BESLUIT VAN DEN 28STEN JULIJ 1875

(Inzake Hinderwet 1875 art. 2 I b)

De vergunning, bedoeld in art. l der wet van 2 Junij 1875, wordt, overeenkomstig art. 2, no. I, sub b, dier wet niet vereischt voor het oprigten van de hierna genoemde inrigtingen, als: die, gedreven door stoom werktuigen, bij welke het product van den inhoud van den stoomketel en de spanning tegen zijne wanden het getal twee honderd (200) niet overschrijdt, of van een vermogen van niet meer dan een (1) paardenkraeht; die, gedreven door gaskrachtwerktuigen, van een vermogen van niet meer dan een vierde gedeelte (1/4) van een (1) paardenkracht; die, tot voortbrenging van ijs of koude door ammoniak, aether of zamen geperste lucht; en die, tot vervaardiging van koolzuurhoudende wateren, bij welke het product van den inhoud van den daartoe gebezigden toestel en de spanning tegen zijne wanden het getal zes honderd (600) niet overschrijdt. Voor de toepassing van bovenstaande bepaling wordt de spanning uitgedrukt in atmospheren en de inhoud .in kubieke decimeters. Onder paardenkraeht wordt verstaan de arbeid, vereischt om een last van vijf en zeventig (75) kilogram, in eene (1) seconde, een (1) meter hoog op te heffen.

Bronnen: J.C. Meijer (ed.) Nederlandsche Staatswetten (Sneek 1876)

Terugkeren naar Overzicht pagina costuymen etc.

Terugkeren naar Inhoudsopgave

Laatst bijgewerkt op 17 juli 2009