|
WET TOT REGELING VAN HET ONDERWIJS VAN ‘S RIJKSWEGE IN DE BEELDENDE KUNSTEN. (Vastgesteld den 26sten Mei 1870 en uitgegeven den 4den Junij 1870, Stsbl. no. 78).
Art. 1. Er is eene rijks-akademie van beeldende kunsten, tot hoogere opleiding van kunstenaars bestemd. 2. Aan de akademie wordt onderwijs gegeven in: a. het teekenen naar het menschenbeeld (antiek en levend model); b. de beeldhouwkunst; c. de schilderkunst; d. de graveerkunst; e, de wetenschap van het schoon (aesthetica), vooral in betrekking tot de genoemde kunsten en de bouwkunst; f. de kunstgeschiedenis; g. de ontleedkunde, vooral die van den meusch, in betrekking tot de kunst; h. de doorzigtkunde. 3. Elk, die de lessen wil volgen in de vakken , vermeld onder a-e van art. 2, moet vooraf voldoende blijken geven van bedrevenheid in het teekenen. Dit examen wordt afgenomen door eene commissie, zamengesteld uit een lid der commissie van toezigt, door haar zelve aan te wijzen, als voorzitter, den directeur der akademie en de onderwijzers in de vakken, vermeld onder a-d van art. 2. 4. Behoudens het bepaalde bij het eerste lid van art. 3, heeft elk het regt om de lessen der akademie bij te wonen. Zij, die alle lessen wenschen te volgen , betalen bij den aanvang van elk studiejaar eene som van ƒ 100; zij, die slechts enkele lessen wenschen te volgen, betalen, mede bij den aanvang van het studiejaar, voor lessen, die gegeven worden: eenmaal 's weeks ƒ 10; tweemaal 's weeks ƒ 20; driemaal 's weeks f 30; vier- of meermalen 's weeks ƒ 40. De in dit artikel vermelde gelden worden in 's rijks schatkist gestort. 5. De onderwijzers worden door Ons benoemd, geschorst en ontslagen. Zij voeren den titel van hoogleeraar en genieten uit 's rijks kas eene jaarwedde. Een der hoogleeraren is, met den titel van directeur, met het bestuur der akademie belast. 6. Aan den directeur en de hoogleeraren der akademie wordt ten laste van den staat pensioen verleend, in de gevallen, naar de regelen en ond.er de voorwaarden, voor burgerlijke ambtenaren bij de wet vastgesteld of nader vast te stellen. Zij behooren tot de deelhebbenden in het voor die ambtenaren, bij de eerste afdeeling der wet van 9 Mei 1846 ingesteld pensioenfonds. De diensttijd, krachtens eene vaste aanstelling in eenigerlei rijksbetrekking, alsmede die bij eene openbare inrigting van onderwijs krachtens eene vaste aanstelling van een gemeentebestuur doorge-bragt, is daarbij voor hen geldig. 7. De beambten der akademie worden door Onzen minister van binnenlandsche zaken benoemd, geschorst en ontslagen. Al hetgeen hunnen werkkring, bevoegdheid en verpligtingen betreft, wordt, voor zooverre het niet door deze wet is bepaald, door Onzen minister van binnenlandsche zaken vastgesteld. 8. Het toezigt op de akademie is , onder het oppertoezigt van Onzen minister van binnenlandsche zaken, opgedragen aan eene commissie van vijf leden, door Ons te benoemen. 9. De lessen en verzamelingen der akademie zijn steeds toegankelijk voor de leden der commissie. De directeur en de hoogleeraren zijn steeds gehouden hun de verlangde inlichtingen te geven omtrent al wat de akademie betreft. 10. De commissie ziet toe, dat de bepalingen dezer wet en die, bedoeld bij art. 16, stipt worden nagekomen. Zij doet Ons, jaarlijks vóór den 1sten Maart een beredeneerd verslag omtrent den toestand der akademie in het vorige jaar. Dit verslag wordt aan de staten-generaal medegedeeld. De commissie is bevoegd aan Onzen minister van binnenlandsche zaken de voorstellen te doen, die zij in het belang van het onderwijs noodzakelijk acht. 11. Jaarlijks wordt aan de akademie gelegenheid gegeven tot het afleggen van een examen in de vakken , vermeld onder e-h van art. 2. Dit examen wordt ten overstaan der commissie van toezigt in het openbaar, onder leiding van den directeur, afgenomen door examinatoren, door Onzen minister van binuenlandsche zaken aan te wijzen. 12. Die het examen , in art. 11 vermeld , met goeden uitslag heeft afgelegd, wordt toegelaten tot een wedstrijd in een of meer dei-vakken, vermeld onder b-d van art. 2. Hij, die een examen heeft afgelegd in de vakken, vermeld onder e, f en h van art. 2, en het bewijs levert, dat hij voldoende bekwaamheden bezit in de bouwkunst in het algemeen, wordt tot een wedstrijd in de schoone bouwkunst toegelaten. 13. In elk der in het voorgaande artikel genoemde vakken kan telken jare een prijs en een accessit worden toegekend , bestaande de eerste uit een gouden, het tweede uit een zilveren eerepenning. 14. De zilveren eerepenning kan in hetzelfde kunstvak slechts eenmaal aan denzelfden persoon worden toegekend. Die den gouden eereprijs heeft weggedragen, wordt in hetzelfde kunstvak tot geene mededinging meer toegelaten. 15. Zij, die den gouden eereprijs zijn waardig gekeurd en blijken hebben gegeven van groot talent en buitengewonen aanleg, kunnen, op gemotiveerde aanbeveling van de commissie van toezigt, door Ons hoogstens gedurende vier achtereenvolgende jaren met een jaargeld van ƒ 1200 worden begunstigd, ten einde hen in de gelegenheid te stellen zich in hunne kunst te volmaken. Die ondersteuning wordt telkens voor een jaar verleend. In de Staatscourant geschiedt mededeeling van Ons daartoe strekkend besluit, zoowel als van de aanbeveling der commissie. 16. De verpligtingen van den directeur en de hoogleeraren en de voorschriften omtrent het onderwijs, de examens, de prijskampen en de vierjarige toelage worden, voor zooverre die niet in deze wet zijn omschreven, bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld. 17. Deze wet treedt in werking op het door Ons te bepalen tijdstip. De bestaande voorschriften betreffende de koninklijke akademie van beeldende kunsten vervallen met de invoering dezer wet. Bronnen: J.C. Meijer (ed.) Nederlandsche Staatswetten (Sneek 1876)
|
|
Terugkeren naar Overzicht pagina costuymen etc. Terugkeren naar Inhoudsopgave Laatst bijgewerkt op 17 juli 2009 |