijs aan de polytechnische school omvat:

a. de hoogere stelkunde:

b. de bolvormige driehoeksmeting en de analytische meetkunde;

k. de beschrijvende meetkunde en hare toepassingen;

d. de differentiaal- en integraalrekening;

e. het landmeten, waterpassen en de geodesie;

ƒ. de theoretische mechanica;

g. de toegepaste mechanica;

h. de kennis van werktuigen;

i. de mechanische technologie en de werktuigbouwkunde;

k. de toegepaste natuurkunde;

l. de toegepaste, de praktische en de analytische scheikunde;

m. de scheikundige technologie;

n. de kennis van het hedendaagsche fabriekwezen;

o. de delfstofkunde en de aardkunde;

p. de toegepaste aardkunde en de mijnontginning;

q. de metallurgie;

r. de waterbouwkunde, den aanleg van gewone wegen en spoorwegen en den bruggenbouw;

s. de burgerlijke bouwkunde;

t. de scheepsbouwkunde;

u. het regtlijnig en handteekenen, met toepassing op de verschillende vakken;

v. praktische oefeningen met gereedschap en draaibank;

w. het maken van modellen van werktuigen;

x. de staathuishoudkunde;

y. het handelsregt;

z. het administratief regt in betrekking tot den waterstaat, de openbare werken, het mijnwezen en de nijverheid

41. Ieder, die als kweekeling der polytechnische school is ingeschreven, stort bij den aanvang van elk studiejaar eene som van ƒ 200. Hij verkrijgt daardoor den toegang tot alle lessen der school. Zij, die slechts enkele lessen wenschen te volgen, betalen, mede bij den aanvang van elk studiejaar, voor lessen, die gegeven worden:

eenmaal 's weeks, ƒ 10;

tweemaal 's weeks, f 20;

driemaal 's weeks, ƒ 30;

viermaal of meermalen 's weeks, ƒ 40.

De in dit artikel vermelde gelden worden in 's rijks schatkist gestort.

§ 2. Van de leeraren.

Art. 42. De hoogleeraren en andere leeraren der polytechnische school worden door Ons benoemd, geschorst en ontslagen. Op hen is mede van toepassing de bepaling van art. 31.

§ 3. Van het bestuur.

Art. 43. Het bestuur der polytechnische school is opgedragen aan eenen door Ons te benoemen directeur en eenen raad van bestuur, zamengesteld uit de hoogleeraren der school.

De werkkring en bevoegdheid van den directeur en van den raad van bestuur, hunne betrekking tot het overige onderwijzend personeel en de inwendige regeling der school worden, voor zoover die niet door deze wet zijn bepaald, bij algemeenen maatregel van bestuur vastgesteld.

TITEL III.

VAN HET BIJZONDER MIDDELBAAR ONDERWIJS.

Art. 44. Om onderwijs in bijzondere scholen of huisonderwijs te kunnen geven, wordt vereischt het bezit van:

a. eene acte van bekwaamheid, volgens deze wet verkregen;

b. een getuigschrift van goed zedelijk gedrag, afgegeven door het dagelijksch bestuur der gemeente of gemeenten, waar de bezitter gedurende de twee laatste jaren heeft gewoond;

c. een bewijs, dat beide deze stukken door burgemeester en wethouders der gemeente, waar het onderwijs zal gegeven worden, zijn gezien en in orde bevonden.

45. Omtrent de afgifte van het bewijs, vermeld onder c van het voorgaande artikel, wordt uiterlijk binnen vier weken, te rekenen van den dag, waarop de aanvraag daartoe is geschied, door burgemeester en wethouders beslist.

Van die beslissing, of wanneer binnen dien termijn de beslissing niet is kenbaar gemaakt aan hem, die het onderwijs wenscht te geven, wordt beroep toegelaten op gedeputeerde staten.

Na afwijzing door gedeputeerde staten, of indien binnen den tijd van zes weken hunne beschikking niet aan den belanghebbende is kenbaar gemaakt, kan bij Ons in beroep worden gekomen

TITEL IV.

VAN HET TOEZIGT.

Art. 46. Het toezigt op de openbare en bijzondere scholen van middelbaar onderwijs is, onder het oppertoezigt van Onzen minister van binnenlandsche zaken, opgedragen aan:

a. plaatselijke commissiën, door den gemeenteraad te benoemen;

b. inspecteurs, onder welke een bij zonderlijk met het toezigt op de landbouwscholen, rijks- en bijzondere scholen, is belast.

47. Het getal der inspecteurs wordt door Ons bepaald.

Zij worden door Ons benoemd en ontslagen.

Zij genieten uit 's rijks kas eene jaarwedde, benevens vergoeding voor reis- en verblijfkosten.

De bepaling van art. 31 is mede op hen toepasselijk.

Zij bekleeden geene ambten of bedieningen zonder Onze toestemming.

48. De inspecteurs worden eenmaal 's jaars door Onzen minister van binnenlandsche zaken bijeengeroepen, ten einde onder zijne leiding de belangen van liet middelbaar onderwijs te overwegen en te bevorderen.

49. De leden der commissiën van toezigt en de inspecteurs leggen, bij de aanvaarding hunner betrekking, den eed of de belofte af, dat zij haar naar behooren en getrouw zullen waarnemen.

De eedsaflegging of belofte geschiedt door de leden der commissiën van toezigt in handen van den regter van het kanton, waarin zij wonen; door de inspecteurs in handen van Onzen minister van binnenlandsche zaken.

50. De leden der commissiën van toezigt en de inspecteurs zijn bevoegd van de overtredingen dezer wet en der verordeningen op het middelbaar onderwijs proces-verbaal op te maken.

51. De scholen, vermeld in art. 46, zijn steeds toegankelijk voor de leden der commissiën van toezigt en voor de inspecteurs.

De onderwijzers zijn gehouden hun de verlangde inlichtingen te geven omtrent de school en het onderwijs.

Weigering in deze wordt gestraft met eene boete van vijf en twintig gulden of gevangenisstraf van drie dagen, en bij herhaling telkens met beide straffen te zamen.

Art. 463 van het van het Wetboek van Strafregt en art. 20 der wet van den 29sten Junij 1854 zijn ten deze toepasselijk.

52. De plaatselijke commissiën houden toezigt op de middelbare scholen in de gemeente en bezoeken die ten minste twee malen 's jaars. Zij zien toe, dat de algemeene verordeningen op het middelbaar onderwijs en de bijzondere reglementen voor de openbare burgerscholen en hoogere burgerscholen stipt worden nagekomen. Zij honden aanteekening van het onderwijzend personeel, het getal der leerlingen en den staat van het onderwijs; zij deden den inspecteur de belangrijke veranderingen mede, die hebben plaats gehad in de scholen, in de gemeente gevestigd, en geven hem alle inlichtingen, die hij verlangt; zij doen zoowel aan den gemeenteraad als aan Onzen minister van binnenlandsche zaken de voorstellen, die zij in het belang van het onderwijs noodzakelijk achten.

Zij doen jaarlijks, vóór den lsten Maart, aan den gemeenteraad een beredeneerd verslag omtrent den toestand van liet aan hun toezigt toevertrouwd middelbaar onderwijs in het vorig jaar, en zenden daarvan afschriften aan gedeputeerde staten en aan den inspecteur of de inspecteurs, met het toezigt op die scholen belast.

53. De inspecteurs zorgen door schoolbezoek voortdurend bekend te blijven met den toestand der scholen, waarvan hun het toezigt is opgedragen; zij trachten door overleg met de gemeentebesturen en met de onderwijzers den bloei van het middelbaar onderwijs te bevorderen; zij hebben toegang tot de eind-examens der burgerscholen en der hoogere burgerscholen; zij lichten Onzen minister van binnenlandsche zaken voor omtrent alle onderwerpen, waarover hun berigt wordt gevraagd, en doen hem alle zoodanige voorstellen, als zij in het belang van het middelbaar onderwijs noodig achten.

Zij doen jaarlijks vóór den 1sten Mei aan Onzen voornoemden minister een beredeneerd verslag van den staat van het onderwijs aan de scholen, aan hun toezigt toevertrouwd.

54. De inspecteur van het landbouwonderwijs waakt voor de getrouwe naleving van de bepalingen dezer wet en van alle andere door of van wege Ons vastgestelde verordeningen, die op de landbouwscholen betrekking hebben. Hij houdt toezigt op den gang van liet onderwijs aan die scholen, alsmede aan de burgerscholen, waar onderwijs in de landbouwkunde wordt gegeven; op deze laatste echter alleen voor zooveel dit onderwijs aangaat; hij tracht door overleg met de gemeentebesturen en met de onderwijzers den bloei van het landbouwonderwijs te bevorderen; hij heeft toegang tot de eindexamens der landbouwscholen en der burgerscholen, waar onderwijs in landbouwkunde wordt gegeven; hij licht Onzen minister van binnenlandsche zaken voor omtrent alle onderwerpen, waarover zijn berigt wordt gevraagd, en doet hem alle zoodanige voorstellen, als hij in het belang der scholen noodig acht.

Hij zendt jaarlijks vóór den 1sten Mei aan Onzen voornoemden minister een beredeneerd verslag van den staat van het landbouwonderwijs.

TITEL V.

VAN DE EINDEXAMENS.

Art. 55. Aan hen, die aan eene openbare burgerschool, hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus, landbouw- of polytechnische school het onderwijs hebhen bijgewoond, wordt eenmaal 's jaars gelegenheid gegeven om ten gevolge van een examen een getuigschrift of een diploma te verkrijgen.

Tot die examens worden ook toegelaten zij, die het onderwijs aan die scholen niet hebben bijgewoond.

De examens worden in het openbaar gehouden.

56. Het eindexamen voor de burgerscholen wordt afgenomen door eene commissie, zamengesteld uit een lid der commissie van toezigt, door haar zelve aan te wijzen, als voorzitter, den directeur der school, en de leeraren in de vakken, waarover het examen loopt.

Het examen betreft de vakken, welke op de in de gemeente gevestigde school worden onderwezen, met uitzondering van de gymnastiek. Worden landbouw en technologie beide aan de school onderwezen, dan kan hij, die het examen aflegt, kiezen, over welk dier beide vakken het zal loopen.

57. De eindexamens voor de hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus en die voor de landbouwscholen worden afgenomen door commissiën, jaarlijks te benoemen door Onzen commissaris in iedere provincie, waar zoodanige scholen aanwezig zijn.

De leden genieten uit 's rijks schatkist vergoeding voor reis- en verblijfkosten, benevens vacatiegelden.

Het eindexamen voor de hoogere burgerscholen betreft de vakken, vermeld onder a-p en r van art. 17.

Het diploma van landbouwkundige wordt verkregen ten gevolge van een examen, waaruit blijkt, dat de geëxamineerde de kundigheden bezit, waarin aan de school onderwijs gegeven wordt.

58. De eindexamens der polytechnische school worden afgenomen door commissiën, door Onzen minister van binnenlandsche zaken te benoemen. De leden gemeten uit 's rijks schatkist vergoeding voor reis- en verblijfkosten, benevens vacatiegelden.

59. Zij, die naar het diploma van technoloog, civiel, bouwkundig, scheepsbouwkundig, werktuigkundig of mijnen-ingenieur dingen, leggen een eerste examen A af, van gelijken omvang als het in art.57 voorgeschreven eindexamen voor de hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus.

Van dit examen zijn vrijgesteld zij, die het getuigschrift bezitten, verkregen na aflegging van zoodanig examen voor eene der in dat artikel genoemde commissiën.

60. Het diploma van technoloog wordt door hen, die het in het voorgaand artikel vermeld examen A hebben afgelegd, verkregen ten gevolge van een examen in:

a. de bolvormige driehoeksmeting en de beginselen der analytische meetkunde;

b. de beginselen der beschrijvende meetkunde;

c. die der theoretische en toegepaste mechanica, en van de kennis van werktuigen;

d. die der mechanische technologie:

e. de toegepaste natuurkunde;

f. de toegepaste en analytische scheikunde;

g. de scheikundige technologie;

h. de bouwkunde, voor zooveel betreft de kennis van bouwstoffen en de zamenstelling van eenvoudige gebouwen;

i. het hand- en ornamentteekenen.

61. Het diploma van civiel ingenieur wordt door hen, die het in art. 59 vermeld examen A hebben afgelegd, verkregen ten gevolge van nog twee examens.

Het tweede examen B betreft:

a. de hoogere stelkunde;

b. de bolvormige driehoeksmeting en de analytische meetkunde;

c. de beschrijvende meetkunde;

d. de differentiaal- en integraalrekening;

e. de toegepaste natuurkunde;

ƒ. de analytische scheikunde metbetrekkingtot de bouwmaterialen;

g. de kennis van bouwstoffen, gebruikelijk zoowel voor bouwkundige als waterbouwkundige werken;

h. de constructie van de onderdeeleu van gebouwen;

i. het vervaardigen van eenvoudige bouwkundige en waterbouwkundige teekeningen en het handteekenen.

Het derde examen C betreft:

a. de theoretische en toegepaste mechanica en de kennis van werktuigen ;

b. de waterbouwkunde, omvattende:

1°. den aanleg van gewone wegen en spoorwegen en dien van bruggen;

2°. den aanleg van zeeweringen;

3°. de kennis der rivieren als afwateringsmiddelen en in betrekking tot de scheepvaart;

4°. den aanleg van kanalen, sluizen, havens en inaritime werken;

5°. de hydrographie van ons land, kennis van polders en bemalingen;

c. de burgerlijke bouwkunde, omvattende:

1°. de constructie van eenvoudige gehouwen;

2°. de beginselen der schoone bouwkunst;

d. het situatie-, ornament- en handteekenen, benevens het teekenen van voorwerpen, tot de waterbouwkunde behoorende;

e. het maken van ontwerpen, bestekken en begrootingen;

ƒ. de beginselen der geodesie en het praktisch landmeten en waterpassen;

g. het administratief regt in betrekking tot den waterstaat en openbare werken.

62. Het diploma van architect of bouwkundig ingenieur wordt door hen, die het in art. 59 vermeld examen A hebben afgelegd, verkregen ten gevolge van nog twee examens.

Het tweede examen B is hetzelfde als het examen B, vermeld in het voorgaande artikel.

Het derde examen C betreft:

a. de vakken onder a en e van het examen C, vermeld in art. 61;

b. de burgerlijke bouwkunde, de schoone bouwkunst in haren geheelen omvang daaronder begrepen;

c. de waterbouwkunde, voor zooveel betreft den aanleg van verschillende bestratingen, het houwen van bruggen, sluizen enkaaijen;

d. het theoretisch en praktisch landmeten en waterpassen;

e, het bouwkundig, ornament- en handteekenen;

ƒ. het administratief regt, in betrekking tot openbare werken.

63. Het diploma van scheepsbouwkundig ingenieur wordt door hen, die het in art. 59 vermeld examen A hebben afgelegd, verkregen ten gevolge van nog twee examens.

Het tweede examen B betreft:

a. de vakken onder a-e van het examen B, vermeld in art. 61;

b. de analytische scheikunde in betrekking tot de materialen voor den scheepsbouw;

c. de kennis der bouwstoffen, bij den scheepsbouw in gebruik;

d. de beginselen van het scheepsteekenen en het handteekenen.

Het derde examen C betreft:

a. het vak a van het examen C, vermeld in art. 61;

b, het teekenen van werktuigen;

c. de scheepshouwkunde en het scheepsteekenen;

d. de waterbouwkunde en het waterbouwkundig teekenen, voor zooveel betreft werken, die tot de scheepvaart betrekking hebben.

64. Het diploma van werktuigkundig ingenieur wordt door hen, die het in art. 59 vermeld examen A hebben afgelegd , verkregen ten gevolge van nog twee examens.

Het tweede examen B betreft:

a. de vakken a-e van het examen B, vermeld in art. 61;

b. het vak e, vermeld in art. 60;

c. de analytische scheikunde in betrekking tot de materialen voor werktuigen.

Het derde examen C betreft:

a. het vak a van het examen C, vermeld in art. 61;

b. mechanische technologie en werktuigbouwkunde;

c. het vak h, vermeld in art. 60;

d. het handteekenen en het teekenen van werktuigen;

e. het administratief regt in betrekking tot fabrieken en werktuigen.

65. Het diploma van mijnen-ingenieur wordt door hen, die het in art. 59 vermeld examen A hebben afgelegd, verkregen ten gevolge van nog twee examens.

Het tweede examen B betreft:

a. de vakken a-e van het examen B, vermeld in art. 61;

b. de delfstofkunde.

Het derde examen C betreft:

a. het vak a, van het examen C, vermeld in art. 61;

b. het vak h, vermeld in art. 60;

c. het vak d van het examen C, vermeld in art. 62;

d. de aardkunde en de toegepaste aardkunde;

e. de mijnontginning;

ƒ. de docimasie;

g. de metallurgie;

h. het teekenen van werktuigen;

i. het administratief regt in betrekking tot het mijnwezen.

66. Wanneer een der in de voorgaande artikelen vermelde examens naar genoegen der commissie is afgelegd, wordt door haar aan den geëxamineerde een getuigschrift of een diploma afgegeven, volgens het model, door Onzen minister van hinnenlandsche zaken vastgesteld.

Getuigschriften worden afgegeven voor goed volbragte eindexamens der burgerscholen en hoogere burgerscholen, alsmede voor het eerste examen A voor technoloog, en het eerste en tweede examen A en B voor civiel, bouwkundig, scheepsbouwkuudig, werktuigkundig en mijnen-ingenieur; diploma's worden afgegeven voor goed volbragte eindexamens als landbouwkundige, technoloog, civiel, bouwkundig scheepsbouwkundig, werktuigkundig en mijnen-ingenienr.

De getuigschriften worden kosteloos afgegeven; voor het diploma wordt betaald eene som van veertig gulden. Deze gelden worden in 's rijks schatkist gestort.

67. De commissiën, bedoeld in art. 56, zenden een verslag van hare werkzaamheden aan den gemeenteraad en een afschrift daarvan aan den inspecteur of de inspecteurs, met het toezigt op de burgerscholen belast.

De commissiën, bedoeld in art. 57, zenden een verslag van hare werkzaamheden aan Onzen commissaris in de provincie, en een afschrift aan den inspecteur of inspecteurs, met het toezigt op de hoogere burgerscholen of op de landbouwscholen belast.

De commissiën, bedoeld in art. 58, zenden een verslag van hare werkzaamheden aan Onzen minister van binnenlandsche zaken.

TITEL VI.

VAN DE ACTE VAN BEKWAAMHEID.

Art. 68. De acten van bekwaamheid tot het geven van school- en huisonderwijs worden verkregen ten gevolge van het afleggen van examens.

69. Ieder jaar worden door Onzen minister van binnenlandsche zaken commissiën benoemd, aan welke wordt opgedragen hen te examineren, die eene acte van bekwaamheid voor het middelbaar onderwijs wenschen te verkrijgen.

De plaatsen, waar deze commissiën hare zittingen houden, worden telkens door Onzen voornoemden minister aangewezen.

De examens worden in het openbaar gehouden, met uitzondering van die voor onderwijzers.

De leden der commissiën ontvangen uit 's rijks schatkist vergoeding voor reis- en verblijfkosten, benevens vacatiegelden.

70. Er zijn twee acten van bekwaamheid voor het schoolonderwijs in de wis- en werktuigkundige wetenschappen.

De eerste acte A wordt verkregen ten gevolge van een examen in:

a. de rekenkunde, de stelkunde, de meetkunde, de platte en bolvormige driehoeksmeting, de beginselen der beschrijvende en der analytische meetkunde;

b;. de beginselen der theoretische en toegepaste mechanica, der kennis van werktuigen en der technologie;

c. de beginselen der natuurkunde, der scheikunde en der kosmographie;

d. de beginselen der delfstof-, aard-, plant- en dierkunde.

De tweede acte B,. welke alleen verkregen kan worden door hen, die reeds de in dit artikel, vermelde acte A bezitten, wordt verkregen ten gevolge van een examen in:

e. de beschrijvende en analytische meetkunde, de differentiaal- en integraalrekening;

f. de theoretische en toegepaste mechanica.

71. Er zijn twee acten van bekwaamheid voor het schoolonderwijs in de natuurkunde.

De eerste acte A is dezelfde als de acte A, vermeld in art. 70.

De tweede acte B, welke alleen kan verkregen worden door hen, die reeds de bovengemelde acte A bezitten, wordt verkregen ten gevolge van een examen in:

a. de analytische meetkunde;

b. de differentiaal- en integraalrekening;

c. de theoretische mechanica;

d. de natuurkunde en hare voornaamste toepassingen;

e. de meteorologie;

ƒ. de scheikunde.

72. Er zijn twee acten van bekwaamheid voor het schoolonderwijs in de scheikunde.

De eerste acte A is dezelfde als de acte A, vermeld in art. 70.

De tweede acte B, die alleen kan verkregen worden door hen, die reeds de bovengemelde acte A bezitten, wordt verkregen ten gevolge van een examen in:

a. de algemeene, de toegepaste en de analytische scheikunde;

b. de scheikundige technologie;

c. de natuurkunde.

73. Er zijn twee acten van bekwaamheid voor het schoolonderwijs in de landbouwkunde.

De eerste acte A wordt door den bezitter der acte A, vermeld in art. 70, verkregen ten gevolge van een examen in de beginselen van den landbouw.

De tweede acte B wordt verkregen ten gevolge van een examen als hetgeen ter verkrijging van het diploma van landbouwkundige wordt gevorderd.

74. Voor het geven van schoolonderwijs in de nederlandsche taal en letterkunde en de geschiedkundige wetenschappen wordt de acte van bekwaamheid verkregen ten gevolge van een examen in:

u. de nederlandsche taal en letterkunde;

b. de geschiedenis;

c. de wiskundige, natuurkundige en staatkundige aardrijkskunde.

Voor het geven van schoolonderwijs in de staathuishoudkunde ten gevolge van een examen in:

a, de staathuishoudkunde en de statistiek, inzonderheid van Nederland en van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen;

b. de gronden van de gemeente-, provinciale en staatsinrigting van Nederland.

75. Voor het geven van schoolonderwijs in de handelswetenschappen wordt eene acte van bekwaamheid verkregen ten gevolge van een examen in:

a. het boekhouden;

b. de beginselen der handelswetenschappen, omvattende het handelsregt, de handelsgeographie, de statistiek van nijverheid en handelsverkeer, de kennis van het finantiewezen der staten en de beginselen der warenkennis.

Voor het geven van schoolonderwijs in de zeevaartkunde wordt de acte verkregen ten gevolge van een examen in:

a. de lagere wiskunde, de bolvormige driehoeksmeting daaronder begrepen;

b. de beginselen der sterrekunde;

c. de kennis der verschijnselen in den dampkring en op den oceaan;

d. de kennis der werktuigen, bij de waarnemingen op zee gebruikelijk.

76. De in art. 69 vermelde commissiën zijn bevoegd om, na afgelegd examen, afzonderlijke acten van bekwaamheid af te geven voor elk der vakken, vermeld in artt. 70 en 74, en voor het boekhouden.

77. Door de in art. 69 vermelde commissiën worden, na afgelegd examen, afzonderlijke acten van bekwaamheid uitgereikt, voor schoolonderwijs in:

a. de fransche taal- en letterkunde:

b. de engelsche taal- en letterkunde;

c. de hoogduitsche taal en letterkunde;

d. het handteekenen, het regtlijnig teekenen en de perspectief;

e. het schoonschrijven;

f. het boetseren;

g. de gymnastiek.

Om onderwijs in de vakken, onder e en ƒ genoemd, te kunnen geven, behoeft men evenwel niet in het bezit eener acte van bekwaamheid voor die vakken te zijn.

Gemelde commissiën zijn eveneens bevoegd tot het na afgelegd examen uitreiken van eene acte van bekwaamheid voor schoolonderwijs in andere levende talen.

78.Tot het verkrijgen van eene der acten van bekwaamheid voor .schoolonderwijs, vermeld in artt. 70-76, en in levende talen, wordt bovendien vereischt een examen in de theorie van onderwijs en opvoeding, hoofdzakelijk in betrekking tot het middelbaar onderwijs.

Zij, die in het bezit zijn van eene dier acten, zijn bij het examen ter verkrijging eener andere acte voor middelbaar schoolonderwijs vrijgesteld van een nieuw examen in de theorie van onderwijs en opvoeding.

De acte, vermeld in art. 45 der wet van den 13den Augustus 1857, maakt bevoegd tot het geven van het aldaar omschreven onderwijs aan middelbare scholen voor meisjes.

79. Eene acte van bekwaamheid voor het huisonderwijs wordt verkregen door een gelijk examen als dat ter verkrijging eener acte voor schoolonderwijs, met weglating van het examen in de theorie van onderwijs en opvoeding.

De acten van bekwaamheid voor schoolonderwijs gelden ook voor het huisonderwijs.

80. Wanneer het examen naar genoegen der commissie, met het afnemen belast, is afgelegd, wordt door haar aan den geëxamineerde de verlangde acte uitgereikt, waarvan het model door Onzen minister van binnenlandsche zaken wordt vastgesteld.

81; De acte van bekwaamheid voor middelbaar schoolonderwijs wordt uitgereikt tegen betaling van:

twintig gulden voor eene der acten B, vermeld in artt. 70, 71, 72 en 73;

vijftien gulden voor eene der acten A, vermeld in artt. 70, 71 ee 72, of voor eene der acten, vermeld, in artt. 74 en 75;

tien gulden voor de acte A , vermeld in art. 73 , of voor eene der acten, vermeld in artt. 76 en 77.

De acte van bekwaamheid voor middelbaar huisonderwijs wordt uitgereikt tegen betaling van zeven gulden, wanneer zij geldt voor een vak en van tien gulden, wanneer zij geldt voor twee of meer vakken.

De opbrengst van de voor de acten betaalde gelden wordt, na aftrek van de kosten der vergadering van de commissie, waaronder echter niet gerekend worden de reis- en verblijfkosten en vacatiegelden der leden, in 's rijks schatkist gestort.

82. Ieder, die krachtens deze wet of krachtens vroegere verordeningen hier te lande een diploma van technoloog, civiel ingenieur, architect of bouwkundig ingenieur, scheepsbouwkundig ingenieur, werktuigkundig ingenieur, mijnen-ingenieur, veearts of landbouwkundige verkregen heeft, is bevoegd onderwijs te geven in de technische wetenschappen, waarin hij ter verkrijging van zijn diploma een examen heeft afgelegd. Hij behoort echter daartoe in het bezit te zijn van het getuigschrift van goed zedelijk gedrag, vermeld in art. 25.

TITEL VII.

OVERGANGSBEPALINGEN.

Art. 83. Ieder, die op het tijdstip van het in werking treden dezer wet aan eene openbare of bijzondere inrigting van middelbaar onderwijs, zonder in strijd met bestaande verordeningen te zijn, onderwijs geeft, waartoe volgens deze wet eene acte wordt ver eischt, behoeft, om met zijn onderwijs aan die inrigting voort te gaan, geene herbenoeming of erkenning.

Hij kan ook in gelijke betrekking bij eene openbare school, volgens deze wet opgerigt, worden aangesteld.

84. De acte van algemeene toelating van den eersten rang. verkregen krachtens de wet van den 3den April 1806, geeft gelijke regten als de acte van bekwaamheid A, vermeld in art. 70, en de acte van bekwaamheid, vermeld in het eerste lid van art. 74.

85. De acte van bekwaamheid, krachtens art. 72 der wet van den 13den Angnstus, 1857 uitgereikt voor het verder voortgezet onderwijs in de levende talen en in de wis- en natuurkunde, als ook de daarmede gelijkstaande acten, verkregen krachtens de wet van den 3den April 1806, geven gelijke regten als de acten van bekwaamheid voor die vakken, krachtens artt. 76 en 77 dezer wet uitgereikt.

86. Zij die, vóór de invoering dezer wet, aan eene van 's rijks hoogescholen een akademischen graad verkregen hebben, behouden de bevoegdheid tot het geven van middelbaar onderwijs in de vakken, waarin zij krachtens het hun verleend diploma de bevoegdheid hadden onderwijs te geven.

De graad van doctor in de wis- en natuurkunde geeft gelijke bevoegdheid als de acte B, vermeld in artt. 70, 71 en 72.

De graad van candidaat in de wis- en natuurkunde geeft gelijke bevoegdheid als de acte A, vermeld in art. 70.

De graad van doctor of van candidaat in de letteren geeft gelijke bevoegdheid als de acte, vermeld in het eerste lid van art. 74.

De graad van doctor in de regten geeft gelijke bevoegdheid als de acte voor de staathuishoudkunde, vermeld in art. 74.

87. Gelijke bevoegdheid, als in het voorgaand artikel, wordt toegekend aan hen, die na de invoering dezer wet de genoemde graden van doctor of candidaat zullen verkrijgen, totdat de wet tot regeling van het hooger onderwijs anders zal hebben beschikt.

88. Het getuigschrift, vermeld in art. 3 van het koninklijk besluit van den 13den April 1817, no. 22, geeft, wanneer het vóór de invoering dezer wet verkregen is, gelijke regten als de acte van bekwaamheid voor het onderwijs in het teekenen, uitgereikt krachtens art. 77 dezer wet.

89. Zij die, hoewel niet in het bezit van een diploma van ingenieur, in 's ands dienst deze betrekking bekleeden of hebben bekleed, zijn, onder de aan het slot van art. 82 gestelde voorwaarde, bevoegd tot het geven van onderwijs in de technische wetenschappen, waarvan de kennis tot het vervullen der betrekking van ingenieur wordt vereischt.

Onder dezelfde voorwaarden zijn zij, die aan eene der rijksinstellingen tot opleiding van ingenieurs en officieren der land- en zee-magt den cursus hebben ten einde gebragt, bevoegd tot het geven van onderwijs in de technische wetenschappen, waarin zij gedurende dien cursus onderwijs hebben ontvangen.

90. Gedurende de eerste zes jaren na het in werking treden dezer wet kan door Ons aan Nederlanders en vreemdelingen, die buiten 's lands de bevoegdheid, om in een of meer der in deze wet vermelde vakken onderwijs te geven verkregen hebben, gelijke bevoegdheid hier te lande verleend worden.

91. Gemeenten, die krachtens art. 14 dezer wet tot het oprigten en onderhouden van burgerscholen gehouden zijn, voldoen aan die verpligting binnen een termijn van uiterlijk zes jaren, te rekenen van het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt, of waarop de bevolking der gemeente boven het cijfer van tien duizend geklommen is.

92. De in art. 18 vermelde rijks hoogere burgerscholen worden geopend binnen de eerste vijfjaren na het tijdstip van de invoering dezer wet.

93. De lessen aan de polytechnische school worden geopend binnen een jaar na het in werking treden dezer wet.

De kweekelingen der akademie ter opleiding van burgerlijke ingenieurs te Delft, die op het tijdstip dier opening tot de lessen van het 3de of 4de studiejaar der akademie voor de ingenieurs-wetenschappen of het mijnwezen zijn toegelaten, worden vrijgesteld van het examen A, vermeld in art. 59. De kweekelingen, die op dat tijdstip tot de lessen van het 1ste of van het 2de studiejaar zijn toegelaten, worden bij het afleggen van dat examen vrijgesteld van het onderzoek in de vakken, waarover zich het examen ter toelating tot die akademie heeft uitgestrekt, of waarin aan de akademie geen onderwijs wordt gegeven.

94. Zoolang nog geen voldoend getal hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus in werking is, wordt een deel van het aldaar te geven onderwijs, als voorbereidend tot den cursus der polytechnische school, aan deze gegeven.

Dat voorbereidend onderwijs omvat:

a. wiskunde;

b. natuurkunde;

c. scheikunde;

d. beginselen der plant- en dierkunde;

e. boekhouden en beginselen der handelswetenschappen;

f. hand- en regtlijnig teekenen.

Door Ons wordt bepaald, wanneer dit voorbereidend onderwijs aan de polytechnische school zal ophouden.

95. Deze wet treedt in werking vóór of op den 1sten Julij 1863. Bestaande voorschriften betreftende middelbaar onderwijs vervallen met de invoering dezer wet.

Bronnen: J.C. Meijer (ed.) Nederlandsche Staatswetten (Sneek 1876)

Terugkeren naar Overzicht pagina costuymen etc.

Terugkeren naar Inhoudsopgave

Laatst bijgewerkt op 17 juli 2009