|
WET, HOUDENDE REGELING DER VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE HOOFDEN DER MINISTERIELE DEPARTEMENTEN. (Vastgesteld den 22sten April en uitgegeven den 30sten April 1855, Stb. no. 33). Art. 1. De hoofden der ministeriële departementen zorgen voor de uitvoering der grondwet en der andere wetten, voor zooverre die van de Kroon afhangt. Zij zijn wegens het niet naleven van deze verpligting verantwoordelijk en in regten vervolgbaar overeenkomstig de volgende bepalingen. 2. De medeonderteekening van koninklijke besluiten of koninklijke beschikkingen wijst het hoofd van het ministerieel departement aan, dat voor die besluiten of beschikkingen aansprakelijk is. 3. Strafbaar zijn de hoofden der ministeriële departementen: a. die aan koninklijke besluiten of koninklijke beschikkingen, welke de grondwet schenden, hunne medeonderteekening hebben verleend; b. die gelijke medeonderteekening verleenen aan koninklijke be sluiten of koninklijke beschikkingen, waardoor wetten of algemeene maatregelen van inwendig bestuur van den staat of van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen worden geschonden; c. die uitvoering geven of doen geven aan koninklijke besluiten of koninklijke beschikkingen, niet van de vereischte medeonderteekening van een der hoofden van de ministeriële departementen voor zien; d. die beschikkingen nemen of bevelen geven of bestaande beschikkingen en bevelen handhaven, waardoor de bepalingen der grondwet, van wetten of algemeene maatregelen van inwendig bestuur van den staat of van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen worden geschonden; e. die nalaten uitvoering te geven of te doen geven aan de voorschriften der grondwet, der andere wetten of van algemeene maatregelen van inwendig bestuur van den staat en van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen, voor zoover die uitvoering wegens den aard des onderwerps tot hunne ministeriële departementen behoort of uitdrukkelijk aan hen is opgedragen: De handelingen onder litt. a, b, c en d, en de nalatigheid, onder litt. e bedoeld, zijn alleen dan strafbaar, wanneer zij met opzet zijn gepleegd; f. die, ook zonder opzet, de uitvoering, onder litt. e omschreven, grovelijk verzuimen. 4. De hoofden der ministeriële departementen staan ter vervolging, hetzij van Onzentwege, hetzij van wege de tweede kamer, teregt voor den hoogen raad. 5. Het besluit, waarbij van Onzentwege de vervolging van een der hoofden van ministeriële departementen bevolen wordt, bevat eene naauwkeurige aanduiding der feiten, waarop de beschuldiging van een of meerdere der bij deze wet strafbaar gestelde misdrijven rust, benevens den last op den procureur generaal bij den hoogen raad om de vervolging in te stellen. Afschrift van dit besluit wordt aan de beide kamers der staten generaal medegedeeld. 6. De tweede kamer der staten-generaal, zoodanige mededeeling ontvangen hebbende, neemt harerzijds geene aanklagt tegen denzelf den persoon wegens dezelfde feiten in overweging. 7. Geene aanklagt tegen een der hoofden van de ministeriële departementen wordt bij de kamer in overweging genomen, tenzij door vijf leden schriftelijk en met opgave der feiten ingediend. 8. De kamer overweegt in de afdeelingen, of de aanklagt een onderwerp van nader onderzoek zal uitmaken. De voorzitter geeft van het indienen der aanklagt binnen 24 uren kennis aan den betrokken minister. Het in overweging nemen der aanklagt kan niet vroeger dan acht dagen na deze kennisgeving aan de orde gesteld worden. 9. Wanneer tot het in overweging nemen der aanklagt besloten is, wordt zij gesteld in handen eener commissie van onderzoek, daar toe door de volle vergadering te benoemen. 10. Zij. die de aanklagt hebben ingediend, zijn van deze commissie uitgesloten, doch kunnen door haar, tot het geven van nadere inlichtingen, worden gehoord. 11. De commissie van onderzoek is belast met het opsporen en verzamelen van alle bescheiden, inlichtingen en bewijzen, die tot opheldering van de feiten, in de aanklagt vermeld, kunnen leiden. De bepalingen der wet tot regeling van het regt van onderzoek (enquête) zijn daarbij van toepassing. De bloedverwanten en aangehuwden van den betrokken minister, in de regte linie en tot in den derden graad der zijdlinie, mitsgaders zijne echtgenoot, zelfs na echtscheiding, kunnen niet genoodzaakt worden, verklaringen af te leggen. 12. In iederen stand van het onderzoek is de commissie verpligt den betrokken minister, wanneer hij dit wenscht, te hooren. Hij kan niet genoodzaakt worden voor haar te verschijnen. 13. Zoodra de commissie van onderzoek de aanklagt genoegzaam toegelicht acht, brengt zij over de daarbij aangevoerde feiten verslag uit. Dit verslag wordt aan de afdeelingen verzonden, en over de aanklagt verder geraadpleegd als over een voorstel van wet. 14. Bij de beraadslaging over de aanklagt wordt de betrokken minister, op zijn verlangen, gehoord, en aan hem in ieder geval het laatst het woord gegeven. Hij behoudt dit regt, niettegenstaande hij vóór of gedurende het onderzoek mogt zijn afgetreden. 15. Wanneer eene aanklagt tegen een der hoofden van de ministeriële departementen door de tweede kamer niet in overweging is genomen, kan, bij het opkomen van nieuwe bezwaren, de aanklagt hervat, in ieder geval, van Onzentwege de vervolging van den betrokken minister ter zake derzelfde feiten bevolen worden. Wanneer echter de aanklagt, na gedaan onderzoek en gehouden beraadslagingen, door de tweede kamer verworpen is, kan tegen den betrokken minister wegens dezelfde feiten, noch van Onzentwege, noch van wege de kamer, op nieuw eenig onderzoek ingesteld of eene strafvervolging gelast worden. 16. ledere aanklagt tegen een der hoofden van de ministeriële de partementen wordt geacht verworpen te zijn, wanneer binnen drie maanden, na hare indiening, door de tweede kamer geen eindbesluit is genomen. Wanneer de aanklagt aanleiding geeft tot een onderzoek in de overzeesche bezittingen, kan deze termijn door de tweede kamer tot één jaar verlengd worden. Bij sluiting der zitting van de staten generaal gedurende den loop van het onderzoek, begint, met den dag der opening van de volgende zitting, een nieuwe termijn van drie maanden te loopen. Bij ontbinding der tweede kamer vervalt eene, bij haar aanhangige, aanklagt van regtswege, onverminderd de bevoegdheid tot het doen eener nieuwe aanklagt overeenkomstig art. 7. 17. De stilzwijgende verwerping eener aanklagte, ten gevolge van het verloopen van den termijn, kan niet ingeroepen worden tegen den van Onzentwege gegeven last, om denzelfden persoon wegens dezelfde feiten te vervolgen. 18. De tweede kamer toetst de aangeklaagde feiten aan het regt, de billijkheid, de zedelijkheid en het staatsbelang. Genoegzame gronden tot vervolging vindende, wijst zij, bij haar besluit, de feiten, waarop de beschuldiging rust, naauwkeurig aan, en belast den procureur generaal bij den hoogen raad met de vervol ging, onder toezending, binnen drie dagen, van het besluit met de aanklagt en de verzamelde bescheiden. Afschrift van dat besluit wordt aan Ons en aan de eerste kamer der staten generaal medegedeeld. 19. Na de ontvangst der mededeeling, bij het vorig artikel voorgeschreven, wordt van Onzentwege tegen den aangeklaagden, minister wegens dezelfde feiten geene vervolging gelast. 20. De procureur generaal bij den hoogen raad is verpligt aan den ontvangen last tot vervolging onmiddellijk gevolg te geven. 21. De procureur generaal dit noodig oordeelende, verzoekt van den hoogen raad, met overlegging van den last tot vervolging, de benoeming van eenen raadsheer commissaris. Deze gaat, onmiddellijk na zijne benoeming, over tot het onderzoek der zaak, overeenkomstig de algemeene voorschriften van het wetboek van strafvordering. 22. Bij gegronde vrees voor de vlugt des beklaagden, kan tegen hem, op de vordering van den procureur generaal, een bevel worden uitgevaardigd: van gevangenneming, door den hoogen raad, wanneer geen onderzoek ingevolge art. 21 wordt gehouden, of van voorloopige aanhouding, door den raadsheer commissaris, met dat onderzoek belast. 23. Het art. 77 van het wetboek van strafvordering is op een bevel van voorloopige aanhouding, en, voor zooveel de bevestiging daarvan betreft, op den hoogen raad toepasselijk. Weigert de raadsheer commissaris het gevorderd bevel te verleenen, zoo beslist, op de vordering van den procureur-generaal, de hooge raad. De beklaagde is van regtswege vrij, wanneer niet, binnen zes dagen na zijne aanhouding, het daartoe strekkend bevel door den hoogen raad is bevestigd. 24. In de gevallen der twee voorgaande artikelen raadpleegt de hooge raad met vijf leden in raadkamer. De artt. 90, eerste lid, 94, eerste lid, en 95, eerste lid, van genoemd wetboek zijn op de door hem te geven of te bekrachtigen bevelen toepasselijk. 25. Zoodra de last tot vervolging, bedoeld in art. 20, ontvangen of het onderzoek van den raadsheer commissaris afgeloopen is, maakt de procureur generaal eene acte van beschuldiging op overeenkomstig art. 144, eerste en tweede lid, van het wetboek van strafvordering. 26. Op straffe van nietigheid wordt de acte van beschuldiging beteekend en afschrift daarvan gelaten aan den beschuldigde. De beschuldigde wordt door eenen deurwaarder gedagvaard, om ter openbare teregtzitting van den hoogen raad te verschijnen, minstens veertien dagen na het exploit. Het art. 147 van voornoemd wetboek is op de beteekening en dagvaarding toepasselijk. De voorzitter van den hoogen raad voegt den beschuldigde eenen raadsman toe, naar de onderscheidingen van en overeenkomstig art. 148 of 149 van dat wetboek. 27. Het onderzoek van den hoogen raad ter openbare teregtzitting geschiedt overeenkomstig den Vden titel van het wetboek van strafvordering. De hooge raad is daarbij zamengesteld uit tien raadsheeren. 28. De IXde titel, 2de afdeeling, de Xde en XlIIde titel van hetzelfde wetboek zijn op het onderzoek van den hoogen raad toe passelijk. 29. De schuldig-verklaarde aan het misdrijf, vermeld in art. 3, litt. a, b, c en d, wordt gestraft met verbanning voor den tijd van drie tot tien jaren, of met gevangenis van drie maanden tot drie jaren. De schuldig-verklaarde aan de nalatigheid in art. 3, litt. e, vermeld, wordt gestraft met verbanning van een tot driejaren, of met gevangenis van een tot zes maanden. 30. Bij veroordeeling ingevolge het eerste lid van het voorgaande artikel, verklaart de hooge raad den veroordeelde tevens vervallen van ambten, waardigheden en titels, en van zijne aanspraak op pensioen. 31. Bij veroordeeling ingevolge het tweede lid van art. 29 kan de hooge raad gelijke vervallenverklaring uitspreken. De aanspraak op pensioen kan in dit geval mede aan den veroordeelde worden ontzegd. 32. De schuldig-verklaarde aan de verzuimen, aangewezen in art. 3, lit. f, wordt gestraft met vervallenverklaring van ambten, waar digheden en titels. De aanspraak op pensioen kan in dit geval ook aan den veroordeelde worden ontzegd. 33. Het regt tot vervolging en strafvordering uit kracht dezer wet verjaart door een tijdsverloop van vijf jaren. De tijd van verjaring vangt aan met het oogenblik, waarop het misdrijf gepleegd is. De verjaring wordt gestuit door het besluit, waarbij eene aanklagt door de tweede kamer in overweging genomen of eene vervolging, hetzij van Onzentwege, hetzij vanwege de tweede kamer, gelast is, en begint weder te loopen van de dagteekening dezer besluiten, of, ingeval van vervolging voor den strafregter, van de laatste geregtelijke acte. 34. De straffen, bij arrest van den hoogen raad opgelegd, verjaren door een tijdsverloop van tien jaren. De bijkomende straffen van vervallenverklaring van ambten, waardigheden en titels, en van ontzegging van aanspraak op pensioen, zijn voor geene verjaring vatbaar. 35. De bepalingen van het wetboek van strafregt aangaande ambtsmisdrijven, die bij deze wet niet zijn omschreven, blijven, ook ten aanzien der hoofden van de ministeriële departementen, hare volle toepassing behouden. 36. De regtsvordering tot vergoeding van schade, door een bij deze wet strafbaar gesteld feit geleden, kan alléén op eene veroordeeling door den hoogen raad rusten, en wordt voor den gewonen burgerlijken regter ingesteld. 37. De geldelijke verantwoordelijkheid van de hoofden der ministeriële departementen wordt door eene nadere wet geregeld. Bron: J.C. Meijer (ed.) Nederlandsche Staatswetten (Sneek 1870)
|
|
Terugkeren naar Overzicht pagina costuymen etc. Terugkeren naar Inhoudsopgave Laatst bijgewerkt op 17 juli 2009 |