|
WET TOT REGELING VAN HET TOEZIGT OP DE ONDERSCHEIDENE KERKGENOOTSCHAPPEN. (Vastgesteld den 10den en uitgegeven den 15den September 1853, Stb. no. 102). Art. 1. Aan alle kerkgenootschappen is en blijft de volkomene vrijheid verzekerd, alles, wat hunne godsdienst en de uitoefening daarvan in hunnen eigen boezem betreft, te regelen. De bepalingen betreffende de inrigting en het bestuur worden, voor zooveel zij niet reeds aan Ons bekend zijn gemaakt, binnen eene maand na de afkondiging dezer wet, door de bestuurders of hoofden der kerkgenootschappen aan Ons medegedeeld. Nieuw te maken bepalingen worden mede vóór of bij het in werking brengen daarvan op gelijke wijze ter Onzer kennis gebragt. Voor zooveel er zich onder de bepalingen, bij dit artikel bedoeld, eenige bevindt, welke de medewerking van het staatsgezag vereischt, wordt die medewerking niet verleend, tenzij de bepaling door Ons is goedgekeurd. 2. Vreemdelingen aanvaarden geene kerkelijke bediening, dan na daartoe Onze toestemming te hebben verkregen. Alleen in het belang der openbare orde en rust kan die toestemming geweigerd worden. 3. De titulaturen in de kerkgenootschappen, aan de bedienaren der openbare godsdienst toegekend, geven noch ten opzigte van het wereldlijk gezag, noch ten opzigte van andere kerkgenootschappen, eenige aanspraak, rang of voorregt. In de aanraking met het wereldlijk gezag worden die titelaturen alleen gebezigd met vermelding van den geslachtsnaam der titularissen. 4. De ter aanwijzing van kerkelijk gebied door kerkgenootschappen gebezigde namen van provinciën of gemeenten worden slechts als van kerkelijken aard beschouwd en hebben geen verder gevolg. 5. Synodale vergaderingen en hoofden, die kerkgenootschappen vertegenwoordigen of besturen, behoeven Onze goedkeuring op de plaats van vestiging. Voor zooveel deze goedkeuring bij de afkondiging dezer wet nog niet is verleend, wordt, na met hen gehouden overleg, door Ons, den raad van state gehoord, over de geschiktheid der aangewezene vestigingsplaats uitspraak gedaan. Alleen in het belang der openbare orde en rust en bij een met redenen omkleed en openbaar gemaakt besluit kan eene aangewezen vestigingsplaats als zoodanig door Ons ongeschikt worden verklaard. 6. De bedienaren der openbare godsdienst dragen het gewaad voor kerkelijke plegtigheden of bij de uitoefening van de openbare godsdienst, in hun kerkgenootschap gebruikelijk, niet dan binnen gebouwen en besloten plaatsen, of daar waar de openbare godsdienstoefening , naar het 2de lid van art. 167 der grondwet, is toegelaten. 7. Elke oprigting of inrigting van een gebouw tot uitoefening van de openbare godsdienst, binnen den afstand van twee honderd ellen van eene bestaande kerk, vereischt, in het belang der openbare orde, een onderzoek omtrent de plaats van vestiging. Vóór dat de oprigting of inrigting wordt toegelaten, wordt daar omtrent door het gemeentebestuur beslist. Deze beslissing is vatbaar voor een beroep op gedeputeerde staten, en bij bezwaar ook tegen de beslissing van deze, wordt hunne uitspraak aan Onze eindbeslissing onderworpen. Het besluit door Ons te nemen , na den raad van state te hebben gehoord, wordt met redenen omkleed en openbaar gemaakt. Wanneer de oprigting of inrigting zonder verlof heeft plaats gehad, wordt het gebouw gesloten. 8. Het klokkengelui tot viering van kerkelijke plegtigheden of om de ingezetenen tot de godsdienstoefening op te roepen, kan in gemeenten, waar kerken van meer dan één kerkgenootschap zijn, in het belang der openbare orde en rust door Onzen commissaris in de provincie worden verboden. Klokkengelui tot andere einden heeft geene plaats dan met vergunning der plaatselijke politie. 9. Hij, die aan deze wet niet voldoet, hare voorschriften overtreedt, of elders, dan art. 167 der grondwet toelaat, de openbare fodsdienst uitoefent, wordt verklaard „in strijd met de wet te hebben gehandeld", en veroordeeld in de kosten. 10. De officieren van justitie bij de arrondissementsregtbanken eischen, overeenkomstig met de bepalingen van art. 854 van het wetboek van burgerlijke regtsvordering, voor de regtbank, ter bur gerlijke teregtzitting, de toepassing van het voorgaand artikel. Geene vervolging kan door hen worden ingesteld dan op magtiging van den procureur generaal, onder wiens bevelen zij staan, of op last des regters in de gevallen, voorzien bij art. 31 van het wetboek van strafvordering, en art. 73 van de wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie. 11. Van het vonnis wordt appel, van het arrest cassatie toegelaten. 12. Die, na eenmaal ter zake van overtreding dezer wet te zijn veroordeeld, zich aan herhaling daarvan schuldig maakt, wordt gestraft met schorsing in de uitoefening zijner burgerschapsregten voor den tijd van drie tot tien jaren, en met gevangenis van eene maand tot twee jaren, tezamen of afzonderlijk. 13. De regtsgedingen. krachtens het voorgaand artikel ter zake van herhaalde overtreding gevoerd, worden op de gewone wijze voor den gewonen strafregter behandeld. De vervolging wegens overtredingen van deze wet verjaart door verloop van twee jaren. 14. Bij het in werking komen dezer wet zijn, behoudens de bepalingen der wetten en reglementen, bedoeld in art. 167 der grond wet, afgeschaft de wet van 18 Germinal jaar X en alle andere met de tegenwoordige wet strijdige bepalingen. Bron: J.C. Meijer (ed.) Nederlandsche Staatswetten (Sneek 1870)
|
|
Terugkeren naar Overzicht pagina costuymen etc. Terugkeren naar Inhoudsopgave Laatst bijgewerkt op 17 juli 2009 |