WET

TOT NADERE TIJDELIJKE VOORZIENING OMTRENT

HET NEDERLANDSCHE MUNTWEZEN.

(Vastgesteld den 6den Junij 1875, uitgegeven den 12den Junij 1875, Stsbl. no. 117).

Art. 1. Standpenning is, nevens de zilveren, vermeld in art. 2 der wet van 26 November 1847:

het gouden tienguldenstuk.

2. De gouden standpenuing bevat zesduizendachtenveertigtienduizendste gedeelten (0,6048) van een gram (wigtje) fijn goud op den gulden.

3. Het gehalte van den gouden standpenning is 0,900, met eene ruimte van 1,5 duizendste, zoowel boven als onder dat gehalte.

Het gewigt is 6,720 grammen (wigtjes).

De ruimte in gewigt is 2 duizendsten van het gewigt, zoowel daarboven als daaronder.

4. De beeldenaar van den gouden standpenning is:

op de voorzijde 's Koniugs borstbeeld, tot omschrift voerende den door het woord Koning voorafgeganen naam des Konings en de spreuk: God zij met ons;

op de keerzijde het wapen des rijks met de koninklijke kroon, tusschen de waarde-aanduiding 10 G, wijders het jaartal en het omschrift: Koningrijk der Nederlanden, benevens het munt-teeken en mnntmeestersteeken.

Dit stuk wordt in den ring gemunt en heeft een kartelrand.

5. De artt. 17 , 19 , 21 en 22 der wet van 26 November 1847 zijn op den gouden standpenning toepasselijk.

Het staat ieder vrij gouden tienguldenstukken te doen munten in 's rijks munt, wanneer geene werkzaamheden voor het rijk zulks verhinderen.

De muntmeester is niet verpligt partijen goud beneden de honderd kilogram (pond) aan te munten.

Door Ons wordt het muntloon, door bijzondere personen te voldoen , vastgesteld bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur.

Het muntloon kan echter niet hooger worden gesteld dan op vijf gulden per kilogram (pond) tienguldenstukken.

6. Er heeft geen aanmunting meer plaats van den enkelen, dubbelen en halven gouden Willem, bedoeld bij de artt. 5, 13 en 14 der wet van 26 November 1847 en bij art. 5 der wet van l Mei 1854.

7. Deze wet treedt in werking den 1sten Julij 1875.

Zij wordt vóór den 1sten Januarij 1877 herzien.

Tot dat tijdstip blijft de bevoegdheid tot aanmunting van zilveren standpenningen, anders dan voor rekening van den staat, geschorst.

Bron: J.C. Meijer (ed.) Nederlandsche Staatswetten (Sneek 1870)

Terugkeren naar Overzicht pagina costuymen etc.

Terugkeren naar Inhoudsopgave

Laatst bijgewerkt op 17 juli 2009