WET

REGELENDE DE ZAMENSTELLING, INRIGTING EN BEVOEGDHEID DER GEMEENTEBESTUREN.

(Vastgesteld den 29sten Junij 1851, Stsb. no. 85.)

EERSTE AFDEELING.

 

Van de zamenstelling en inrigting der gemeentebesturen.

 

TITEL I.

ALGEMEENE BEPALINGEN.

Art. 1. Het bestuur van elke gemeente bestaat uit een raad, een burgemeester en wethouders.

2. In elke gemeente is een secretaris en een ontvanger. De burgemeester kan, met Onze goedkeuring, tot secretaris worden benoemd.

3. Dezelfde persoon kan zijn burgemeester, of secretaris, of ontvanger van meer dan ééne gemeente, mits de bevolking van geene dier gemeenten 5000 zielen te boven ga, de gemeenten aan elkander grenzen en haar gezamenlijk zielental 10,000 niet overtreffe.

De bevolking eener gemeente wordt geacht te bestaan uit het door de laatste openbare volkstelling daarin aangewezen getal inwoners.

TITEL II.

VAN DEN RAAD.

EERSTE HOOFDSTUK.

VAN DE LEDEN VAN DEN BAAD.

 

§ 1.Van hun getal.

Art. 4. De raad, onverschillig of de burgemeester er al dan niet lid van zij, bestaat uit:

7

Leden in gemeenten beneden de

 

 

3.000

zielen

11

Leden in gemeenten van

3.000

tot

6.000

zielen

13

Leden in gemeenten van

6.001

tot

10.000

zielen

15

Leden in gemeenten van

10.001

tot

15.000

zielen

17

Leden in gemeenten van

15.001

tot

20.000

zielen

19

Leden in gemeenten van

20.001

tot

25.000

zielen

21

Leden in gemeenten van

25.001

tot

30.000

zielen

23

Leden in gemeenten van

30.001

tot

35.000

zielen

25

Leden in gemeenten van

35.001

tot

40.000

zielen

27

Leden in gemeenten van

40.001

tot

45.000

zielen

29

Leden in gemeenten van

45.001

tot

50.000

zielen

31

Leden in gemeenten van

50.001

tot

60.000

zielen

33

Leden in gemeenten van

60.001

tot

70.000

zielen

35

Leden in gemeenten van

70.001

tot

80.000

zielen

37

Leden in gemeenten van

80.001

tot

100.000

zielen

39

Leden in gemeenten boven de

 

 

100.000

zielen

§ 2. Van de benoeming der leden van den raad.

Art. 5. De leden van den raad worden gekozen door hen, die op de in art. 6 der wet, regelende het kiesregt, bedoelde lijst van kiezers voor den gemeenteraad zijn gebragt.

Om kiezer van leden van den gemeenteraad te zijn, moet men in de directe belastingen de helft betalen van de som, in de kiezers van leden der tweede kamer van de staten generaal gevorderd.

6. De gemeenten kunnen in afdeelingen, ter inlevering der stembriefjes, worden verdeeld.

In gemeenten van 25,000 zielen en daarboven moet dit geschieden.

Eene plaatselijke verordening, aan gedeputeerde staten mede te deelen, stelt die verdeeling vast.

7. De gewone tijd, ter verkiezing der leden van den raad, is de derde Dingsdag der maand Julij.

Alsdan wordt voorzien in de vervulling van de plaatsen der leden, die met den volgenden eersten Dingsdag van September, volgens den bij art. 27 bedoelden rooster, moeten aftreden.

8. De verkiezing ter vervulling der plaatsen, die door ontslag, overlijden of om eene andere reden openvallen, geschiedt binnen zes maanden na dat openvallen, op den door burgemeester en wethouders te bepalen dag.

9. De verkiezing geschiedt, waar de gemeente in afdeelingen is verdeeld, in alle afdeelingen op denzelfden dag.

10. Bij de eerste stemming wordt niemand benoemd, dan niet volstrekte meerderheid van stemmen.

Bij herstemming, noodzakelijk wanneer die meerderheid bij de eerste stemming niet is verkregen, wordt men benoemd met de meeste stemmen.

Indien de stemmen staken, is de oudste in jaren de benoemde.

In geval van gelijken ouderdom beslist het lot.

11. Wanneer bij eene eerste stemming geene volstrekte meerderheid is verkregen, wordt onmiddellijk door het bureau van stemopneming, waarbij de opening der stembriefjes is geschied, eene lijst opgemaakt, bevattende twee maal zoo veel namen, als er personen te benoemen zijn.

Op de lijst worden gebragt zij, die bij de eerste stemming de meeste stemmen hebben erlangd.

In geval bij de eerste stemming de stemmen tusschen meer dan het in de eerste zinsnede bedoeld getal personen waren verdeeld, worden op de lijst allen gebragt, die aldus de meeste stemmen hebben verkregen.

Deze lijst wordt, met den brief van oproeping, aan de kiezers rondgezonden.

De stemming over de op de lijst vermelde personen geschiedt binnen veertien dagen na de dagteekening van het in art. 67 der wet, regelende het kiesregt, bedoeld procesverbaal.

12. Het bureau van stemopneming, waarbij de opening der stembriefjes is geschied, zendt ten spoedigste aan den benoemde een door den voorzitter en een der stemopnemers geteekend afschrift van het in art. 67 der wet, regelende het kiesregt, bedoeld procesverbaal.

Het zendt hem, is hij bij herstemming gekozen, afschrift zoo van het verbaal der eerste stemming, als van dat der herstemming.

Dit afschrift strekt den benoemde tot geloofsbrief.

13. De benoemde geeft, bij het bekomen van het afschrift, een bewijs van ontvang daarvoor af, en, binnen acht dagen na de dagteekening van dat bewijs, kennis aan burgemeester en wethouders, of hij de benoeming aanneemt.

Hij wordt, laat hij dien tijd zonder kennisgeving voorbijgaan, geacht de benoeming niet aan te nemen.

14. Wanneer een benoemde zijne benoeming niet aanneemt, of de in het vorig artikel bepaalde tijd verstreken is, geschiedt binnen veertien dagen eene nieuwe keuze.

15. De dag voor de, ter verkiezing van een lid van den raad noodige herstemming of nieuwe stemming wordt bepaald door burgemeester en wethouders.

16. Burgemeester en wethouders zorgen, dat gedeputeerde staten van de in art. 12 bedoelde processenverbaal, binnen acht dagen na de dagteekening daarvan, afschrift bekomen, en geven hun kennis van het al of niet aannemen der benoeming door een gekozene en vau den dag, waarop, naar aanleiding der artt. 8 en 14, eene verkiezing zal plaats hebben..

17. De tot lid van den raad benoemde legt, nevens zijn geloofsbrief, aan den raad over:

een uittreksel uit de geboorteregisters, bij gemis daarvan, eene acte van bekendheid, waaruit tijd en plaats zijner geboorte blijken;

eene verklaring van den burgemeester, getuigende, dat hij, gerende het laatste aan zijne verkiezing voorafgaande jaar, zijne woonplaats binnen de gemeente gehad heeft;

eene door hem zelven af te geven verklaring, vermeldende alle openbare betrekkingen, die hij bekleedt.

18. De leden van den raad kunnen ten allen tijde hun ontslag nemen. Het wordt door hen ingezonden aan den raad.

Zij, die hun ontslag hebben ingezonden, blijven leden van den raad , totdat de geloofsbrieven hunner opvolgers zijn goedgekeurd.

§ 3. Van de vereischten voor het lidmaatschap

van den raad en van de hiermede onvereenigbare betrekkingen.

Art. 19. Leden van den raad kunnen alleen zijn de meerderjarige ingezetenen der gemeente, die Nederlanders en in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten zijn.

Voor meerderjarigen worden gehouden zij, die den ouderdom vaa drie en twintig jaren hebben vervuld;

voor ingezetenen zij, die, gedurende het laatste jaar, hunne woonplaats binnen de gemeente hadden;

voor Nederlanders zij , die het zijn volgens de wet, verklarende wie Nederlanders zijn.

20. Die, ter waarneming der hun door Ons of van Onzentwege opgedragen commissiën , verpligt zijn, tijdelijk buiten de gemeente te verblijven, houden daardoor niet op, ingezetenen te zijn, zoolang hun hoofdverblijf binnen de gemeente gevestigd blijft.

21. Bloedverwantschap of zwagerschap in den eersten of tweeden graad mag niet bestaan tusschen den burgemeester en de leden van den raad, noch tusschen de leden onderling.

Die, na zijne benoeming, in den verboden graad van zwagerschap geraakt, behoeft, vóór den afloop van zijn tijd van zitting, niet af te treden.

De zwagerschap houdt op door het overlijden der vrouw, die haar veroorzaakte.

22. Wanneer personen, elkander in den verboden graad van bloedverwantschap of zwagerschap bestaande, te gelijkertijd zijn gekozen, wordt de oudste in jaren voor benoemde gehouden.

In geval van gelijken ouderdom beslist het lot.

23. Het lidmaatschap van den raad is onvereenigbaar met de betrekking van:

a. hoofd van een departement van algemeen bestuur;

b. commissaris des Konings in de provincie;

c. lid der gedeputeerde staten;

d. griffier der staten ;

e. commissaris van politie;

f. ambtenaar, van wege het gemeentebestuur aangesteld, of daaraan ondergeschikt, behoudens de bevoegdheid van den burgemeester, die secretaris der gemeente is, om tevens lid van den raad te zijn;

g. ambtenaar, met het ontvangen of uitgeven der gelden van de gemeente belast, of aan eenige aan het gemeentebestuur ondergeschikte administratie rekenpligtig;

h. geestelijke of bedienaar der godsdienst;

i. onderwijzer voor het lager of middelbaar onderwijs;

k. krijgsman in werkelijke dienst.

De bepaling der zinsnede ƒ is niet van toepassing op de leden van armbesturen, noch op de leden van het bestuur van godshuizen, en andere instellingen van liefdadigheid; noch eindelijk op genees-, heel- of verloskundigen, die met de armenpractijk belast zijn.

24. De leden van den raad mogen:

in regtsgedingen, waarin de gemeente betrokken is, niet als advocaat of procureur werkzaam zijn;

bij het opnemen en goedkeuren der rekening eener aan het gemeentebestuur ondergeschikte inrigting, tot welker bestuur zij behooren, niet tegenwoordig zijn;

noch middellijk, noch onmiddellijk deelnemen aan onderhandsche pacht van gemeentegoederen of inkomsten, aan leveringen of aannemingen ten behoeve der gemeente, aan het koopen van betwiste vorderingen ten haren laste.

25. Een lid van den raad, een der in art. 19 vermelde vereischten verliezende, of eene der in art. 23 uitgestotene betrekkingen aannemende, houdt op lid te zijn. Hij geeft hiervan kennis aan den raad, met vermelding der reden.

De nieuwe keuze geschiedt binnen zes maanden nadat burgemeester en wethouders van het feit kennis hebben bekomen.

Indien de in de eerste zinsnede bedoelde kennisgeving niet is gedaan, en burgemeester en wethouders evenwel meenen eene nieuwe keuze te moeten bevelen, gaan zij hiertoe niet over, dan acht dagen na den belanghebbende te hebben gewaarschuwd.

Het staat dezen vrij, de zaak binnen dien tijd aan den raad te onderwerpen. Op 's raads beslissing zijn dan de artt. 33-37 van toepassing.

De nieuwe keuze geschiedt in dit geval binnen zes maanden na de dagteekening der einduitspraak.

26. Die met art. 24 in strijd handelt, wordt in zijne betrekking geschorst door den raad.

Deze onderwerpt het geval onmiddellijk aan gedeputeerde staten, die den geschorste oproepen om zijne verdediging te hooren, en hem, zoo zij hem schuldig bevinden, van zijn lidmaatschap vervallen verklaren.

Gedeputeerde staten kunnen ambtshalve het raadslid, dat met art. 24 in strijd handelt, na het in zijn belang te hebben gehoord, van zijn lidmaatschap vervallen verklaren.

De belanghebbende kan, gedurende veertien dagen, te rekenen van den dag, waarop hem de uitspraak van gedeputeerde staten is medegedeeld, hiervan bij Ons in beroep komen. Daarbij geldt de bepaling van art. 37.

De van zijn lidmaatschap vervallen verklaarde is, gedurende twee jaren, te rekenen van den dag der einduitspraak, niet tot lid van den raad verkiesbaar.

§ 4. Van den tijd van zitting der leden van den raad.

Art. 27. De leden van den raad hebben zitting gedurende zes jaren.

Een derde van hen treedt om de twee jaren af. met den eersten Dingsdag van September, volgens een daarvan te maken rooster.

De aftredenden zijn dadelijk weder verkiesbaar.

28. Eene plaatselijke verordening, aan gedeputeerde staten mede te deelen, stelt den rooster van aftreding vast.

29. Het lot bepaalt den tijd, waarop elk lid van den raad, naar den rooster, aftreedt.

30. Die ter vervulling eener, buiten den bij den rooster bepaalden tijd opengevallene plaats, tot lid van den raad verkozen is, treedt af op het tijdstip, waarop degeen, in wiens plaats hij is verkozen, moest aftreden.

TWEEDE HOOFDSTUK.

VAN DE VERGADERING VAN DEN RAAD

.

§ 1. Van het onderzoek der geloofsbrieven

en het zitting nemen der nieuw inkomende leden.

Art. 31. De raad onderzoekt de geloofsbrieven der nieuw inkomende leden, beslist de geschillen, welke aangaande die geloofsbrieven of de verkiezing zelve oprijzen, en geeft van elke door hem genomene beslissing terstond kennis aan gedeputeerde staten en daan en benoemde.

De niet toegelatene wordt met de redenen van 's raads beslissing bekend gemaakt.

32. De nieuw inkomenden nemen aan het onderzoek en de beoordeeling hunner eigene geloofsbrieven geen deel en wonen de daarover te houden beraadslaging niet bij.

33. Gedurende acht dagen, te rekenen van den dag, waarop de raad heeft beslist, staat het vrij aan den niet toegelatene, aan elk lid van den raad, en zoo de burgemeester geen lid is, ook aan dezen, tegen de beslissing van den raad bezwaren bij gedeputeerde staten schriftelijk in te dienen.

34. Gedeputeerde staten doen binnen veertien dagen na den in het vorig artikel bepaalden tijd uitspraak, die, met redenen omkleed, terstond wordt medegedeeld aan den raad, tegen wiens beslissing bezwaren zijn ingebragt, en aan den niet toegelatene.

35. Gedeputeerde staten kunnen ook ambtshalve omtrent de beslissing van den raad uitspraak doen.

Zij geven van het voornemen hiertoe aan den raad berigt binnen acht dagen, nadat hun de beslissing is medegedeeld.

Zij brengen binnen veertien dagen, na dat berigt, hunne uitspraak, met redenen omkleed, ter kennis van den raad en van den niet toegelatene.

36. De raad, of de niet toegelatene, die in de uitspraak van gedeputeerde staten niet berust, kan, gedurende veertien dagen, te rekenen van de dagteekening dier uitspraak, hiervan bij Ons in beroep komen.

37. Onze beslissing, zoo spoedig mogelijk, nadat het beroep is gedaan, bij een met redenen omkleed besluit te nemen, wordt aan gedeputeerde staten gezonden, die voor de uitvoering zorgen.

38. De nieuw inkomende leden aanvaarden hunne betrekking niet, alvorens de in art. 33 en art. 35, tweede zinsnede, bepaalde tijd verstreken, of, is de zaak bij gedeputeerde staten of bij Ons aanhangig, door gedeputeerde staten of door Ons hunne toelating bevolen zij.

Ter vervulling der plaatsen van hen, die niet als leden van den raad zijn toegelaten, wordt, zoo in de beslissing van den raad niet is berust, geene nieuwe verkiezing bevolen, alvorens de zaak bij einduitspraak zij afgedaan.

39. Bij het aanvaarden hunner betrekking wordt door de leden van den raad, in de vergadering, in handen van den voorzitter, door ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, de volgende eed of belofte afgelegd:

„Ik zweer (beloof) trouw aan de grondwet en aan de wetten

des rijks, en dat ik de belangen der gemeente ..... met al

mijn vermogen zal voorstaan en bevorderen."

„Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!" („Dat beloof ik!").

Zij worden hiertoe niet toegelaten, dan na den in art. 83 der grondwet bedoelden eed (verklaring en belofte) van zuivering te hebben afgelegd.

§ 2. Van het houden en de orde der vergadering.

Art. 40. De raad vergadert jaarlijks ten minste zes malen, en voorts zoo dikwijls de burgemeester of burgemeester en wethouders het noodig oordeelen, of het in gemeenten beneden de 20,000 zielen door drie, in de overige gemeenten door een vijfde der leden schriftelijk, met opgave van redenen, wordt gevraagd.

41. De vergadering wordt belegd door den burgemeester, die zorgt, dat elk lid schriftelijk daartoe opgeroepen, en het beleggen te gelijk ter openbare kennis gebragt worde.

42. De oproepingsbriefjes worden, spoedeischende gevallen uitzonderd, ten minste tweemaal vier en twintig uren voor het houden der vergadering, aan de leden van den raad bezorgd. Zij vermelden, zooveel mogelijk, de zaken waarvoor de vergadering is belegd.

De raad kan steeds, behoudens de slotbepaling van art. 49, over andere zaken beraadslagen en besluiten.

43. De vergadering wordt in het openbaar gehouden.

De deuren worden gesloten, wanneer het, in gemeenten beneden de 20.000 zielen door drie, in de overige gemeenten door een vijfde der aanwezige leden wordt gevorderd, of de voorzitter het noodig keurt.

De vergadering beslist, of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd.

Over de punten, in besloten vergadering behandeld, kan daarin ook een besluit worden genomen.

De raad kan omtrent het in besloten vergadering behandelde aan allen, die daarbij tegenwoordig waren, de geheimhouding opleggen. Deze wordt in acht genomen totdat de raad haar opheft.

44. In eene beslotene vergadering kan niet beraadslaagd, noch een besluit genomen worden over :

a. de toelating van nieuw benoemde leden;

b. de plaatselijke begrooting en rekening ;

c. het doen van uitgaven, op die begrooting niet voorkomende, of de daarop uitgetrokkene posten te boven gaande;

d. het aanwijzen der middelen tot dekking van zoodanige uitgaven;

e. het invoeren, wijzigen of afschaffen van. plaatselijke belastingen;

f. het aangaan van geldleeningen;

g. het geheel of gedeeltelijk vervreemden en bezwaren van de eigendommen der gemeente;

h. het onderhands verhuren, verpachten of in gebruik geven van gemeenteëigendommen;

i. het onderhands aanbesteden van werken of leverantiën;

k. het aanleggen en opheffen van inrigtingen van openbaar nut.

Het voorschrift van dit artikel belet niet, dat ten allen tijde, wanneer de handhaving der orde zulks mogt vorderen, de voorzitter van de bij art. 66, tweede zinsnede bedoelde bevoegdheid kunne gebruik maken.

45. De leden stemmen elk volgens eed en geweten, zonder last van of ruggespraak met hen, die benoemen.

40. Zij onthouden zich van medestemmen over de zaken die hen, hunne echtgenooten, of hunne bloed- of aanverwanten, tot den derden graad ingesloten, persoonlijk aangaan, of waarin zij als gelastigden zijn betrokken.

47. Zij zijn niet geregtelijk vervolgbaar wegens de stem of meening door hen in de vergadering geuit.

48. De raad mag niet beraadslagen of besluiten, zoo niet de grootste helft van het bij art. 4 bepaald getal leden tegenwoordig is.

49. Wanneer het in het vorig artikel vereischt getal leden niet is opgekomen, wordt eene nieuwe vergadering belegd, op dein art. 42 voorgeschreven wijze. Evenwel behoeven er slechts vier en twintig uren tusschen de rondzending der oproepingsbriefjes en liet uur der vergadering te verloopen.

Wanneer ook dan het vereischt getal niet is opgekomen, geschiedt het beleggen der vergadering andermaal op dezelfde wijze, met aanhaling in de oproepingsbriefjes der bepalingen van dit artikel.

In deze laatste vergadering beraadslagen en besluiten de tegenwoordige leden over de in de oproepingsbriefjes vermelde onderwerpen.

50. Alle besluiten worden door volstrekte meerderheid der stemmende leden opgemaakt.

Bij staking van stemmen wordt het nemen van het besluit tot eene volgende vergadering uitgesteld.

In deze, en evenzoo in eene voltallige vergadering, wordt, bij staken van stemmen, het voorstel geacht niet te zijn aangenomen.

51. Ingeval omtrent het benoemen, of voordragen van personen de stemmen staken, beslist het lot.

52. Over alle zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, doch bij het doen van keuzen of voordragten van personen, bij besloten en ongeteekende briefjes.

53. Het reglement van orde, dat de raad voor zijne vergadering vaststelt, wordt aan gedeputeerde staten medegedeeld.

54. De raad kan vaste commissiën zijner leden belasten met de voorbereiding van hetgeen, waarover hij heeft te besluiten. Hij benoemt er jaarlijks de voorzitters en leden van en doet hunne namen bekend maken.

Hij kan insgelijks, doch alleen op voordragt van burgemeester en wethouders, aan vaste commissiën zijner leden opdragen, burgemeester en wethouders in het beheer van bepaalde takken van de huishouding der gemeente bij te staan.

De leden dezer laatste commissiën, waarvan altijd de burgemeester of een der wethouders voorzitter is, worden jaarlijks benoemd door den raad, die hunne namen doet bekend maken.

55. Eene plaatselijke verordening, aan gedeputeerde staten mede te deelen, regelt den werkkring dier vaste commissiën.

56. Elke commissie dient den raad, burgemeester en wethouders en den burgemeester over de tot haren werkkring behoorende zaken van berigt en raad.

57. De regelen voor het benoemen van andere commissiën van raadsleden, tot uitvoering van een bijzonderen last, worden bij het reglement van orde voor de vergadering van den raad gesteld.

58. De leden van den raad genieten, waar de raad het bepaalt, voor het bijwonen zijner zittingen een presentiegeld, welks bedrag door gedeputeerde staten, nadat de raad is gehoord, wordt vastgesteld.

TITEL III.

VAN DEN BURGEMEESTER.

Art. 59. De burgemeester wordt door Ons, voor den tijd van zes jaren, benoemd.

60. Hij kan ten allen tijde door Ons worden ontslagen.

In geval hij met art. 24, dat ook hem geldt, in strijd handelt, of zich aan wangedrag of merkelijke achteloosheid schuldig maakt, kan hij, zoo de zaak geen uitstel lijdt, door gedeputeerde staten, die daarvan onmiddellijk aan Ons verslag doen, voor ééne maand worden geschorst.

Schorsing van Onzentwege gaat den tijd van drie maanden niet te boven.

61. Niemand is tot burgemeester benoembaar, dan die Nederlander, in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten is, den ouderdom van vijf en twintig jaren heeft vervuld en ingezeten is der gemeente.

Van dit laatste voorschrift kan, in het belang der gemeente, worden afgeweken.

62. De betrekking van burgemeester is, behoudens de bepaling der tweede zinsnede van art. 2, onvereenigbaar met de betrekkingen, die met het lidmaatschap van den raad onvereenigbaar zijn. Zij is bovendien onvereenigbaar met de betrekking van: lid der regterlijke magt, uitgenomen de betrekking van regterplaatsvervanger;

ambtenaar van het openbaar ministerie of van de griffie bij eenig regterlijk collegie;

ambtenaar bij het bestuur van 's rijks directe belastingen;

ambtenaar bij de provinciale griffie;

hoogleeraar of lector bij instellingen van hooger onderwijs;

deurwaarder.

63. De burgemeester kan niet zijn ambtenaar van den waterstaat in werkelijke dienst;

noch ambtenaar bij het bestuur van 's rijks indirecte belastingen;

noch practiserend geneesheer, heel- of vroedmeester;

noch notaris, zaakwaarnemer of procureur.

Hij kan echter, is het in het belang der gemeente noodig, tot vereeniging van eene of meerdere dier betrekkingen met de zijne, door Ons, de gedeputeerde staten gehoord, worden gemagtigd.

64. Het burgemeesterschap ontheft van en is onvereenigbaar met schutterlijke dienst.

65. Alvorens zijne betrekking te aanvaarden, wordt door den burgemeester, op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, in handen van Onzen commissaris in de provincie dezelfde eed of belofte afgelegd, als in art. 39 is voorgeschreven.

Hij wordt hiertoe niet toegelaten, dan na den in art. 83 der grondwet bedoelden eed (verklaring en belofte) van zuivering te hebben afgelegd.

66. De burgemeester is voorzitter van den raad, en heeft daarin, zoo hij geen lid is, eene raadgevende stem.

Hij neemt daarbij de bepalingen van art. 46 in acht.

Hij zorgt voor de handhaving der orde in die vergadering en is bevoegd, wanneer die orde op eenigerlei wijze door de toehoorders wordt verstoord, hen, die dit doen, of alle toehoorders te doen vertrekken.

67. Hij ontvangt en opent alle aan den raad of aan burgemeester en wethouders gerigte stukken.

Hij brengt die terstond ter tafel in de vergadering, waar zij behooren, tenzij die stukken, volgens de orde der vergadering, dadelijk behooren te worden verzonden aan het lid of de leden, meer in het bijzonder met de zaken, waartoe de stukken betrekking hebben, belast.

68. Hij is, in spoedeischende gevallen, bevoegd, het gevorderd voorloopig onderzoek der stukken, alvorens ze ter tafel te brengen, te doen plaats hebben, en geeft daarvan in de eerstkomende vergadering kennis.

Ten behoeve van dit onderzoek zijn alle aan den raad ondergeschikte ambtenaren en besturen verpligt, hem de gevraagde inlichtingen te verstrekken.

69. Hij teekent alle stukken, die van den raad of van burgemeester en wethouders uitgaan.

70. Als hoofd van den raad en van het collegie van burgemeester en wethouders is hij, behoudens de bepaling van art. 179a, met de uitvoering hunner besluiten belast.

Het besluit, dat, naar zijn oordeel, als strijdig met de wet of het algemeen belang, door Ons kan worden geschorst of vernietigd, brengt hij niet ten uitvoer.

Hij geeft van dit gevoelen binnen vier en twintig uren na het nemen van het besluit, kennis aan het collegie dat het nam en aan de gedeputeerde staten, die daarvan terstond aan Ons verslag doen.

Hij is, indien dertig dagen na de dagteekening zijner kennisgeving aan gedeputeerde staten geene schorsing of vernietiging door Ons is bevolen, tot uitvoering verpligt.

71. In alle regtsgedingen, de gemeente betreffende, treedt hij, namens de gemeente, als eischer of verweerder op, en worden de vonnissen en gewijsden voor of tegen hem uitgesproken en ten uitvoer gelegd.

Dit geschiedt, zoo het geding wordt gevoerd tusschen gemeenten, waarover één persoon burgemeester is, in eene dier gemeenten door en tegen dengeen, die, volgens art. 77, den burgemeester vervangt.

72. Hij zorgt, dat elk ingezetene der gemeente, dit vragende, ter secretarie inzage kan nemen en, ten zijnen koste, afschrift kan doen maken van de besluiten van den raad, zoover daaromtrent, volgens art. 43, geene geheimhouding is opgelegd.

73. Hij geniet eene jaarwedde, die door gedeputeerde staten, nadat de raad is gehoord, onder Onze goedkeuring wordt vastgesteld.

Behalve die jaarwedde, geniet hij, onder welke benaming ook, geenerlei inkomen uit de gemeentekas, dan de wedde van secretaris, zoo hij daartoe is benoemd.

74. Hij heeft zijne vaste woonplaats binnen de gemeente, of, is hij burgemeester van meerdere gemeenten, binnen eene dier gemeenten.

Hiervan kan, is het in het belang der gemeenten noodig, door Ons, de gedeputeerde staten, die het gevoelen van den raad inwinnen, gehoord, ontheffing worden verleend.

Hij is in de gemeente , waar hij niet met der woon is gevestigd, op vaste, door gedeputeerde staten te bepalen, openbaar bekend te maken dagen, ten minste eenmaal in de week, voor de ingezetenen te spreken.

75. Hij behoeft verlof van Onzen commissaris, in de provincie, om langer dan acht dagen, van den minister van binnenlandsche zaken, om langer dan eene maand buiten de gemeente zich op te houden.

Dit voorschrift geldt, indien hij burgemeester is van meerdere gemeenten, of de in het vorig artikel bedoelde ontheffing heeft verkregen, ten aanzien zijner woonplaats.

76. Hij draagt de onderscheidingsteekenen, door Ons te bepalen.

77. Bij ongesteldheid, afwezigheid of ontstentenis van den burgemeester wordt hij vervangen door den wethouder, die van de aanwezigen de oudste in jaren is, of, deze ongesteld zijnde, door den daarop in jaren volgenden wethouder.

Indien alle de wethouders ongesteld of afwezig zijn, treedt het oudste lid in jaren van den raad, dat aanwezig is, op. Onze commissaris in de provincie kan echter de tijdelijke waarneming aan een der andere leden van den raad opdragen.

78. Die, buiten het geval van ongesteldheid van den burgemeester, met de waarneming, gedurende meer dan eene maand, onafgebroken is belast geweest, heeft voor dien tijd op de aan de betrekking verbondene jaarwedde aanspraak.

TITEL IV.

VAN DE WETHOUDERS.

Art. 79. De wethouders worden door den raad uit zijn midden benoemd.

In gemeenten van 20,000 zielen en daar beneden zijn twee, in de overige, naar goedvinden van den raad, drie of vier wethouders.

80. Zij worden gekozen voor zes jaren.

De helft treedt om de drie jaren af, met den eersten Dingsdag van September. De aftredenden zijn dadelijk weder verkiesbaar.

81. Het lot bepaalt den tijd, waarop elk der wethouders aftreedt.

82. Die, ter vervulling eener buiten den gewonen tijd opengevallen plaats, gekozen is, treedt af op het tijdstip, waarop degeen, in wiens plaats hij is verkozen, moest aftreden.

83. De gewone tijd, ter verkiezing der wethouders, is de eerste Dingsdag van September.

Alsdan wordt voorzien in de vervulling van de plaatsen van hen, die op dien dag aftreden.

84. De verkiezing ter vervulling der plaatsen, die door ontslag, overlijden, of om eene andere reden openvallen, geschiedt binnen veertien dagen na dat openvallen.

Gaat dit laatste gepaard met het openvallen eener plaats in den raad, dan beginnen de veertien dagen te loopen van den dag, waarop het ter vervulling benoemde lid is toegelaten.

85. De tot wethouder benoemde, die in de vergadering tegenwoordig is, verklaart binnen 24 uren, die niet tegenwoordig is, binnen drie dagen, na ontvangst van het berigt zijner benoeming, of hij die aanneemt.

86. Wanneer een benoemde zijne benoeming niet aanneemt, geschiedt binnen acht dagen eene nieuwe keuze.

87. Die ophoudt lid van den raad te zijn, houdt tevens op wethouder te wezen.

88. De wethouders kunnen ten allen tijde hun ontslag nemen. Het wordt door hen ingezonden aan den raad.

Zij blijven niettemin hunne bediening waarnemen, tot dat hunne opvolgers die hebben aanvaard.

89. De wethouders mogen geen der in art. 62 vermelde betrekkingen met de hunne te gelijk bekleeden, met uitzondering van die in de 5de alinea genoemd.

Eene dier uitgeslotene betrekkingen aannemende, zenden zij terstond hun ontslag in.

Dit nalatende, worden zij door den raad van hunne betrekking vervallen verklaard.

Dit laatste kan insgelijks geschieden, wanneer zij zes achtereenvolgende vergaderingen van burgemeester en wethouders, zonder geldige reden, niet hebben bijgewoond of weigeren de in art. 183 bedoelde inlichtingen aan den raad te geven.

90. De wethouder, die ongesteld, of afwezig, of met de tijdelijke waarneming van het burgemeesterschap belast is, wordt, zoodra noodig, vervangen door een ander lid van den raad, door dezen te benoemen.

Zoodanig lid, buiten het geval van ongesteldheid van den wethouder, gedurende meer dan eene maand onafgebroken met de betrekking belast zijnde, heeft voor dien tijd aanspraak op de jaarwedde en het presentiegeld, daaraan verbonden.

91. De wethouders staan den burgemeester bij in het bestuur der onderscheidene takken van de huishouding der gemeente.

Zij vormen tevens met den burgemeester een collegie.

Op de leden van dit collegie, waarvan de burgemeester voorzitter is, zijn de artt. 46 en 47 van toepassing.

92. Het collegie van burgemeester en wethouders mag niet beraadslagen of besluiten, zoo niet meer dan de helft zijner leden, of, is dit getal oneven, de grootste helft daarvan tegenwoordig is.

Alle besluiten worden bij volstrekte meerderheid van stemmen opgemaakt.

Bij staken van stemmen beslist, zoo het benoemingen of voordragten van personen geldt, het lot, in alle andere zaken de stem van den voorzitter.

93. Het reglement van orde, door het collegie voor zijne vergadering vast te stellen, wordt aan de goedkeuring van den raad onderworpen.

94. Aan de wethouders wordt eene jaarwedde, door gedeputeerde staten, nadat de raad is gehoord, onder Onze goedkeuring vast te stellen, toegelegd. Zij genieten de helft daarvan als vast inkomsten.

De overblijvende helften worden bijeengevoegd en om de drie maanden tusschen hen verdeeld, naar gelang van het getal der vergaderingen, door ieder in dien tijd bijgewoond.

Die, wegens commissiën hem als wethouder opgedragen, is afwezig geweest, behoudt zijne aanspraak op het presentiegeld.

Behalve die jaarwedde, genieten de wethouders, onder welken naam ook, geenerlei inkomen uit de gemeentekas, dan hetgeen verbonden is aan eene andere, hun opgedragen openbare gemeentebediening.

TITEL V.

VAN DEN SECRETARIS.

Art. 95. De secretaris wordt door den raad, die eene aanbeveling van twee personen, door burgemeester en wethouders in te dienen, ontvangt, benoemd, geschorst of ontslagen.

De burgemeester, tot secretaris benoemd, wordt als zoodanig niet dan met Onze goedkeuring geschorst of ontslagen.

96. Niemand is tot secretaris benoembaar, dan die Nederlander, meerderjarig en in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten is.

97. De secretaris mag den burgemeester niet in den eersten of tweeden graad van bloedverwantschap of zwagerschap bestaan.

De zwagerschap houdt op door het overlijden der vrouw, die haar veroorzaakte.

98. Hij mag geene der volgens art. 62 met het burgemeesterschap onvereenigbare betrekkingen te gelijk met zijn ambt bekleeden, uitgenomen die, welke in alinea 5 van dat artikel en in art. 23 ƒ en g worden vermeld.

De bediening van secretaris is met die van ontvanger der zelfde gemeente onvereenigbaar.

In gemeenten echter van 5000 zielen en daar beneden kunnen, onder goedkeuring van gedeputeerde staten, de bedieningen van secretaris en ontvanger door denzelfden persoon worden bekleed, zoo de secretaris geen burgemeester is.

99. Op hem is van toepassing hetgeen hij de tweede en de laatste zinsnede van art. 24 ten aanzien der leden van den raad, en bij de artt. 63 en 74 ten aanzien van den burgemeester is bepaald.

De regel in art. 63, ten aanzien der bekleeding van ambten bij het bestuur van 's rijks indirecte belastingen vastgesteld, strekt zich, wat den secretaris betreft, ook over de ambten bij het bestuur van 's rijks directe belastingen uit.

100. Alvorens zijne bediening te aanvaarden, wordt door hem, op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, in de vergadering van den raad, in handen van den voorzitter, de volgende eed of belofte afgelegd:

„Ik bezweer (beloof), dat ik alle de pligten, die de wet, regelende de zamenstelling, inrigting en bevoegdheid der gemeentebesturen en de door den raad van ..... vastgestelde, of vast te stellen instructie aan het ambt van secretaris hebben verbonden, eerlijk en vlijtig zal vervullen."

„Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!" („Dat beloof ik!").

Hij wordt hiertoe niet toegelaten, dan na den in art. 83 der grondwet bedoelden eed (verklaring en belofte) van zuivering te hebben afgelegd.

101. De secretaris is den raad, burgemeester en wethouders, den burgemeester en de commissie van den raad in alles, wat het hun opgedragen bestuur aangaat, behulpzaam.

102. Door hem worden alle de stukken, die van den raad en van burgemeester en wethouders uitgaan, medeonderteekend.

In de gemeenten, waar de burgemeester tevens met de taak van secretaris is belast, worden die stukken door een der wethouders medeonderteekend.

103. De instructie van den secretaris wordt door den raad vastgesteld en aan gedeputeerde staten medegedeeld.

Hij wordt daarbij inzonderheid ook met de zorg voor het archief, onder toezigt van burgemeester en wethouders, belast.

104. Hij geniet eene jaarwedde, die door gedeputeerde staten , nadat de raad is gehoord, onder Onze goedkeuring, wordt bepaald.

Leges, ter secretarie geheven, worden aan de gemeentekas verantwoord.

105. Bij ongesteldheid, afwezigheid of ontstentenis van den secretaris, wordt hij vervangen op de wijze, bij het reglement vau orde voor de vergadering van den raad te bepalen.

Die, buiten het geval van ongesteldheid van den secretaris, met de waarneming zijner bediening, gedurende meer dan eene maand, onafgebroken is belast geweest, heeft voor dien tijd op de daaraan verbondene jaarwedde aanspraak.

TITEL VI.

VAN DEN ONTVANGER.

Art. 106. De ontvanger wordt door den raad, die eene aanbeveling van twee personen, door burgemeester en wethouders in te dienen, ontvangt, benoemd, geschorst of ontslagen.

107. Op hem is van toepassing hetgeen bij de artt. 96-98, 103 en 104 ten aanzien van den secretaris, bij de tweede en laatste zinsnede van art. 24 ten aanzien der leden van den raad, en bij de artt. 63 en 74 ten aanzien van den burgemeester is bepaald.

Het is hem echter niet verboden ambtenaar bij het bestuur van 's rijks belastingen te wezen.

108. Alvorens zijne betrekking te aanvaarden, wordt door hem, op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, in de vergadering van den raad, in handen van den voorzitter, de volgende eed of belofte afgelegd:

„Ik zweer (beloof), dat ik alle de pligten, die de wet, regelende de zamenstelling, inrigting en bevoegdheid der gemeentebesturen en de door den raad van ..... vastgestelde, of vast te stellen instructie aan het ambt van ontvanger hebben verbonden, eerlijk en vlijtig zal vervullen."

„Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!" („Dat beloof ik!").

Hij wordt hiertoe niet toegelaten, dan na den in art. 83 der grondwet bedoelden eed (verklaring en belofte) van zuivering te hebben afgelegd.

109. De ontvanger stelt voldoenden zakelijken borgtogt, ter waarde van ten minste een tiende van den ontvang, doch van niet minder dan ƒ 100.

Het bedrag van den ontvang wordt berekend naar het gemiddeld, bedrag der inkomsten van de gemeente gedurende de laatste vijf jaren, na aftrek van het genotene uit geldleeningen, teruggaven van voorschotten en verkoopingen van gemeenteëigendommen.

De borgtogt kan, ouder goedkeuring van gedeputeerde staten, beneden het tiende worden gesteld in gemeenten, waar de ontvanger verpligt is, jaarlijks meermalen geregeld te storten.

In gemeenten, waar de geringheid van ontvangst en belooning eene afwijking van den regel schijnt te eischen, kan, onder goedkeuring van gedeputeerde staten, met persoonlijken borgtogt genoegen worden genomen.

110. Vóór de benoeming van den ontvanger wordt de aard en het bedrag van zijn borgtogt door den raad bepaald.

De ontvanger aanvaardt zijn ambt niet, dan na het stellen van zijn borgtogt.

111. De eens gestelde borgtogt wordt, bij aanmerkelijke verhooging of verlaging der inkomsten van de gemeente, naar den regel van art. 109, door den raad verhoogd of verlaagd.

De ontvanger, die, binnen den door den raad bepaalden tijd, de verhooging van zijn borgtogt niet heeft gesteld, wordt beschouwd Zijn ontslag te hebben gevraagd.

112. De acte van borgtogt wordt, ten koste van den ontvanger, voor een notaris verleden.

Zij is alleen aan het vast registratieregt onderworpen.

113. De ontvanger is belast met de invordering van alle de inkomsten en ontvangsten der gemeente en zorgt, dat die behoorlijk geschiede.

114. Door hem geschieden alle betalingen uit de gemeentekas.

Hij betaalt, behalve in het geval, vermeld in art. 225, niet, dan op bevelschriften, die hetgeen te betalen is en den post der begrooting, waaruit de betaling moet geschieden, vermelden, en op de wijze, in art. 224 voorgeschreven, geteekend zijn.

115. Hij doet van de door hem voor de gemeente gedane ontvangsten en uitgaven jaarlijks rekening aan burgemeester en wethouders.

De rekening wordt ingerigt overeenkomstig met de, ten dien aanzien, door gedeputeerde staten, onder Onze goedkeuring, te geven voorschriften.

116. De ontvanger geeft aan burgemeester en wethouders, zoo dikwijls zij het vorderen, inzage in de boeken en kas.

Gedeputeerde staten kunnen, zulks noodig achtende, opneming der kas van hunnentwege gelasten.

117. Ontvanger van meer dan ééne gemeente zijnde, is hij verpligt op vaste, door burgemeester en wethouders te bepalen, openbaar bekend te maken dagen, zich in elke dier gemeenten tot het doen van ontvangsten en uitgaven te begeven.

118. Bij schorsing, ontslag of overlijden van den ontvanger worden door burgemeester en wethouders zijne boeken gesloten, zijne kas opgenomen en die boeken en kas, totdat in de dienst is voorzien, bewaard.

Burgemeester en wethouders maken van het, bij dit sluiten en opnemen bevondene procesverbaal op.

119. Bij ongesteldheid, afwezigheid of ontstentenis van den ontvanger wordt hij vervangen op de wijze, bij zijne instructie te bepalen.

Die, buiten het geval van ongesteldheid van den ontvanger, met de waarneming zijner bediening, gedurende meer dan eene maand, onafgebroken is belast geweest, heeft voor dien tijd op de daaraan verbondene jaarwedde aanspraak.

TWEEDE AFDEELING.

 

VAN DE BEVOEGDHEID DER GEMEENTEBESTUREN.

 

TITEL I.

ALGEMEENE BEPALINGEN.

Art. 120. De gemeentebesturen kunnen de belangen hunner gemeenten en van hare ingezetenen bij Ons, bij de staten generaal en bij de staten der provincie, waartoe zij behooren, voorstaan.

121. Besturen van twee of meer gemeenten kunnen gemeenschappelijke zaken, belangen, inrigtingen of werken, na magtiging en onder goedkeuring van gedeputeerde staten, regelen.

De magtiging en goedkeuring kunnen, indien de gedeputeerde staten ze weigeren, door de besturen van Ons worden gevraagd.

Wanneer de gemeenten in verschillende provinciën liggen, vragen de gedeputeerde staten dier provinciën, alvorens de bedoelde magtiging te verleenen, Onze goedkeuring.

122. De kosten, uit de in het vorig artikel bedoelde regeling voortvloeiende, worden door de kassen der betrokkene gemeenten, naar het belang dat elke er bij heeft, gedragen.

Op de daarover gerezen geschillen zijn de artt. 147 en 161 der provinciale wet van toepassing.

123. De gemeentebesturen hebben het regt, de ter uitoefening hunner bevoegdheid noodige inlichtingen, hetzij door eene commissie uit hun midden te doen inwinnen, hetzij schriftelijk van alle aan hen ondergeschikte ambtenaren en besturen te vorderen.

Indien deze ambtenaren of besturen, na twee malen daartoe te zijn aangeschreven geweest, de inlichtingen terughouden, kunnen deze, na het verstrijken van den te stellen termijn, worden ingewonnen door een of meer leden van het gemeentebestuur, onder persoonlijke aansprakelijkheid der ambtenaren en leden van besturen, welke tot de vertraging hebben medegewerkt, voor de kosten.

124. Over alle zaken, de gemeente betreffende, dienen de gemeentebesturen van berigt en raad aan het departement van binnenlandsche zaken, aan de overige departementen van algemeen bestuur, aan Onzen commissaris in de provincie, aan de staten en aan de gedeputeerde staten.

125. De gemeentebesturen gedragen zich naar hetgeen, in geschillen van bestuur, tusschen gemeente en gemeente, of tusschen gemeente en provincie gerezen, door Ons wordt beslist.

126. Wanneer ter uitvoering van wetten, van algemeene maatregelen van inwendig bestuur, van Onze daartoe betrekkelijke bevelen, en van provinciale reglementen en verordeningen door het gemeentebestuur moet worden medegewerkt, geschiedt dit door burgemeester en wethouders.

Vorderen de wetten, maatregelen, bevelen, reglementen of verordeningen eene bepaalde medewerking van den raad en wordt die door dezen geweigerd, dan voorzien burgemeester en wethouders daarin.

127. Wanneer burgemeester en wethouders niet of niet behoorlijk voor de hun bij het vorig artikel opgedragen uitvoering zorgen, kan Onze commissaris in de provincie, ten koste der nalatigen, in die uitvoering voorzien.

128. Tot vereeniging of splitsing van gemeenten wordt niet overgegaan, dan nadat de bepalingen der artt. 129-132 zijn in acht genomen.

129. De wijze en voorwaarden der vereeniging of splitsing worden, nadat burgemeester en wethouders der betrokkene gemeenten zijn gehoord, ontworpen door gedeputeerde staten, of, zoo de gemeenten in meer dan ééne provincie liggen, door eene commissie uit de gedeputeerde staten dier provinciën.

130. Hierbij wordt in het oog gehouden:

dat, in geval van vereeniging eener gemeente of van een deel daarvan met eene of meer andere gemeenten de bezittingen en lasten van die gemeente of van dat deel komen ten voor- en nadeele der vereeniging, tenzij bijzondere omstandigheden eene andere schikking eischen;

dat, in geval van splitsing eener gemeente, de openbare gebouwen en werken zooveel mogelijk het deel, waarin zij gelegen zijn, volgen;

dat de vruchten, welke de ingezetenen in natura uit een gemeenteëigendom trekken, aan hen, die ze trokken, verblijven.

131. Het ontwerp wordt in elk der betrokkene gemeenten voorgelegd aan het oordeel van den raad en van eene door de kiezers voor den raad, ten zelfden getale, als diens leden, te kiezen commissie uit de ingezetenen, waarin de burgemeester voorzit.

De leden dier commissie worden, op de bij de kieswet bepaalde wijze, buiten de leden van den raad, gekozen, en benoemd met de meeste stemmen. Daarbij gelden de bepalingen der eerste zinsnede van art. 12 en der artt. 13-15.

132. Het gevoelen van den raad en dat van de commissie worden schriftelijk aan gedeputeerde staten uitgebragt en door hen vervolgens met hun advies aan het departement van binnenlandsche zaken ingezonden.

133. Wanneer de wet eene vereeniging of splitsing van gemeenten heeft bevolen, blijven de bestaande plaatselijke verordeningen, ambtenaren en magten in de vereenigde of gesplitste gemeenten voortduren, totdat zij door andere volgens de wet zijn vervangen.

De wet, die de vereeniging of splitsing beveelt, verordent de noodige maatregelen ter verkiezing van den nieuwen raad.

TITEL II.

VAN DE REGELING EN HET BESTUUR VAN DE HUISHOUDING

DER GEMEENTE.

EERSTE HOOFDSTUK.

ALGEMEENE BEPALINGEN.

Art. 134. Aan den raad behoort, met betrekking tot de regeling en het bestuur van de huishouding der gemeente, alle bevoegdheid die niet bij deze of eenige andere wet aan den burgemeester, of aan burgemeester en wethouders is opgedragen.

135. Aan hem behoort het maken van de verordeningen, die in het belang der openbare orde, zedelijkheid en gezondheid worden vereischt en van andere, betreffende de huishouding der gemeente.

136. De raad regelt de bezoldigingen van alle plaatselijke ambtenaren en bedienden, zoover de regeling niet aan gedeputeerde staten is opgedragen; de door die ambtenaren te stellen borgtogten; de geldleeningen en hetgeen verder de geldmiddelen der gemeente aangaat.

Elk besluit tot het doen eener geldleening wijst de middelen aan, waaruit de renten en aflossing der leening zullen worden gevonden.

137. De raad besluit tot het koopen, ruilen of vervreemden, het bezwaren of verpanden van gemeenteëigendommen, het treffen van dadingen daaromtrent, en het aanvaarden der aan de gemeente gemaakte legaten of gedane schenkingen.

138. Hij besluit omtrent het verhuren, verpachten of op eenige andere wijze in gebruik geven der gemeenteëigendommen.

139. Hij besluit tot het verleenen der kwijtschelding, die krachtens de wet, of eene overeenkomst, of op gronden van billijkheid toekomt aan de huurders, pachters of bruikers der gemeenteëigendommen, en aan hen, die hebben aangenomen, ten behoeve der gemeente iets te doen of te leveren.

140. Hij maakt, in overeenstemming met algemeene of provinciale voorschriften, de noodige verordeningen tot verdeeling der gemeente in wijken en tot opmaking van volledige staten der bevolking en harer huizing.

141. Hij beveelt het aanleggen of verbeteren van gemeentewegen, waterleidingen, straten, pleinen, grachten, gebouwen, werken en inrigtingen.

142. Hij kan zich de vaststelling der plannen en voorwaarden van aanbesteding der werken en leverantiën, ten behoeve dar gemeente te doen, voorbehouden.

De aanbesteding geschiedt in het openbaar, behoudens de gevallen, waarin, om bijzondere redenen, onderhandsche aanbesteding in het belang der gemeente ware.

143. De raad beoordeelt en beslist of van wege de gemeente of voor eene harer afdeelingen, die zich in het geval bevindt door art. 217 omschreven, een regtsgeding zal worden gevoerd.

Bij geschil over burgerlijk regt tusschen zoodanige afdeeling en de gemeente of eene andere afdeeling der zelfde gemeente onderwerpt de raad de zaak aan gedeputeerde staten, en benoemen deze, zoo zij tot het voeren van een geding magtigen, uit de ingezetenen der afdeeling eene commissie, daarmede belast.

Elk ingezeten kan, daartoe volgens art. 194 gemagtigd, ten zijnen laste, namens de gemeente een eisch in regten doen, die volgens zijne meening door den gemeenteraad in het belang der gemeente behoorde te zijn gedaan.

144. De raad besluit tot het instellen, afschaffen of veranderen van jaarmarkten of gewone marktdagen.

145. Hij henoemt en ontslaat alle gemeenteambtenaren en bedienden, wier benoeming niet bij deze wet of de plaatselijke verordeningen aan anderen is opgedragen.

146. Hij laat zich jaarlijks verslag doen van den toestand van alle in de gemeente aanwezige godshuizen, gestichten van weldadigheid, genootschappen en andere instellingen van openbaar nut, die niet rijks- of provinciale instellingen, of aan het algemeen of provinciaal bestuur onmiddellijk ondergeschikt zijn.

147. Hij benoemt, zooverre de benoeming niet aan anderen behoort, op de wijze, bij plaatselijke verordeningen te bepalen, de leden en beambten van het bestuur der godshuizen en andere instellingen van liefdadigheid. Hij schorst en ontslaat de door hem benoemden.

148. Zijne goedkeuring wordt vereischt op de begrooting en rekening der godshuizen en andere instellingen van liefdadigheid, die uit de gemeentekas onderstand genieten.

149. De raad benoemd uit zijn midden een of meer personen ter waarneming der betrekking van ambtenaar van den burgerlijken stand.

De burgemeester, ofschoon geen lid van den raad, is tot ambtenaar van den burgerlijken stand benoembaar.

TWEEDE HOOFDSTUK.

VAN DE PLAATSELIJKE VERORDENINGEN.

§ 1. Van de plaatselijke verordeningen in het algemeen.

Art. 150. De plaatselijke verordeningen, waaronder alle voorschriften en beschikkingen van den raad en van burgemeester en wethouders worden verstaan, treden niet in hetgeen van algemeen rijks- of provinciaal belang is.

Bij twijfel, of eene verordening dit deed, verbindt zij, totdat art. 153 is toegepast.

151. De bepalingen van plaatselijke verordeningen, in wier onderwerp door eene wet, een algemeenen maatregel van inwendig bestuur of eene provinciale verordening wordt voorzien, houden van regtswege op te gelden.

152. De plaatselijke verordeningen worden terstond aan gedeputeerde staten, wanneer deze daartoe aanvraag doen, medegedeeld.

153. De plaatselijke verordeningen kunnen, zoover zij met de wetten of het algemeen belang strijden, door Ons worden geschorst of vernietigd.

154. De schorsing of vernietiging wordt door Ons bevolen bij een met redenen omkleed, in het Staatsblad te plaatsen besluit, dat, ingeval van schorsing, den duur hiervan bepaalt.

155. Schorsing stuit onmiddellijk de werking der geschorste bepalingen. Zij kan niet langer duren dan een jaar.

156. Is binnen den voor de schorsing bepaalden tijd de vernietiging der bepalingen door Ons niet uitgesproken, dan worden deze geacht geldig te zijn.

Hiervan geschiedt, zoover het eene afgekondigde verordening betreft, openbare kennisgeving.

157. Bepalingen, die geschorst zijn geweest, kunnen niet op nieuw worden geschorst.

158. Vernietiging van wege strijd met de wet brengt mede vernietiging van alle de gevolgen der vernietigde bepalingen, zoover die nog voor vernietiging vatbaar zijn.

Bij vernietiging van wege strijd met het algemeen belang, kunnen de niet met dat belang strijdige gevolgen in stand blijven.

159. De raad of burgemeester en wethouders zorgen, in geval van geheele of gedeeltelijke schorsing of vernietiging hunner verordeningen, dat aan art. 155 of art. 158 worde voldaan en op nieuw in hetgeen de geschorste of vernietigde bepalingen regelden, voor zooveel noodig is, voorzien.

160. Gedeeltelijke schorsing of vernietiging eener verordening heeft op de geldigheid der in het besluit tot schorsing of vernietiging niet genoemde bepalingen geen invloed.

§ 2. Van de plaatselijke verordeningen tegen

wier overtreding straf is bedreigd, in het bijzonder.

Art. 161. De raad kan tegen overtreding zijner verordeningen, voor zooveel daartegen bij geene wet, algemeenen maatregel van bestuur of provinciale verordening is voorzien, geldboete van één tot vijf en twintig gulden en gevangenisstraf van één tot drie dagen, te zamen of afzonderlijk, bedreigen.

162. De strafverordening bepaalt, in welke gevallen de regter bevoegd of verpligt is, het voorwerp van het misdrijf, en hetgeen uit het misdrijf is voortgesproten, gelijk mede de middelen en de werktuigen, die tot het plegen van het misdrijf hebben gediend of bestemd zijn geweest, verbeurd te verklaren ofte bevelen, dat die voor misbruik ongeschikt gemaakt of vernietigd worden.

163. In geval de overtreder gedurende het laatste jaar voor gelijke overtreding veroordeeld is, of daarvoor vrijwillig de geldboete heeft betaald, kan de regter geldboete en gevangenisstraf tot het dubbel van het voor elk bedreigd maximum uitspreken.

164. De opbrengst der geldboete en verbeurdverklaring komt ten voordeele der gemeente.

165. Bij elke veroordeeling tot geldboete wordt tevens door den regter bepaald, dat, indien daaraan niet is voldaan binnen twee maanden, nadat de veroordeelde tot betaling is aangemaand, de geldboete door gevangenisstraf van ten hoogste drie, en bij herhaling, volgens de bepaling van art. 163, van ten hoogste zes dagen zal worden vervangen.

Nogtans, indien behalve de geldboete ook gevangenisstraf is opgelegd, kunnen de beide gevangenisstraffen te zamen den tijd van zeven dagen niet te boven gaan.

166. De verordeningen, tegen wier overtreding straf is bedreigd, worden, zooveel mogelijk, ontworpen door eene vaste commissie uit den raad, waarvan de burgemeester voorzitter is.

167. Zij worden binnen tweemaal vier en twintig uren, nadat zij door den raad zijn vastgesteld, in afschrift, door den burgemeester en den secretaris te waarmerken, medegedeeld aan gedeputeerde staten.

Gedeputeerde staten geven aan den raad berigt van de ontvangst binnen veertien dagen, nadat hun het afschrift is geworden.

168. Deze verordeningen verbinden niet, dan wanneer zij behoorlijk zijn afgekondigd.

169. De afkondiging geschiedt binnen veertien dagen na de dagteekening van het in art. 167 bedoeld berigt, tenzij dit inhoude, dat gedeputeerde staten de schorsing of vernietiging der verordening aan Ons hebben gevraagd.

170. De verordening, wier schorsing of vernietiging aan Ons is gevraagd, wordt afgekondigd, zoodra Wij hebben verklaard , dat voor schorsing of vernietiging geene redenen bestaan.

Deze verklaring wordt geacht gegeven te zijn, indien, binnen twee maanden na de dagteekening van het in art. 167 bedoeld berigt, geene andere beslissing door Ons is genomen.

171. In spoedeischende gevallen kan de raad besluiten tot het doen afkondigen eener verordening, onmiddellijk nadat zij is vastgesteld.

Hiervan wordt, bij het inzenden van het afschrift der verordening, aan gedeputeerde staten kennis gegeven.

172. De afkondiging geschiedt op de wijze, te bepalen bij eene plaatselijke verordening, die tevens het noodige voorschrift, om van de gedane afkondiging te doen blijken, bevat.

173. Het formulier van afkondiging luidt:

„De burgemeester en wethouders van ..... doen te weten, dat door den raad dier gemeente in zijne vergadering van . . . . . is vastgesteld de volgende verordening:

(titel der verordening)

(inhoud der verordening)"

„Zijnde deze verordening aan de gedeputeerde staten van .....volgens hun berigt van den ..... in afschrift medegedeeld."

„En is hiervan afkondiging geschied, waar het behoort, den" enz.

In het geval, bedoeld bij art. 171, worden de woorden: „volgens hun berigt van den", weggelaten en wordt tusschen de woorden „hiervan" en „afkondiging" het raadsbesluit tot bespoediging dezer laatste vermeld.

Is de verordening, overeenkomstig art. 121, door twee of meer gemeentebesturen gemeenschappelijk vastgesteld, dan wordt dit en tevens de magtiging en goedkeuring hetzij van Ons, hetzij van gedeputeerde staten, op het afgekondigde stuk vermeld.

174. De verordeningen treden, indien zij geen ander tijdstip daartoe aanwijzen, in werking op den derden dag na dien waarop zij zijn afgekondigd.

175. De afgekondigde verordeningen worden, gedurende drie maanden, op de secretarie der gemeente voor een ieder ter lezing nedergelegd. Zij worden hetzij in druk, hetzij in afschrift, tegen betaling der kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld, en medegedeeld aan het kantongeregt, de arrondissementsregtbank en het geregtshof, waaronder de gemeente behoort, en aan het openbaar ministerie bij die collegiën.

Het oorspronkelijke stuk wordt ter secretarie bewaard.

176. Jaarlijks doen gedeputeerde staten in het provinciaal blad eene korte opgaaf plaatsen van de gedurende het vorige jaar door de gemeentebesturen hunner provincie afgekondigde verordeningen.

177. Door de in art. 166 bedoelde commissie, of, waar deze niet bestaat, door burgemeester en wethouders, wordt aanhoudend onderzocht, aan welke van de bepalingen der plaatselijke verordeningen, tegen wier overtreding straf is bedreigd, voortdurende kracht is toe te kennen, en van de uitkomsten van dit onderzoek jaarlijks aan den raad verslag gedaan.

178. Ten minste eenmaal in de vijf jaren verklaart de raad, ten gevolge eener algemeene herziening, welke dier verordeningen nog gelden.

Dit geschiedt bij eene verordening, welke de titels der geldende verordeningen, of de geldende bepalingen der gedeeltelijk afgeschafte verordeningen vermeldt.

Op die verordening zijn de artt. 166-175 van toepassing.

DERDE HOOFDSTUK.

VAN HET DAGELIJKSCH BESTUUR DER GEMEENTE.

§ 1. Van het dagelijksch bestuur in het algemeen.

179. Tot het dagelijksch bestuur der gemeente, aan burgemeester en wethouders opgedragen, behoort:

a. het uitvoeren der verordeningen van den raad;

b. liet beslissen der over die uitvoering gerezen geschillen, tenzij de beslissing aan andereu opgedragen zij;

c. het afkondigen der in art. 166 bedoelde verordeningen;

d. het dienen, overeenkomstig art. 124, van berigt en raad, tenzij dit bepaaldelijk van den raad verlangd worde;

e. het beheeren der inkomsten en uitgaven van de gemeente, zoover dit niet aan anderen is opgedragen;

f. het opnemen der boeken en kas van den ontvanger;

g. het toezien op het beheer en onderhoud van alle plaatselijke werken en eigendommen;

h. de zorg, zoover van hen afhangt, voor de instandhouding, bruikbaarheid, vrijheid en veiligheid der publieke wegen, bruggen, veren , wateren , vaarten , straten, plantsoenen , pleinen en andere plaatsen, tot gemeene dienst van allen bestemd;

i. het vaststellen der plans en voorwaarden van aanbesteding der werken en leverantiën, ten behoeve der gemeente te doen, wier vaststelling de raad niet aan zich voorbehield;

k. de handhaving van de marktpolitie, en van die over de plaatselijke vervoermiddelen;

l. het toezigt op de publieke gezondheidsdienst;

m. het handhaven der politie over het begraven en de begraafplaatsen ;

n. het toezigt op de brandbluschmiddelen;

o. het benoemen en ontslaan der wijk- en brandmeesters;

p. dat der ambtenaren en bedienden bij de plaatselijke secretarie;

q. het schorsen van alle uit de gemeentekas bezoldigde ambtenaren, welker schorsing niet aan anderen is opgedragen;

r. het nemen, alvorens de gemeente tot het voeren van een regtsgeding gemagtigd zij, van alle conservatoire maatregelen, zoo in als uiten regten, en het doen wat noodig is, ter voorkoming van verjaring en verlies van regt of bezit;

s. het behoorlijk voorbereiden, zoover het niet aan anderen is opgedragen, van al hetgeen in den raad ter overweging en beslissing moet worden gebragt;

t. het toezien op het beheer der banken van leening en der godshuizen en andere instellingen van liefdadigheid, waarover door de wet op het armbestuur, den stichtingsbrief of andere verordening, aan het gemeentebestuur toezigt is opgedragen;

u. het geregeld, op onderscheidene tijdstippen in het jaar bezoeken van alle die inrigtingen, en het doen van verslag daaromtrent aan den raad;

v. het houden van een gedurig toezigt op al wat de gemeente aangaat.

180. Onder de uitvoering der verordeningen van den raad behoort de bevoegdheid tot het, des noods ten koste der overtreders , doen wegnemen, beletten of verrigten van hetgeen, in strijd niet die verordeningen, wordt daargesteld, ondernomen of nagelaten.

Spoedeischende gevallen uitgezonderd, geschiedt dit niet, dan nadat de belanghebbende schriftelijk is gewaarschuwd.

181. Het opnemen der boeken en kas van den ontvanger geschiedt ten minste eens in de drie maanden. Procesverbaal wordt daarvan opgemaakt en aan den raad en gedeputeerde staten medegedeeld.

182. Jaarlijks in de maand April doen burgemeester en wethouders aan den raad een uitvoerig en beredeneerd verslag van den toestand der gemeente.

Dit verslag wordt aan gedeputeerde staten medegedeeld.

Het wordt ingerigt in den vorm, door den minister van binnenlandsche zaken, de gedeputeerde staten gehoord, te bepalen en, hetzij in druk, hetzij in afschrift, tegen betaling der kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.

183. De burgemeester en wethouders zijn wegens het dagelijksch bestuur aan den raad verantwoording schuldig, en geven te dien aanzien alle de door den raad verlangde inlichtingen.

§ 2. Van de handhaving der openbare orde in het bijzonder.

Art. 184. In geval van oproerige beweging, van zamenscholing of andere stoornis der openbare orde, is de burgemeester bevoegd, de hulp der schutterij en van het in de gemeente aanwezige of naastbij zijnde krijgsvolk te vorderen.

Hij geeft hiervan terstond kennis aan Onzen commissaris in de provincie.

185. De bevelhebbers van de schutterij en het krijgsvolk voldoen terstond aan de vordering van den burgemeester.

Zij wordt door hem, zooveel mogelijk, schriftelijk gedaan.

186. In het in art. 184 bedoeld geval, is de burgemeester bevoegd, alle bevelen, die hij ter handhaving der orde noodig acht, te geven.

Hij laat tot maatregelen van geweld niet overgaan, dan na het doen der vereischte waarschuwingen.

187. Is het, in zoodanigen toestand, noodig, algemeene voorschriften van politie voor de inwoners uit te vaardigen en onverwijld af te kondigen, de burgemeester is er toe bevoegd. Hij brengt die voorschriften terstond ter kennis van Onzen commissaris in de provincie en, zoo spoedig mogelijk, ter kennis van den raad.

Onze commissaris kan de uitvoering van zoodanige voorschriften schorsen.

De voorschriften vervallen, zoo zij niet door den raad in zijne eerstvolgende vergadering worden bekrachtigd, tenzij de burgemeester ten aanzien van een raadsbesluit tot niet bekrachtiging oordeele te moeten handelen naar de voorschriften der 2de en 3de zinsnede van art. 70.

In geval de burgemeester, of die hem moet vervangen, buiten staat is te handelen, kunnen de noodige voorschriften en bevelen door Onzen commissaris worden uitgevaardigd.

188. De politie over de schouwburgen, herbergen, tapperijen en alle voor het publiek openstaande gebouwen en zamenkomsten, openbare vermakelijkheden en openlijke huizen van ontucht, behoort aan den burgemeester.

Hij waakt tegen het doen van met de openbare orde of zedelijkheid strijdige vertooningen.

189. Bij brand heeft de burgemeester, behoudens de gewone dienstregeling, door plaatselijke verordeningen voorgeschreven, het opperbevel.

190. De commissarissen en dienaren van politie of veldwachters, tevens aan de algemeene of rijkspolitie, onder het daarmede belast gezag, dienstbaar, staan, zooveel de gemeentepolitie betreft, onder de bevelen van den burgemeester.

De gemeentepolitie rust op de plaatselijke verordeningen en bevelen, die, ten gevolge dezer wet, in het huishoudelijk belang der gemeente zijn gegeven.

191. De commissaris van politie wordt door Ons benoemd, geschorst en ontslagen.

Zijne bezoldiging wordt, den raad en de gedeputeerde staten gehoord, door Ons geregeld.

De dienaren van politie worden, op voordragt van den commissaris, aangesteld en ontslagen door den burgemeester, die, in overleg met den commissaris, hun de noodige ambtsinstructie geeft.

Een en ander geschiedt in de gemeenten, waar geen commissaris van politie is, door den burgemeester alleen.

De veldwachters worden, in overleg met den burgemeester, door Onzen commissaris in de provincie, die hunne instructie, in overeenstemming met de algemeene verordeningen, vaststelt, benoemd en ontslagen.

192. Ter handhaving der openbare orde, of in het algemeen belang, kunnen, wanneer de bijstand der plaatselijke beambten of vrijwillige hulp ongenoegzaam is en de plaatselijke middelen het betalen van hulp niet gedoogen, de inwoners der gemeente tijdelijk tot het doen van persoonlijke diensten worden opgeroepen.

193. Eene plaatselijke verordening, aan gedeputeerde staten mede te deelen, regelt den aard en duur dezer diensten, alsmede de gevallen, waarin zij kunnen worden gevorderd. Zij laat, zooveel mogelijk, elk inwoner vrij, de diensten, waartoe hij wordt opgeroepen, door een plaatsvervanger te doen waarnemen, of voor geld, in de gemeentekas te storten, af te koopen.

TITEL III.

VAN DE BESLUITEN DER GEMEENTEBESTUREN, AAN DE

GOEDKEURING DER GEDEPUTEERDE STATEN

TE ONDERWERPEN.

Art. 194. Aan de goedkeuring der gedeputeerde staten worden onderworpen de besluiten der gemeentebesturen, betreffende:

a. het aangaan van geldleeningen;

b. het waarborgen der renten en aflossingen van geldleeningen, door anderen aan te gaan;

c. het koopen, ruilen, vervreemden, bezwaren en verpanden van onroerend goed, van inschrijvingen in een der grootboeken van de nederlandsche schuld, van schuldbrieven of vorderingen;

d. het aanvaarden der aan de gemeente gemaakte legaten of gedane schenkingen;

e. het onderhands verhuren, verpachten, of in gebruik geven van gemeenteëigendommen;

ƒ. het onderhands aanbesteden van werken of leverantiën;

g. het treffen van dadingen;

h. het voeren van regtsgedingen door de gemeente, hetzij in eersten aanleg, hetzij in hooger beroep of cassatie;

i. het berusten in eene tegen de gemeente ingestelde regtsvordering.

Bij geschil tusschen de gemeente en de provincie wordt in de gevallen, bij de drie laatst voorgaande zinsneden bedoeld, het besluit van het gemeentebestuur aan Onze goedkeuring onderworpen.

Bij geschil tusschen de gemeente en den staat wordt in dezelfde gevallen noch Onze goedkeuring, noch die van gedeputeerde staten vereischt.

195. De besluiten der gemeentebesturen tot het instellen, afschaffen of veranderen van jaarmarkten of gewone marktdagen worden aan de goedkeuring der gedeputeerde staten onderworpen, zoover de goedkeuring daarvan niet bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur aan Ons is voorbehouden.

196. Gedeputeerde staten beslissen omtrent de in de beide vorige artikelen bedoelde besluiten binnen dertig dagen na dien , waarop zij hun zijn aangeboden.

197. Zij worden geacht het besluit goed te keuren , waaromtrent zij, binnen den in het vorig artikel gestelden termijn, geene beslissing of geen berigt, de beslissing verdagende, aan het bestuur, dat het besluit nam, hebben ingezonden.

198. Het besluit van gedeputeerde staten, waarbij de goedkeuring van een der in de artt. 194 en 195 bedoelde besluiten geweigerd wordt, is altijd met redenen omkleed.

199. Het voeren van een regtsgeding door de gemeente, zoo in hooger beroep en in cassatie, als in eersten aanleg, wordt door gedeputeerde statea niet toegestaan of geweigerd, dan nadat hun het regtskundig onderzoek, te dien aanzien door het gemeentebestuur in te stellen, is medegedeeld.

200. In geval gedeputeerde staten het besluit van een gemeentebestuur weigeren goed te keuren, kan dit bestuur binnen dertig dagen, te rekenen van de dagteekening der beslissing van gedeputeerde staten, bij Ons voorziening vragen.

201. Onze beslissing, binnen twee maanden, nadat het verzoek om voorziening is gedaan, bij een met redenen omkleed besluit te nemen, wordt aan gedeputeerde staten gezonden, die, met den meesten spoed, voor de uitvoering zorgen.

202. Indien een besluit van gedeputeerde staten, waarbij het besluit van een gemeentebestuur is goedgekeurd, door Ons wordt geschorst of vernietigd, neemt dat bestuur, met betrekking tot de bij zijn besluit behandelde zaak, art. 159 in acht.

TITEL IV.

VAN DE BEGROOTING VAN INKOMSTEN EN UITGAVEN DER

GEMEENTE EN DE DAARTOE BETREKKELIJKE

REKENING EN VERANTWOORDING.

EERSTE HOOFDSTUK.

VAN DE BEGROOTING.

Art. 203. De begrooting der plaatselijke inkomsten en uitgaven wordt, met de noodige inlichting en bescheiden, jaarlijks, vier maanden vóór den aanvang van het jaar, waarvoor zij moet dienen, door burgemeester en wethouders aan den raad aangeboden.

Zij wordt, zoodra zij is aangeboden, op de secretarie der gemeente voor een ieder ter lezing nedergelegd, en hetzij in druk, hetzij in afschrift, tegen betaling der kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.

Van de nederlegging en verkrijgbaarstelling, tussehen welke en de behandeling der begrooting in den raad ten minste veertien dagen moeten verkopen, geschiedt openbare kennisgeving.

204. De begrooting der inkomsten vermeldt alle ontvangsten der gemeente van welken aard ook, en, zooveel mogelijk, het bedrag, waarop elke post in het bijzonder wordt geraamd.

205. Op de begrooting der uitgaven, die alle uitgaven der gemeente, van welken aard ook, vermeldt, worden gebragt:

a, de jaarwedden van den burgemeester, de wethouders, den secretaris, den ontvanger, den commissaris van politie en de overige plaatselijke ambtenaren en bedienden;

b. het presentiegeld der leden van den raad;

c. de kosten van licht, brand en bureaubehoeften, benoodigd voor het gemeentebestuur;

d. de kosten der stukken, die ten behoeve der gemeente geschreven of gedrukt worden;

e. de kosten van het onderhouden, schoonhouden en meubelen van het gebouw of vertrek, voor de vergadering van den raad en van burgemeester en wethouders, mitsgaders voor de secretarie der gemeente bestemd;

f. de huur van dat gebouw of vertrek, waar het geen gemeenteëigendom is;

g. de kosten van het aanleggen en bijhouden der registers van den burgerlijken stand;

h. die van het aanleggen en bijhouden van de dubbelen der leggers en plans van het kadaster;

i. die van het aanleggen en bijhouden der bevolkingsregisters;

k. die van het aanleggen en bijhouden der kiezerslijsten en van het uitoefenen der kiesverrigting, zoo, dat elke gemeente de kosten drage der verrigtingen, waarvoor haar bestuur heeft te zorgen;

l. die van de zorg voor de plaatselijke wegen, straten, pleinen, vaarten, bruggen en andere plaatselijke werken, in den omvang bij art. 179h aangeduid;

m. die van het aanleggen en onderhouden der algemeene begraafplaatsen;

n. die der brandweer;

o. die van het onderhoud der gemeenteëigendommen en de wegens die eigendommen verschuldigde lasten;

p. die der kamers van koophandel en fabrieken;

q. die der plaatselijke gezondheidspolitie;

r. de renten en aflossingen van de door de gemeente aangegane geldleeningen;

s. alle opeischbare schulden der gemeente;

t. de kosten der door de gemeente gevoerde gedingen;

u. de kosten van abonnement op het staatsblad en op het provinciaal blad der provincie;

v. de in art. 122 bedoelde kosten;

w. een post voor onvoorziene uitgaven;

x. alle uitgaven, door bijzondere wetten aan de gemeente opgelegd.

206. De begrooting der inkomsten en uitgaven wordt ingerigt naar voorschriften, door gedeputeerde staten, onder Onze goedkeuring, te geven.

207. Zij behoeft, om te werken, de goedkeuring van gedeputeerde staten.

Zij wordt hun, nadat zij door den raad is vastgesteld, ten minste twee maanden vóór den aanvang van het jaar, waarvoor zij moet dienen, voorgedragen.

208. Gedeputeerde staten beslissen over de begrooting vóór den aanvang van het jaar waarvoor zij moet dienen.

Zij kunnen de beslissing bij een, vóór dien tijd te nemen, met redenen te omkleeden besluit, verdagen.

209. De raad kan, indien gedeputeerde staten de begrooting weigeren goed te keuren, bij Ons voorziening vragen. Daarbij gelden de artt. 200 en 201.

210. Gedeputeerde staten verleenen of onthouden hunne goedkeuring aan de begrooting in haar geheel, gelijk zij door den raad is vastgesteld; behoudens het bepaalde bij art. 212.

211. Is hunne goedkeuring niet verleend aan de begrooting vóór den aanvang van het jaar, waarvoor deze moet dienen, dan magtigen zij het gemeentebestuur, tot op de helft der aangevraagde sommen uitgaven te doen uit die posten der begrooting, waartegen bij hen geene bedenking bestaat.

Zij magtigen daarbij tevens het gemeentebestuur tot ontvang van zoodanige inkomsten, waartegen zij geene bedenking hebben.

212. Wanneer de raad weigert, de door de wet aan de gemeente opgelegde uitgaven op de begrooting van uitgaven te brengen, geschiedt zulks door gedeputeerde staten.

Indien, in dat geval, de plaatselijke inkomsten niet toereikende zijn, en de raad weigert, nieuwe middelen tot dekking voor te dragen, worden de overige, niet bij de wet aan de gemeente opgelegde uitgaven door gedeputeerde staten, bij een in het provinciaal blad te plaatsen besluit, in zoodanige reden verminderd, dat tusschen de plaatselijke inkomsten en uitgaven evenwigt zij.

213. Buiten de begrooting kan geene uitgaaf geschieden, dan met afzonderlijke, voorafgaande magtiging van gedeputeerde staten.

In buitengewone gevallen echter van dringenden spoed kan de raad tot het doen van zoodanige uitgaaf besluiten, mits zijn daartoe te nemen, met redenen te omkleeden besluit terstond aan gedeputeerde staten inzendende. Hij wijst tevens de middelen tot dekking aan.

De uitgaaf, door gedeputeerde staten goedgekeurd, wordt aan de begrooting toegevoegd.

Bij weigering van gedeputeerde staten is art. 209 toepasselijk.

Indien Wij de uitspraak van gedeputeerde staten bevestigen, zijn de leden van den raad, die tot het besluit hebben medegewerkt, persoonlijk voor de uitgaaf aansprakelijk.

214. Af- en overschrijving op de posten der begrooting van uitgaven kan niet geschieden, dan voor zooverre daartoe bij de begrooting zelve, of bij een afzonderlijk, door gedeputeerde staten goedgekeurd besluit van den raad magtiging is verleend.

215. Tot het bevelen der af- en overschrijvingen, waartoe bij de begrooting magtiging werd verleend, behoeven burgemeester en wethouders in elk geval de toestemming van den raad.

216. Op het besluit van gedeputeerde staten, houdende goedkeuring der begrooting, is art. 202 van toepassing

217. In gemeenten, wier afdeelingen of dorpen een afzonderlijk vermogen, afzonderlijke inkomsten of lasten hebben, kan dit onderscheid blijven bestaan.

Buiten de gevallen, waarin de wet, bij vereeniging van gemeenten, zoodanig onderscheid vaststelt, kunnen afzonderlijke lasten en inkomsten, in bijzondere afdeelingen eener gemeente, waar het noodig is, bij een besluit van den gemeenteraad, onder Onze goedkeuring, gedeputeerde staten gehoord, worden toegelaten.

Gedeputeerde staten regelen, onder Onze goedkeuring, het verband dezer afzonderlijke huishoudingen met de algemeene huishouding der gemeente, overeenkomstig het stelsel dezer wet.

TWEEDE HOOFDSTUK.

VAN DE REKENING EN VERANTWOORDING.

Art. 218. Van de inkomsten en uitgaven der gemeente wordt door burgemeester en wethouders, over elk dienstjaar, verantwoording gedaan aan den raad, onder overlegging van de hun door den ontvanger, volgens art. 115 aangebodene rekening, die alle ontvangsten en uitgaven van het dienstjaar vermeldt.

219. Deze rekening wordt, met alle de daarbij behoorende bescheiden, en met vermelding van hetgeen burgemeester en wethouders ter hunner verantwoording dienstig achten, aan den raad overgelegd binnen zeven maanden na afloop van het jaar, waartoe zij betrekking heeft.

Zij wordt te gelijk op de secretarie der gemeente voor een ieder ter lezing nedergelegd, en hetzij in druk, hetzij in afschrift, tegen betaling der kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.

Van de nederlegging en verkrijgbaarstelling geschiedt openbare kennisgeving.

220. De raad onderzoekt de rekening zonder uitstel en stelt het bedrag der ontvangsten en uitgaven voorloopig vast, bij een besluit, waarvan het ontwerp hem, te gelijk met de rekening, wordt aangeboden.

Burgemeester en wethouders zijn bij de beraadslagingen daarover tegenwoordig, doch onthouden zich van medestemming over het besluit.

221. Het besluit van den raad wordt, met de rekening en de daarbij behoorende bescheiden, binnen den termijn, door gedeputeerde staten telkens te bepalen, aan hen opgezonden. Zij sluiten de rekening vóór het einde van het jaar volgende op dat, waartoe zij betrekking heeft, en stellen het bedrag der ontvangsten en uitgaven vast.

Zij gaan hiertoe niet over, dan nadat hun is gebleken, dat de rekening gedurende ten minste veertien dagen op de secretarie ter lezing heeft gelegen.

222. Het besluit van gedeputeerde staten, houdende vaststelling der ontvangsten en uitgaven, strekt, zoover de daarin goedgekeurde ontvangsten en uitgaven betreft, aan den ontvanger en aan burgemeester en wethouders tot ontlasting.

Gedeputeerde staten kunnen den ontvanger of burgemeester en wethouders afzonderlijk ontlasten, zoo zij beider beheer voor geene gelijktijdige goedkeuring vatbaar oordeelen.

223. Op het besluit van gedeputeerde staten, in het vorig artikel bedoeld, is art. 202 van toepassing.

224. De uitgaven uit de plaatselijke kas worden bevolen door burgemeester en wethouders bij bevelschriften, door hunnen voorzitter en een der wethouders te teekenen.

225. In geval tot betaling van hetgeen door de wet aan de gemeente is opgelegd en op hare begrooting gebragt, geene bevelschriften worden afgegeven, kunnen gedeputeerde staten, na den raad te hebben gehoord, onder persoonlijke aansprakelijkheid van hen die er toe medewerkten, bij een besluit de betaling bevelen.

Dat besluit geldt voor den ontvanger als bevelschrift.

226. Burgemeester en wethouders worden wegens uitgaven, door hen bevolen, waardoor het eindcijfer der begrooting of de aangewezen begrootingspost wordt overschreden, of die ter kwader trouw zijn aangewezen op een post, waarmede die uitgaven niet overeenstemmen, tenzij blijke, dat zij tot het bevelen dier uitgaven niet hebben medegewerkt, persoonlijk aansprakelijk jegens de gemeente, indien die uitgaven, bij het in art. 222 bedoeld besluit van Gedeputeerde staten niet onder de uitgaven der gemeente worden opgenomen.

De raad benoemt, wanneer daartoe volgens dit artikel termen zijn, iemand uit zijn midden, met de regtsvervolging tot schadevergoeding belast.

227. Door den raad, door burgemeester en wethouders en door den ontvanger kan tegen de beslissing van gedeputeerde staten omtrent de rekening bij Ons voorziening worden gevraagd.

Daarbij gelden de artt. 200 en 201.

228. De termijnen van verjaring, voor de vorderingen ten laste van het rijk, bij de wet bepaald of te bepalen, zijn op de vorderingen ten laste der gemeente van toepassing.

Burgemeester en wethouders brengen de termijnen, minstens eene maand voor den afloop daarvan, bij openbare kennisgeving in herinnering.

TITEL V.

VAN DE GEMEENTEËIGENDOMMEN, WERKEN EN INRIGTINGEN.

229. De gemeentebesturen zorgen, dat een nauwkeurige staat opgemaakt en bijgehouden worde van hetgeen, naar het burgerlijk regt, eigendom der gemeente is.

Deze staat en de daarin jaarlijks gebragte verandering wordt aan gedeputeerde staten medegedeeld en, hetzij in druk, hetzij in afschrift, tegen betaling der kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.

230. De aan de gemeente behoorende wegen, straten, pleinen, grachten, vaarten, kanalen, bruggen, havens, kaden, wallen en openbare gebouwen mogen niet worden vervreemd, bezwaard of verpand, dan nadat zij door een besluit van den raad verklaard zijn, ter openbare dienst niet meer bestemd te wezen.

Gedeputeerde staten kunnen bevelen, dat in de gemeenten, waar het hun nuttig schijnt, van de gemeentewegen, vaarten en andere, ter dienst van het algemeen bestemde, zaken een staat worde opgemaakt en bijgehouden.

231. Behoudens bestaande wettige verpligtingen van anderen, is het onderhoud der in het vorig artikel bedoelde werken en gebouwen een gemeentelast.

TITEL VI.

VAN PLAATSELIJKE BELASTINGEN.

EERSTE HOOFDSTUK.

ALGEMEENE BEPALINGEN.

Art. 232. Het invoeren, wijzigen of afschaffen eener plaatselijke belasting wordt bepaald bij een besluit van den raad, dat, in geval van invoering of wijziging, de voorwerpen, door de belasting te treffen, haar bedrag en hare grondslagen vermeldt.

233. Dit besluit wordt, binnen acht dagen nadat het is genomen, met al de voorschriften, betreffende de invordering der belasting, voorgedragen aan gedeputeerde staten, die Ons binnen zes weken na de dagteekening van het besluit verslag doen.

234. Onze beslissing omtrent het invoeren, wijzigen of afschaffen eener plaatselijke belasting wordt bekend gemaakt binnen twee maanden, nadat gedeputeerde staten Ons daarover verslag hebben gedaan.

De beslissing kan door Ons, bij een, binnen dien tijd te nemen, met redenen te omkleeden besluit, worden verdaagd.

235. Bij het door Ons te nemen besluit tot goedkeuring der invoering of wijziging eener plaatselijke belasting worden de voorschriften, naar welke zij zal worden ingevorderd, aangehaald.

Zoo de raad in de voorschriften, betreffende de invordering, wijziging brengt, wordt de belasting dienovereenkomstig niet geheven, dan na op nieuw door Ons te zijn goedgekeurd.

236. De door den raad vastgestelde en door Ons goedgekeurde bepalingen, betreffende plaatselijke belastingen, worden, zoo zij met de wetten of het algemeen belang strijdig zijn, op dezelfde wijze, waarop zij zijn gemaakt, onverwijld ingetrokken.

Bij gebreke dier intrekking kunnen zij door eene wet, die tevens, zoo noodig, de gevolgen regelt, worden geschorst of vernietigd.

237. De plaatselijke belastingen mogen den doorvoer, en den uitvoer naar en invoer uit andere gemeenten niet belemmeren.

238. Voor plaatselijke belastingen worden gehouden, of daarmede, wat de toepassing van de artt. 232-237 betreft, gelijk gesteld de in naam der gemeente gevorderde weg-, straat-, brug-, kaai-, haven-, kraan-, sluis-, dok-, boom- en veergelden, wik-, weeg-, meet- en keurloonen, gelden voor banken of staanplaatsen in hallen, op markten en dergelijke openbare plaatsen, begrafenisregten en andere gelden voor het gebruik of genot van openbare gemeentewerken, bezittingen of inrigtingen, en dat van door of van wege het gemeentebestuur verstrekte diensten.

239. Ook op belasting in natura, of verpligting tot arbeid of levering ten behoeve van gemeentewerken, zijn, zooveel de aard der zaak het toelaat, de artt. 232-237 van toepassing.

TWEEDE HOOFDSTUK.

VAN DE BIJZONDERE SOORTEN VAN PLAATSELIJKE BELASTINGEN.

Art. 240. Tot dekking der plaatselijke uitgaven kunnen worden geheven:

opcenten op de hoofdsom der grondbelasting;

opcenten op de hoofdsom der personele belasting;

opcenten op de hoofdsom van andere daarvoor vatbare Rijksbelastingen, direct naar het vermogen of inkomen geheven, met uitzondering van het patentregt;

hoofdelijke omslagen of andere plaatselijke directe belastingen;

belastingen op voorwerpen van verbruik;

eene belasting op de honden;

eene belasting op tooneelvertooningen en andere openbare vermakelijkheden;

de regten, loonen en andere gelden, bedoeld in art. 238.

241. Het getal der opcenten op de grondbelasting kan voor de gebouwde eigendommen tot vijftien, voor de ongebouwde tot tien gaan.

242. De opcenten op de personele belasting en de andere in het 4e lid van art. 240 bedoelde Rijksdirecte belastingen kunnen tot vijf en twintig gaan.

De opcenten op de personele belasting worden, indien zij tot hel maximum van 25 zijn toegestaan, naar gelang van de huurwaarde der perceelen en de bevolking geheven, ten getale als in de achter deze wet gevoegde tabel is aangewezen; en indien het toegestaan cijfer minder dan 25 bedraagt, in dezelfde reden; zóó echter, dat de heffing steeds geschiede bij geheele opcenten.

243. Hoofdelijke omslagen en andere plaatselijke directe belastingen worden geheven naar grondslagen, die voor een redelijken maatstaf van het inkomen der belastingschuldigen te houden zijn.

Als grondslagen kunnen niet uitsluitend worden aangenomen een of meer grondslagen van de personele belasting, of van de andere in de 4de zinsnede van art. 240 bedoelde Rijks directe belastingen.

244. Hoofdelijke omslagen of andere plaatselijke directe belastingen worden niet geheven, alvorens de gemeentopcenten op de grondbelasting, op de gebouwde eigendommen tot tien, op de ongebouwde tot vijf, en de opcenten op de in art. 242 bedoelde Rijksbelastingen tot vijftien zijn opgevoerd.

Zij kunnen echter vroeger worden geheven, zoo het bedrag der op de gemelde belastingen reeds gelegde gemeenteopcenten een vijfde beloopt van hetgeen de gezamenlijke gemeentebelastingen, gemiddeld over de vijf laatste jaren, jaarlijks onzuiver hebben opgebragt.

245. In de hoofdelijke omslagen of andere plaatselijke directe belastingen worden uitsluitend de inwoners der gemeente aangeslagen. Daarin wordt, over een dienstjaar, door hem, die niet dat geheele jaar in de gemeente verbleef, slechts voor zoovele twaalfden gedeeld, als hij maanden in de gemeente heeft vertoefd; doorhem, die geene drie maanden van dat jaar in de gemeente. verbleef, niet bijgedragen.

Gedeelten van maanden worden voor geheele gehouden.

246. Plaatselijke belastingen op voorwerpen van verbruik worden niet geheven, alvorens de gemeenteopcenten op de grondbelasting. het in art. 244 vermelde getal bereikt hebben, en de gemeenteopcenten op de in art. 242 bedoelde Rijksbelasting vijf en twintig bedragen, of deze laatste tot vijftien zijn opgevoerd en in de gemeente eene directe plaatselijke belasting wordt gevorderd, wier bedrag ten minste met tien van die opcenten gelijk staat.

247. Plaatselijke belastingen op voorwerpen van verbruik treffen, zooveel mogelijk, alleen het werkelijk verbruik binnen de gemeente.

248. Het verbruik der voortbrengselen van andere gemeenten wordt niet hooger belast, dan dat der eigene voortbrengselen van de gemeente.

249. Het verbruik van zout, zeep, aardeappelen, varkensvleesch en schapenvleesch wordt niet belast.

250. Het verbruik van voorwerpen, aan Rijksaccijns onderhevig, wordt niet hooger belast, dan de hoofdsom van dien accijns.

Zijn echter de gemeenteopcenten op de grondbelasting tot het in art. 241 vermelde, en die op de in art. 242 bedoelde Rijksdirecte belaslingen tot het daar bepaalde maximum opgevoerd, dan kunnen het gemaal, zoover de tarwe betreft, het geslagt, zooveel de runderen en kalveren aangaat, de wijn en het gedistilleerd hooger worden belast, doch uiterlijk tot anderhalf maal het bedrag van den Rijksaccijns. Waar de plaatselijke gesteldheid eene eigene directe belasting toelaat, moet evenwel de heffing daarvan voorafgaan aan de bedoelde verhooging der opcenten op het gemaal, het geslagt, den wijn en het gedistilleerd.

251. Voorwerpen, dienende tot voortbrengend verbruik in fabrijken of andere ondernemingen van nijverheid worden niet of zoo min mogelijk door plaatselijke belastingen, getroffen.

De regelen omtrent den vrijdom van Rijksaccijnsen wegens die voorwerpen worden bij de plaatselijke belastingen betracht.

252. Bouwmaterialen , benoodigd voor het maken, herstellen of onderhouden van Rijks- of provinciale werken, worden niet belast.

253. Op honden , uitsluitend gehouden ten dienste van den landbouw of eenig bedrijf van nijverheid, of ter bewaking van gebouwen of erven , wordt geene , of eene mindere belasting. dan op andere honden, gelegd.

254. De aan het slot van art. 240 vermelde regten, loonen en gelden worden tot geen hooger bedrag geheven, dan noodig is, om den betaler, naar evenredigheid van het gebruik of genot, dat hij heeft, in de kosten van aanleg, onderhoud, of verstrekking van het door hem gebruikte of genotene te doen dragen.

Poortgelden, wegens de uitoefening of aanvaarding van bedrijven en bedieningen worden in geene gemeente geheven.

255. Bijzondere wetten wijzen de gemeenten aan, in wier belang uit hoofde van bijzondere omstandigheden, van de bij artt. 244, 246, 250 en 254 eerste zinsnede gestelde regels kan worden afgeweken.

256 De voorschriften omtren den vrijdom van plaatselijke belastingen , door vreemde gezanten of consuls, of personen , tot hunne gezantschappen of consulaten behoorende, te genieten, worden door Ons gegeven.

DERDE HOOFDSTUK.

VAN DE INVORDERING DER PLAATSELIJKE BELASTINGEN.

257. De invordering der plaatselijke belastingen wordt geregeld bij plaatselijke verordeningen, overeenkomstig de bepalingen der artt. 258- 269.

258. Tegen hem, die nalaat de door hem verschuldigde plaatselijke belasting vóór of op den verschijndag te betalen, wordt door den ontvanger, dien het aangaat, een dwangbevel afgegeven, medebrengende het regt, om de roerende en onroerende goederen des schuldenaars zonder vonnis aan te tasten.

259. De ontvanger geeft het dwangbevel niet af, dan na den belastingschuldige te hebben gewaarschuwd en vervolgens aangemaand.

Hij kan den nalatigen belastingschuldige, alvorens tegen hem een dwangbevel af te geven, door de inlegering van een krijgsman tot betaling dwingen.

260. De regelen, bij de wet op de invordering van 's rijks directe belastingen gesteld of te stellen, ten aanzien der waarschuwing en aanmaning van den belastingschuldige, der inlegering bij en van het dwangbevel tegen hem, gelden voor de invordering der plaatselijke belastingen.

Daarbij gelden insgelijks de bepalingen dier wet omtrent de kosten van vervolging.

Het dwangbevel door een gemeenteontvanger uitgevaardigd kan in het geheele rijk worden ten uitvoer gelegd.

261. De beteekening van stukken, betreffende vervolging ter invordering van plaatselijke belastingen, geschiedt door een ambtenaar, daartoe door burgemeester en wethouders aan te wijzen.

262. De plaatselijke belasting, die niet binnen driejaren, te rekenen van het tijdstip waarop zij verschuldigd, of waarop de laatste acte van vervolging beteekend was, werd ingevorderd, is verjaard.

263. De opcenten op 's rijks directe belastingen worden, tegelijk met deze, door 's rijks ambtenaren ingevorderd, en vóór het einde van elke maand, volgende op die, waarin zij zijn ontvangen, aan den gemeenteontvanger uitgekeerd.

264. De kohieren der hoofdelijke omslagen en andere directe plaatselijke belastingen, door burgemeester en wethouders voorloopig vastgesteld, worden ter secretarie der gemeente, gedurende ten minste veertien dagen, voor een ieder ter lezing nedergelegd.

Van het nederleggen dier kohieren ter secretarie geschiedt openbare kennisgeving.

265. Na afloop van den in het vorig artikel bedoelden tijd stelt de raad de kohieren vast.

Binnen dien tijd kan elk op de kohieren aangeslagene tegen zijn aanslag bij den raad bezwaren inbrengen.

Hij ontvangt mededeeling van 's raads beslissing en kan gedurende acht dagen na de dagteekening daarvan, bij gedeputeerde staten in beroep komen.

De door den raad vastgestelde kohieren worden ter secretarie gedurende ten minste acht dagen voor een ieder ter lezing nedergeïegd, waarvan openbare kennisgeving geschiedt.

Ieder aangeslagene kan binnen dien tijd tegen zijn aanslag bij gedeputeerde staten in beroep komen.

Gedeputeerde staten doen ten spoedigste uitspraak en deelen die aan den raad en den belanghebbende mede.

Het indienen van bezwaren en instellen van beroep geschiedt bij verzoekschrift op ongezegeld papier.

266. De raad wijzigt de kohieren overeenkomstig de uitspraken van gedeputeerde staten.

De kohieren behoeven de goedkeuring van gedeputeerde staten alvorens uitvoering te kunnen erlangen.

267. De plaatselijke belastingen op voorwerpen van verbruik, waarvan binnen de gemeente een rijksaccijns wordt betaald, worden, zooveel de wijze van invorderen van dezen accijns het toelaat, geheven door middel van opcenten op de hoofdsom van dien accijns.

Deze opcenten worden te gelijk met den accijns, en naar de regelen, omtrent de heffing van deze bij de wet gesteld, ingevorderd.

Op den regel der eerste zinsnede kan, waar het in het belang der gemeente wordt gevorderd, door Ons eene uitzondering worden toegelaten.

268. Ten behoeve der inning van de plaatselijke belastingen wordt niemand in den vervoer van, of de beschikking over zijne goederen meer beperkt, dan ter verzekering der inning noodig is.

269. Niemand wordt tot eenige betaling verpligt wegens de formaliteiten, door hem, ter verzekering der inning van de plaatselijke belastingen, te vervullen.

270. Verzet bij de invordering van plaatselijke belastingen, weigering, verhindering, of belemmering van visitatie, wordt gestraft met geldboete van tien tot honderd gulden.

271. Ontduiking of overtreding ter zake van plaatselijke belastingen, de poging daartoe of de medepligtigheid daaraan, wordt gestraft met:

geldboete;

verbeurdverklaring van hetgeen het voorwerp der ontduiking of overtreding of poging daartoe is geweest;

verbeurdverklaring van hetgeen waarin dat voorwerp was vervat, als vaatwerk, kisten, balen, manden, zakken, en dergelijke.

272. Als boete wordt uitgesproken:

tegen de handelaars, fabrikanten of trafikanten, die een der in het vorig artikel bedoelde misdrijven, ten aanzien van voorwerpen, hun handel, fabrijk of trafijk betreffende, hebben gepleegd, of doen plegen, of gepoogd te plegen of te doen plegen, het zesdubbele van de verschuldigde belasting, doch ten minste vijftig gulden;

tegen bedienden, arbeiders en knechts van handelaars, fabrikanten of trafikanten en tegen alle door dezen bezoldigde personen, welke, zonder last hunner meesters, met betrekking tot de voorwerpen, in de vorige zinsnede bedoeld, een dier misdrijven hebben begaan, of gepoogd te begaan, het vierdubbele van de verschuldigde belasting, doch ten minste vijf en twintig gulden;

tegen andere personen, welke een dier misdrijven hebben begaan, het dubbele der verschuldigde belasting, doch ten minste vijf gulden;

tegen hen, die aan een dier misdrijven medepligtig zijn, het dubbele der verschuldigde belasting, doch ten minste twee gulden.

Bij herhaling dier misdrijven kan de geldboete worden verdubbeld.

273. Bij veroordeeling tot geldboete bepaalt de regter, dat de boete, zoo de veroordeelde haar binnen twee maanden, nadat hij er toe is aangemaand, niet betaalt, zal worden vervangen door gevangenisstraf van ten hoogste

twee maanden, indien meer dan ƒ 200,

eene maand, indien meer dan ƒ100,

veertien dagen, indien meer dan f 50, en

zeven dagen, indien niet meer dan f 50 aan boete is opgelegd.

274. De raad kan hem, die wegens een der in de artt. 270 en 271 bedoelde misdrijven meer dan eenmaal is veroordeeld geweest, gedurende zekeren tijd, doch voor niet meer dan twee jaren, het genot ontzeggen van crediet, of entrepot, of afschrijving of teruggaaf van belasting, hem bijde verordeningen, betreffende de plaatselijke belastingen, toegekend.

275. De processenverbaal van de ambtenaren der plaatselijke belastingen omtrent de in artt. 270 en 271 bedoelde misdrijven worden uiterlijk binnen vier en twintig uren, na ontdekking van het misdrijf, opgemaakt, en zoo bet opmaken niet door hen is geschied op den eed, bij den aanvang hunner bediening afgelegd, binnen twee maal vier en twintig uren na de opmaking voor den kantonregter of zijn plaatsvervanger beëedigd.

276. De ambtenaren der plaatselijke belastingen kunnen ten allen tijde, onder vertoon, des gevorderd, hunner acte van aanstelling, de bij de verordeningen op die belastingen aan hun toezigt onderworpene fabrijken, kelders, winkels, magazijnen en andere dergelijke plaatsen onderzoeken.

Zij kunnen echter de gedeelten dier gebouwen, die ter bewoning dienen, tusschen zons onder- en opgang niet onderzoeken, dan in bijzijn van den burgemeester, of van een der wethouders, of van een commissaris van politie

Woningen, niet tot de gemelde gebouwen behoorende, mogen zij niet binnentreden, dan tusschen zons op- en ondergang, en niet anders, dan in bijzijn hetzij van den burgemeester of van een der wethouders, hetzij van een commissaris van politie, voorzien van een bevel van den burgemeester, hetwelk de commissaris, des gevorderd, vertoont.

277. Bij ontdekking van een der misdrijven, in art. 271 omschreven, worden de goederen, voor verbeurdverklaring vatbaar, aangehaald, ten koste der verliezende partij, opgeslagen en onder bewaring gesteld van den gemeenteontvanger.

Van de goederen wordt, alvorens zij in bewaring worden gesteld, inventaris opgemaakt, in tegenwoordigheid van de eigenaars of belanghebbenden, of in hunne afwezigheid, indien zij, behoorlijk opgeroepen, binnen twee dagen niet verschenen zijn.

278. Aangehaalde goederen worden vrijgegeven, wanneer daarvoor ten genoegen van den gemeenteontvanger borgtogt gesteld, of het bedrag der waarde in zijne kas gestort wordt.

279. Aangehaalde goederen worden, wanneer de verbeurdverklaring daarvan bij regterlijk vonnis is uitgesproken, in het openbaar door een deurwaarder of ander daartoe bevoegd persoon verkocht.

Goed, dat gevaar loopt te bederven, of levend vee kan, op magtiging van den kantonregter, te stellen op het procesverbaal en vrij van zegel en registratie, spoediger worden verkocht.

De opbrengst van den verkoop wordt in de kas van den gemeenteontvanger gestort.

280. De eigenaars van verkeerdelijk aangehaalde goederen, of zij wier belang daarbij is betrokken, hebben aanspraak op schadevergoeding.

Deze kan niet meer bedragen dan één ten honderd van de waarde der goederen in de maand, te rekenen van den dag der aanhaling tot aan dien der teruggave.

Indien verkeerdelijk aangehaalde goederen zijn verkocht, kunnen de eigenaars of belanghebbenden niet meer, dan de opbrengst terugvorderen.

281. De vervolgingskosten, die niet op een bekeurde kunnen worden verhaald, komen ten laste der gemeente.

282. De opbrengst der boeten en verbeurdverklaringen komt ten voordeele der gemeente.

283. De wet van 29 April 1819 is ingetrokken.

OVERGANGSBEPALINGEN.

284. Alle bestaande plaatselijke ambtenaren en magten blijven voortduren, totdat zij door andere, volgens deze wet, zijn vervangen.

285. De burgemeesters worden door Ons binnen twee jaren na de dagteekening dezer wet benoemd.

De eene helft der benoemden treedt af op den 1sten Jannarij 1856, de andere op den 1sten Januarij 1857.

De gemeenten, waar dit geschieden zal, worden door Ons aangewezen.

286. De eerste opmaking der in art. 6 der wet, regelende het kiesregt, bedoelde lijst van kiezers voor den gemeenteraad geschiedt in de eerste helft der maand Julij 1851.

De lijst wordt uiterlijk op den l5den Julij vastgesteld, en uiterlijk op den 25sten Augustus gesloten.

Bij deze opmaking komt alleen in aanmerking de aanslag op de kohieren der directe belastingen, op den 30sten April van dit jaar tot de loopende dienst behoorende.

287. De eerste keuze voor de leden van den raad geschiedt op den tweeden Dingsdag der maand September van dit jaar.

288. Het eerste derde der leden van den raad treedt af met den 1sten Dingsdag van September 1853; de eerste helft der wethouders met den eersten Dingsdag van September 1854.

289. De dag der eerste bijeenkomst van den nieuwen raad wordt voor elke gemeente bepaald door gedeputeerde staten.

290. De instructiën voor den secretaris en den ontvanger, de bepalingen omtrent de orde in de vergadering van den raad, en alle omtrent punten, bij deze wet niet geregeld, geldende voorschriften blijven gelden, totdat zij door andere worden vervangen.

291. Alle bestaande plaatselijke verordeningen, tegen wier overtreding straf is bedreigd, worden binnen vijfjaren na de dagteekening dezer wet met hare voorschriften in overeenstemming gebragt.

Alle plaatselijke belastingen worden binnen dien tijd herzien en aan Onze goedkeuring onderworpen.

Bij gebreke hiervan vervallen, na afloop van dat tijdvak, die verordeningen en belastingen.

292. Totdat daaromtrent bij de wet anders zal zijn voorzien, blijven de bepalingen van art. 45 der wet op de regterlijke organisatie gelden.

293. In gemeenten, geene vijf en twintig kiezers voor den raad tellende, blijft de werking der artt. 4-39, 131 en 132 dezer wet, voor zooveel de benoeming der bij deze laatste artikelen bedoelde commissie betreft, voorloopig geschorst.

De schorsing duurt niet langer dan twee jaren, te rekenen van de dagteekening dezer wet.

Middelerwijl blijven in die gemeenten de aldaar thans geldende bepalingen omtrent de vereischten voor het lidmaatschap van den raad en de hiermede onvereenigbare betrekkingen en omtrent het getal, de benoeming, den tijd van zitting en de beëediging der raadsleden gelden.

SLOTBEPALING.

294. Deze wet verbindt met den dag harer afkondiging.

Bronen: J.C. Meijer (ed.) Nederlandsche Staatswetten (Sneek 1876),

Terugkeren naar Overzicht pagina costuymen etc.

Terugkeren naar Inhoudsopgave

Laatst bijgewerkt op 17 juli 2009