WET

TOT REGELING VAN HET NEDERLANDSCHE MUNTWEZEN.

(Vastgesteld den 26sten November 1847 en uitgegeven den 8sten December 1847 (Stsbl. no. 69).

Art. 1. 's Rijks muntspeciën zijn standpenningen, pasmunt en negotiepenningen.

2. De standpenningen zijn de volgende zilveren muntstukken: de gulden, zijnde de eenheid van het Nederlandsche muntstelsel, de rijksdaalder of het stuk van tweeëneenhalve gulden, de halve gulden of het stuk van vijftig cents.

3. Zilveren pasmunt zijn:

het stuk van vijf en twintig cents,

het stuk van tien cents,

het stuk van vijf cents.

Art. 4. Koperen pasmunt zijn:

de cent of het honderdste gedeelte van den gulden,

de halve cent.

5. De negotiepenningen zijn: de gouden Willem, de gouden dukaat,

van beide deze stukken kunnen dubbele geslagen worden en van het eerste stuk ook halve.

6. De gulden bevat negen wigtjes, vierhonderdvijftig duizendsten van een wigtje fijn zilver.

Het gewigt van den gulden is tien wigtjes, met eene ruimte van drie duizendsten van dat gewigt, zoowel boven als beneden hetzelve.

Het gehalte is negenhonderdvijfenveertig duizendsten (0,945), met eene ruimte van anderhalf duizendsten, zoowel boven als be neden dat gehalte.

7. Het gewigt van den rijksdaalder is vijfentwintig wigtjes,

van den halven gulden vijf wigtjes,

van het stuk van vijfentwintig cents drie wigtjes vijfhonderdvijfenzeventigduizendsten van een wigtje,

van het stuk van tien cents een en vierhonderdduizendsten van een wigtje,

van het stuk van vijf cents zeshonderdvijfentachtigduizendsten van een wigtje.

De ruimte in gewigt is, voor den rijksdaalder tweeduizendsten , voor den halven gulden vijfduizendsten, voor het stuk van vijfentwintig cents zesduizendsten, voor het stuk van tien cents tienduizendsten, en voor het stuk van vijf cents twaalfduizendsten gedeelten van het gewigt voor elk stuk bepaald, zoowel boven als beneden dat gewigt.

8. Het gehalte van den rijksdaalder en van den halven gulden is aan dat van den gulden gelijk en dezelfde ruimte wordt voor het zelve toegestaan.

Het gehalte der zilveren pasmunt is zeshonderdveertigduizendsten (0,640), met eene ruimte van vier duizendsten zoowel boven als beneden dat gehalte.

9. Het gewigt van den cent is drie wigtjes, achthonderdvijfenveertigduizendsten van een wigtje, dat van den halven cent een wigtje, negenhonderdtweeentwintigduizendsten van een wigtje; beide worden vervaardigd uit zuiver koper.

Op deze stukken wordt eene ruimte in het gewigt toegestaan van een vijftigste gedeelte van het gewigt van elk stuk. zoowel boven als beneden hetzelve.

10. De beeldenaar der standpenningen is als volgt:

op de voorzijde 's Konings borstbeeld, tot omschrift voerende den naam des Konings, met de woorden: Koning der Nederlanden, Groot Hertog van Luxemburg, met zoodanige verkortingen als de grootte der stukken vereischt;

op de keerzijde het wapen des rijks, tusschen de aanduiding der geldswaarde: 2'/2 G, 1 G, en '/2 G, tot omschrift voerende: Munt van het Koningrijk der Nederlanden, met de noodige verkortingen en het jaartal.

Op de stukken van eenen gulden en eenen halven gulden staat onder het wapen: 100 cents en 50 cents, met zoodanige verkortingen als noodig wordt bevonden.

Gemelde stukken worden gemunt in den ring.

De rijksdaalder en de gulden hebben tot randschrift de woorden: God zij met ons.

De halve gulden wordt met eenen staanden kartelrand gemunt.

11. De beeldenaar der zilveren pasmunt is aan de voorzijde 's Konings borstbeeld met een omschrift gelijk aan dat der standpenningen, en aan de keerzijde 25, 10 en 5 cents, tusschen twee eiken takken, benevens het jaartal.

Deze stukken worden in den ring gemunt, met een staanden kartelrand.

12. De beeldenaar der koperen pasmunt is, aan de voorzijde de gekroonde naamletter des Konings, benevens het jaartal, en aan de keer zijde het wapen des rijks, tusschen de cijfers l C en '/2 C.

Deze stukken worden in den ring gemunt.

13. De gouden Willem bevat zes wigtjes, zesenvijftigduizendsten van een wigtje fijn goud.

Het gewigt van den gouden Willem is zes wigtjes, zevenhonderdnegenentwintigduizendsten van een wigtje, met eene ruimte van anderhalf duizendste gedeelte van dat gewigt, zoowel boven als beneden hetzelve.

Het gewigt van den dubbelen gouden Willem is dertien wigtjes, vierhonderdachtenvijftig duizendsten van een wigtje, met eene ruimte van eenduizendste van dat gewigt zoowel boven als beneden hetzelve.

Het gewigt van den halven gouden Willem is drie wigtjes, driehonderdvierenzestigeneenhalfduizendsten van een wigtje, met eene ruimte van tweeduizendste van dat gewigt, zoowel boven als beneden hetzelve.

Het gehalte van den gouden Willem, alsmede dat van den dubbelen en halven, is negenhonderdduizendsten (0,900), met eene ruimte van een half duizendste, zoowel boven als beneden hetzelve.

14. De beeldenaar van den gouden Willem is als volgt:

op de voorzijde 's Konings borstbeeld, tot omschrift voerende den naam des Konings, met de woorden: Koning der Nederlanden, Groot Hertog van Luxemburg, met zoodanige verkortingen als de grootte van het stuk vereischt,

op de keerzijde het wapen des rijks, tusschen twee eikentakken, hebbende tot omschrift, aan de eene zijde van het wapen de cijfers 6w729 en aan de andere zijde 0,900, met het jaartal boven het wapen.

De beeldenaar van den dubbelen en halven gouden Willem is aan dien van den enkelen gelijk, met dien verstande echter, dat op de wapenzijde de cijfers 6w729 voor het eerste stuk door 13w458 en voor het laatste door 3w3645 vervangen worden.

Deze stukken worden gemunt in den ring.

De enkele en dubbele gouden Willem hebben tot randschrift de woorden: God zij met ons.

De halve gouden Willem heeft eenen staanden kartelrand.

15. De gouden dukaat bevat drie wigtjes, vier honderdvierendertigeneenhalfduizendsten van een wigtje fijn goud.

Het gewigt van den gouden dukaat is drie wigtjes, vierhonderdvierennegentigduizendsten van een wigtje, met eene ruimte van anderhalfduizendste gedeelte van dat gewigt, zoowel boven als beneden hetzelve.

Het gewigt van den dubbelen dukaat is zes wigtjes, negenhonderdachtentachtigduizendsten van een wigtje, met eene ruimte van eenduizendste van dat gewigt, zoowel boven als beneden hetzelve.

Het gehalte zoowel van den enkelen als van den dubbelen gouden dukaat is negenhonderddrieentachtigduizendsten (0,983), met eene ruimte van een half duizendste, zoowel boven als beneden hetzelve.

16. De beeldenaar van den enkelen en dubbelen gouden dukaat is:

op de voorzijde een geharnaste man, tusschen het jaartal, met het omschrift: Concordia res parvae crescunt, en

op de keerzijde, binnen een vierkant: Mo. Aur. Reg. Belgii ad legem imperii.

Deze stukken worden op den vrijen stempel gemunt en hebben eenen kartelrand.

17. De middellijnen der verschillende muntspeciën worden door Ons bepaald bij een in het Staatsblad te plaatsen besluit.

18. Het staat ieder vrij de zilveren standpenningen en de gouden negotiepenningen te doen munten in 's rijks munt, wanneer geene werkzaamheden voor het rijk zulks verhinderen.

De muntmeester is niet verpligt partijen goud beneden de honderd Nederlandsche ponden, noch partijen zilver beneden de duizend Nederlandsche ponden aan te munten.

Door Ons wordt het muntloon, hetwelk door bijzondere personen wordt voldaan, vastgesteld bij een in het Staatsblad te plaatsen besluit.

De zilveren en koperen pasmunt wordt alleen voor rekening van het rijk geslagen.

19. In de Staatscourant wordt jaarlijks medegedeeld hoeveel van elke muntspecie in het laatstvoorgaande jaar aan 's rijks munt voor het rijk, en hoeveel voor bijzondere personen is aangemunt geworden.

20. De negotiepenningen zijn geen wettig betaalmiddel.

Niemand is verpligt zilveren pasmunt tot een hooger bedrag dan van tien gulden, of koperen pasmunt tot een hooger bedrag dan van één gulden, in betaling aan te nemen.

21. Geene nagemaakte of valsche muntspeciën, noch ook munt speciën naar deze wet of naar de wet van den 28sten September 1816 (Stsbl. no. 50) en latere wetten vervaardigd, wanneer die eenigzins vervalscht, in waarde verminderd, verminkt of geschonden zijn, worden in 's rijks schatkist aangenomen en is niemand gehouden dusdanige muntspeciën aan te nemen.

22. De muntspeciën in het vorige artikel vermeld, in vervalschten, in waarde verminderden, verminkten of geschonden toestand aan de landskantoren aangeboden, worden aldaar, evenzeer als alle nagemaakte en valsche muntspeciën, aangehouden, en na het afgeven van bewijs der aanhouding, aan raden en generaalmeesteren der munt opgezonden; om na onderzoek of, en na uitspraak dat dezelve zich werkelijk in zoodanigen toestand bevinden, te worden doorgesneden en alzoo aan de aanbieders te worden teruggegeven.

Op dezelfde wijze wordt door raden en generaalmeesteren der munt gehandeld ten opzigte van alle muntspeciën, welke aan hun onderzoek worden onderworpen, wanneer die in onvoldoenden toestand zijn bevonden.

23. Vóór den 31sten December 1850 worden nadere wettelijke bepalingen gemaakt omtrent de gouden stukken van tien en vijf gulden, volgens de wetten van 28 September 1816 en 22 December 1825 gemunt.

Die muntspeciën blijven wettig betaalmiddel, zoo lang de bij het vorige lid bedoelde wettelijke bepalingen niet tot stand zijn gebragt.

24. Al de wetten tot regeling van het Nederlandsche muntwezen, van vroegere dagteekeuing dan de wet van 18 December 1845 worden ingetrokken.

De krachtens de ingetrokken wetten geslagen muntspeciën blijven echter op den voet der wet, waarbij zij werden ingesteld, gangbaar, voor zoover zij niet bij de wet zijn of worden buiten omloop gesteld.

Bron: J.C. Meijer (ed.) Nederlandsche Staatswetten (Sneek 1870)

Terugkeren naar Overzicht pagina costuymen etc.

Terugkeren naar Inhoudsopgave

Laatst bijgewerkt op 17 juli 2009