TWEEDE HOOFDSTUK.

VAN DE BIJZONDERE SOORTEN VAN PLAATSELIJKE BELASTINGEN,

ZOOALS DIE ZIJN GEREGELD BIJ WET VAN 7 Julij 1865, Stsb. no. 79.

240. Tot dekking der plaatselijke uitgaven kunnen de gemeentebesturen:

1°. beschikken over ten hoogste vier vijfde gedeelten van de opbrengst der rijksbelasting op het personeel, in hunne gemeente geheven;

2°. de volgende belastingen heffen:

opcenten op de hoofdsom der grondbelasting;

opcenten op de hoofdsom der personele belasting en andere daarvoor vatbare rijksbelastingen, direct naar het vermogen of inkomen geheven, met uitzondering van het patentregt;

hoofdelijke omslagen of andere plaatselijke directe belastingen;

eene belasting op de honden;

eene belasting op tooneelvertooningen en andere openbare vermakelijkheden;

de regten, loonen en andere gelden, bedoeld in art. 238.

241. Belastingen op voorwerpen van verbruik worden niet geheven.

242. Het getal der opcenten op de grondbelasting kan voor de gebouwde eigendommen tot veertig, voor de ongebouwde tot tien

243. Hoofdelijke omslagen en andere plaatselijke directe belastingen worden geheven naar grondslagen, die voor een redelijken maatstaf van het inkomen der belastingschuldigen te houden zijn.

Als grondslagen kunnen niet uitsluitend worden aangenomen een of meer grondslagen van de personele belasting, of van de andere in de zesde zinsnede van art. 240 bedoelde rijks directe belastingen.

244. Vervallen.

245. In de hoofdelijke omslagen of andere plaatselijke directe belastingen worden uitsluitend aangeslagen zij, die in de gemeente hun hoofdverblijf houden, en zij, die er verblijven.

Daarin wordt over een dienstjaar:

door hem, die niet dat geheele jaar in de gemeente zijn hoofdverblijf hield of er verbleef, slechts voor zooveel twaalfden gedeeld, als zijn hoofdverblijf of verblijf in de gemeente maanden heeft geduurd; gedeelten van maanden voor geheele te rekenen;

door hem, die geene drie maanden van dat jaar in de gemeente verbleef, niet bijgedragen;

door hem, die, ter waarneming eener openbare betrekking, in eene gemeente buiten zijn hoofdverblijf tijdelijk vertoeft, in die gemeente niet bijgedragen.

In welke gemeente het hoofdverblijf, waarvoor men steeds in de lasten bijdraagt, gevestigd zij, wordt niet uitsluitend naar de verklaringen, in art. 76 van het burgerlijk wetboek bedoeld , maar naar omstandigheden beoordeeld.

246. Vervallen.

247. Heffing van opcenten op de hoofdsom der personele belasting is niet geoorloofd, tenzij de opcenten op de hoofdsom der grondbelasting tot het in art. 242 genoemd cijfer zijn opgevoerd en een hoofdelijke omslag of andere directe belasting worde geheven, welker opbrengst met het bedrag der te heffen opcenten op de personele belasting minstens gelijk sta.

248-252. Vervallen.

253. Op honden, uitsluitend gehouden ten dienste van den landbouw of eenig bedrijf van nijverheid, of ter bewaking van gebouwen of erven, wordt geene, of eene mindere belasting, dan op andere honden, gelegd.

254. De aan het slot van art. 240 vermelde regten , loonen en gelden worden tot geen hooger bedrag geheven , dan noodig is te achten, om den betaler, naar evenredigheid van het gebruik of genot, dat hij heeft, in de kosten van aanleg, onderhoud of verstrekking van het door hem gebruikte of genotene te doen dragen.

Poortgelden en recognitiën wegens de uitoefening of aanvaarding van bedrijven of bedieningen worden in geene gemeente geheven.

255. Bijzondere wetten, vóór den 1sten Januarij 1866 voor te dragen, wijzen de gemeenten aan, in wier belang, uit hoofde van bijzondere omstandigheden, van de bij art. 241, en art. 254, 1ste zinsnede, gestelde regels kan worden afgeweken.

256. De voorschriften omtrent den vrijdom van plaatselijke belastingen, door vreemde gezanten of consuls, of personen, tot hunne gezantschappen of consulaten behoorende, te genieten, worden door Ons gegeven.

Bron: J.C. Meijer (ed.) Nederlandsche Staatswetten (Sneek 1870)

Terugkeren naar Overzicht pagina costuymen etc.

Terugkeren naar Inhoudsopgave

Laatst bijgewerkt op 17 juli 2009