WET

REGELENDE DE ONTEIGENING TEN ALGEMEENEN NUTTE.

(Vastgesteld den 28sten Augustus en uitgegeven den 6den Sept. 1851, Stb. no. 125).

ALGEMEENE BEPALINGEN.

Art. 1. Onteigening ten algemeenen nutte kan in het publiek belang van den staat, van eene of meer provinciën, van eene of meer gemeenten, en van een of meer waterschappen plaats hebben.

2. In dat publiek belang kan ook ten name van bijzondere personen of vereenigingen, aan wie de uitvoering van het werk, dat onteigening vordert, is toegestaan, worden onteigend.

3. Als eigenaars van het goed waarvan sprake is, worden zij beschouwd, die als zoodanig in de registers van het kadaster voorkomen, en bij gemeenen eigendom, uit die registers blijkbaar, ook de medeëigenaars.

Desniettegenstaande kan ieder, die beweert eigenaar of mede eigenaar te zijn, en niet in het geding van onteigening is geroepen, aan den regter verzoeken, daarin te mogen tusschenkomen, zoolang de eindconclusiën door partijen niet genomen zijn. Hetzelfde regt hebben derde belanghebbenden, waaronder verstaan worden huurders, en zij die zakelijke regten op het goed hebben.

Bij tegenspraak der hoedanigheid van eigenaar, mede-eigenaar of derde belanghebbende, wordt de onteigening niet de overigen voort gezet, en zal hij, die beweert eenig regt op de zaak te hebben, dit alleen op de schadevergoeding kunnen uitoefenen, die in dat geval wordt geconsigneerd.

4. De bepalingen van het wetboek van burgerlijke regtsvordering zijn op het geding tot onteigening toepasselijk, voor zooveel daarvan bij deze wet niet is afgeweken.

TITEL I.

OVER ONTEIGENING IN GEWONE GEVALLEN.

EERSTE HOOFDSTUK.

OVER HETGEEN AAN DE VERKLARING VAN HET ALGEMEEN NUT VOORAF BEHOORT TE GAAN.

Art. 5. Geene verklaring van algemeen nut wordt voorgesteld, dan nadat de belanghebbenden in staat zijn gesteld, hunne bezwaren daartegen te doen hooren.

6. Te dien einde doet, nadat eenig werk van algemeen nut is ontworpen, het betrokken departement van algemeen bestuur aan het bestuur van iedere gemeente, binnen welke vermoedelijk ten behoeve van dat werk eigendommen zullen te onteigenen zijn, een uitgewerkt plan met uitvoerige kaarten en grondteekeningen van dat gedeelte, hetwelk onder die gemeente gelegen is, toekomen.

De vermoedelijk te onteigenen eigendommen worden, met hunne kadastrale nommers en de namen hunner in de registers van het kadaster aangeduide eigenaars, duidelijk aangewezen.

7. Ten minste gedurende dertig dagen worden die plannen, kaarten en grondteekeningen op de secretariën der gemeenten, ter inzage van eenieder, nedergelegd.

Van die nederlegging wordt door de hoofden der gemeentebesturen én in de Staatscourant én in een der dagbladen hunner provincie en gemeente, of, bij het ontbreken daarvan, in dat eener naburige plaats kennis gegeven. Zij wordt daarenboven door hen op de gebruikelijke wijze aan de ingezetenen bekend gemaakt.

De kosten worden door den staat vergoed, die ze verhaalt op hen ten wier name het werk wordt ontworpen.

8. De belanghebbenden moeten binnen dertig dagen, na de aan het slot van het vorig artikel vermelde bekendmaking hunne bezwaren, mondeling of schriftelijk, aan het collegie van burgemeester en wethouders der gemeente, binnen welke de aangewezen goederen gelegen zijn, opgeven. Dit brengt die bezwaren, waarvan het in het eerste geval procesverbaal, door belanghebbenden te onderteekenen, opmaakt, ten spoedigste ter kennis van het bij het werk betrokken departement van algemeen bestuur en voegt er zijn advies over de ingebragte bezwaren bij.

9. Wanneer tot het maken van het plan, gravingen, opmetingen, of het stellen van teekenen op iemands grond noodig geacht worden, moeten de brnikers dier goederen dit gedoogen, mits hun dit twee maal vierentwintig uren tevoren door het hoofd van het gemeente bestuur schriftelijk zij aangezegd.

De schade, daardoor veroorzaakt, wordt door den kantonregter begroot, en door den staat vergoed. Deze verhaalt die kosten op hen, ten wier name het werk wordt ontworpen.

TWEEDE HOOFDSTUK.

OVER DE EINDAANWIJZING DER TE ONTEIGENEN PERCEELEN.

Art. 10. Het voorstel van wet tot verklaring van het algemeen nut, wijst den aard en de strekking, zoomede de hoofdpunten ter bepaling der algemeene rigting van het werk aan, en, bij kanalen en wegen, zooveel mogelijk de gemeenten, door welke zij zullen loopen

Nadat die verklaring wet is geworden, benoemen gedeputeerde staten eene of meer commissiën uit hun midden, die, bijgestaan door eenen, van wege het algemeen bestuur aan te wijzen ingenieur en het hoofd van het betrokken gemeentebestuur, zich in alle gemeenten vervoegen binnen welke, volgens het plan, één of meer perceelen te onteigenen zijn, ten einde de bezwarender belanghebbenden tegen dat plan aan te hooren.

Die commissiën moeten hare werkzaamheden, met inbegrip van de inzending van het procesverbaal, in art. 13 vermeld, binnen zes weken, van den dag harer benoeming af, volbragt hebben.

11. Uiterlijk veertien dagen, vóór dat de commissie zich naar eenige gemeente begeeft, wordt, door de zorg van het hoofd van het gemeentebestuur, tijd en plaats, op welke de commissie bijeen zal komen, op de gebruikelijke wijze aan de ingezetenen bekend gemaakt. Een en ander wordt tevens in de Staatscourant, benevens in een of meer dagbladen der provincie, door gedeputeerde staten daartoe aan te wijzen, aangekondigd. De kosten komen ten laste van hen, ten wier name het werk wordt uitgevoerd.

De belanghebbenden worden daarbij tevens opgeroepen.

12. Zoo spoedig mogelijk, en ten minste veertien dagen vóór de zamenkomst der commissie binnen eenige gemeente, moeten de uit gewerkte plans van het werk met de kaarten en grondteekeningen, voor zooverre deze stukken die gemeente betreffen, op de secretarie dier gemeente ter inzage van eenieder nedergelegd worden. Het tweede lid van art. 6 is hier toepasselijk. De bekendmaking geschiedt op de wijze en ten koste als in het vorig artikel vermeld.

De stukken blijven ter inzage van eenieder liggen, totdat de commissie hare werkzaamheden binnen die gemeente heeft volbragt.

Een uitgewerkt plan van het geheele werk is, van het tijdstip, in art. 11 aangewezen, totdat de commissie hare werkzaamheden heeft volbragt, ter inzage van een ieder, hetzij ter secretarie van eene der gemeenten, door welke het werk loopt, hetzij ter griffie van de provincie.

13. Van de mondeling bij haar ingekomen klagten maakt de commissie proces-verbaal, door de klagers te onderteekenen, op, en zendt dit met de haar schriftelijk medegedeelde bezwaren, benevens hare meening daaromtrent, aan het bij het werk betrokken departement van algemeen bestuur.

Van dat procesverbaal en dat advies moet een afschrift op de secretariën der gemeenten, binnen welke de commissie hare zittingen gehouden heeft, voor ieder, die dit verlangt, ter lezing liggen. Ieder kan er ten zijnen koste een afschrift van nemen.

14. Nadat de stukken bij het departement zijn onderzocht, geschiedt de eindelijke aanwijzing der perceelen, welke onteigend moeten worden, door aanhaling van de plans of kaarten, waarop die perceelen naauwkeurig zijn aangewezen, en vermelding van hunne kadastrale nommers en de namen der in de registers van het kadaster aangeduide eigenaars. Die aanwijzing geschiedt door Ons binnen acht maanden, nadat de commissiën haren arbeid hebben volbragt.

Wanneer Ons besluit niet binnen dien tijd genomen is, vervalt de wet, waarbij het algemeen nut verklaard is. Geene nieuwe wet mag daaromtrent voorgesteld worden, dan nadat op nieuw de formaliteiten, bij artt. 5 en volgende voorgeschreven, plaats hebben gehad.

Indien andere perceelen, dan welke bij het eerste plan vermeld zijn, moeten worden onteigend, worden de bepalingen der vier voorgaande artikelen ten aanzien dier perceelen toegepast.

15. Ons besluit wordt in de Staatscourant en in een of meer daar bij aan te wijzen dagbladen openbaar gemaakt. Het wordt daaren boven door de hoofden der gemeentebesturen, binnen welke perceelen te onteigenen zijn, op de gebruikelijke wijze aan de ingezetenen bekend gemaakt.

16. Perceelen, die onteigend moeten worden ten gevolge van veranderingen in de door de aanwijzing, in art. 14 genoemd, vastgestelde rigting, worden mede door Ons op de wijze en binnen den tijd, bij dat artikel bepaald, aangewezen.

Ons besluit deelt de redenen mede, welke de verandering hebben doen noodig keuren. Het wordt op de wijze, bij art. 15 vermeld, ter algemeene kennis gebragt.

Het heeft geenerlei kracht, zoo de formaliteiten, bij artt. 10, 11, 12 en 13 voorgeschreven, daaraan niet zijn voorafgegaan.

DERDE HOOFDSTUK.

VAN HET GEDING TOT ONTEIGENING.

Art. 17. Zoodra Ons besluit het te onteigenen goed heeft aangewezen, moet de onteigenende partij den eigendom, vrij van alle lasten en regten, daarop rustende, bij minnelijke overeenkomst pogen te verkrijgen.

Zij kan er echter erfdienstbaarheden op gevestigd laten.

Wanneer het eigendommen betreft, welker vervreemding volgens de wet niet zonder magtiging van regterlijke of administratieve magt kan plaats hebben, is die magtiging ook in dit geval noodig.

De eigendom mag voor geenen lageren prijs worden afgstaan dan waarop die vóór de magtiging geschat zal wezen, door drie des kundigen, door de bevoegde arrondissementsregtbank te benoemen.

De acte van overdragt wordt op de wijze, bij de wet bepaald, in de openbare registers ten koste der verkrijgers overgeschreven.

18. Ingeval de onteigenende partij geene overeenkomst heeft kunnen treffen, doet zij de eigenaars in Ons besluit aangewezen, voor de arrondissementsregtbank, onder wier regtsgebied die goederen gelegen zijn, dagvaarden, ten einde de onteigening dier perceelen te hooren uitspreken, en het bedrag der schadeloosstelling te hooren vaststellen.

Indien de, aan denzelfden eigenaar toebehoorende goederen, die onteigend moeten worden, in verschillende arrondissementen zijn gelegen, wordt de dagvaarding gedaan voor de regtbank, onder welker ressort de hoofdplaats der bebouwing behoort, en bij gebreke van zulk eene hoofdplaats, voor eene der regtbanken, binnen welker ressort een of ander gedeelte der goederen gelegen is, ter keuze van de onteigenende partij.

19. In het geding ter onteigening treden, wanneer de uitvoering van het werk aan bijzondere personen of vereenigingen is toegestaan, deze als eischende partij op. Waar dit het geval niet is, wordt het geding op naam van Onzen commissaris in de provincie gevoerd, of, indien de onteigening alleen binnen eene enkele gemeente gevorderd wordt, op naam van het hoofd van het gemeentebestuur.

In het publiek belang van een waterschap kan het geding ook op naam van het bestuur van dat waterschap worden gevoerd.

20. Wanneer de eigenaar buiten het koningrijk woont, of zijne woonplaats onbekend is, wordt het geding gevoerd tegen den gevolmagtigde of bewindvoerder, indien een zoodanige binnen het koningrijk bekend is, en, zoo ook deze onbekend is, tegen een derde, binnen het ressort der regtbank wonende, en door deze op verzoek en. ten koste der onteigenende partij, te dien einde te benoemen. De alzoo benoemde kan, bij het ophouden zijner betrekking, het loon van den bewindvoerder eens afwezige, en daarenboven de gemaakte onkosten in rekening brengen.

Desniettemin is de eigenaar geregtigd ten dage, in art. 23 ge noemd, op de dagvaarding, aan den gevolmagtigde, bewindvoerder of door den regter benoemde gedaan, te verschijnen, in welk geval de dagvaarding als aan hem geschied wordt beschouwd en het geding tegen hem wordt gevoerd.

21. De onteigening van al de binnen het regtsgebied derzelfde arrondissementsregtbank voor het werk noodige en niet bij minnelijke overeenkomst verkregene eigendommen moet te gelijker tijd gevraagd worden, op straffe van veroordeeling van den eischer in al de kosten van de gedingen, over later aangevraagde onteigeningen gevoerd.

Deze bepaling is niet van toepassing op perceelen, krachtens art. 16 ter onteigening aangewezen.

22. De dagvaarding moet, op straffe van nietigheid, de som, welke als schadeloosstelling aangeboden wordt, vermelden.

23. Ten minste drie dagen vóór de verschijning legt de onteigenende partij tot staving van haren eisch, ter griffie van de regtbank over:

1°. Ons besluit, waarbij de te onteigenen perceelen worden aangewezen;

2°. een door het hoofd van het gemeentebestuur afgegeven bewijs, dat de commissie tot aanhooring van de bezwaren der belanghebbenden zitting gehouden heeft in de gemeente, binnen welker kring het goed, welks onteigening gevorderd wordt, gelegen is; alsmede de Staatscourant, waarin die zitting ten minste veertien dagen te voren is bekend gemaakt;

3°. een mede door het hoofd van het gemeentebestuur afgegeven bewijs, dat de uitgewerkte plans met de daarbij behoorende kaarten en grondteekeningen overeenkomstig art. 12 op de secretarie der gemeente gelegen hebben; en, zoo het plan, in het laatste lid van dat artikel genoemd, ter griffie van de provincie was nedergelegd, een daarvan door den griffier der staten afgegeven bewijs.

24. De regtbank behandelt zaken, aangaande onteigening ten algemeenen nutte, vóór elke andere.

Ten dage dienende concludeert de aanlegger tevens tot benoeming van één of meer deskundigen, ter opneming der schade door de onteigening aan de eigenaars en derde belanghebbenden te veroorzaken.

Op denzelfden dag, of uiterlijk acht dagen daarna, geven de verweerders de gronden hunner tegenspraak bij conclusie op.

Partijen kunnen in dezelfde teregtzitting hare conclusiën bij pleidooi breeder ontwikkelen.

Alle gronden van verdediging, zoo exceptiën als die, welke de hoofdzaak aangaan, worden, op verbeurte van het regt om de overige in te brengen, tegelijkertijd voorgesteld.

Oproeping tot vrijwaring wordt niet toegelaten.

Indien van twee of meer gedaagden de een verschijnt, de ander niet, wordt met den verschijnendcn onmiddellijk voortgeprocedeerd, en de uitspraak geschiedt tusschen al de partijen bij een en hetzelfde vonnis, hetwelk als een vonnis op tegenspraak gewezen wordt beschouwd, en waartegen geen verzet wordt toegelaten.

Het openbaar ministerie neemt zijne conclusie in dezelfde teregtzitting, of uiterlijk binnen vijf dagen daarna.

Uiterlijk acht dagen na de teregtzitting doet de regtbank uit spraak.

25. De regtbank kan aan de onteigenende partij haren eisch niet toewijzen:

1°. wanneer de wet ontbreekt, waarbij het algemeen nut van het werk verklaard is;

2°. wanneer Ons besluit, waarbij de aanwijzing ter onteigening der in de dagvaarding vermelde goederen is geschied, niet wordt overgelegd;

3". wanneer het blijken mogt, dat de commissie tot aanhooring van de bezwaren der belanghebbenden bij de rigting van het werk in de gemeenten, binnen welker kring het goed, welks onteigening gevorderd wordt, gelegen is, gcene zitting gehouden heeft, of wel dat de zitting niet vooraf in de Staatscourant bekend is gemaakt;

4°. wanneer de uitgewerkte plans met de daarbij behoorende kaarten en grondteekeningen niet overeenkomstig art. 12 op de secretariën der gemeente ter inzage gelegen hebben.

26. Tegen de uitspraak des regters, houdende nietigverklaring van de dagvaarding of ontzegging van den eisch om eenige andere reden, wordt hooger beroep toegelaten.

27. Buiten de gevallen, in het voorgaande artikel genoemd, benoemt de regtbank een of meer deskundigen in oneffen getale.

Zij benoemt voorts een harer leden, om, vergezeld van den griffier, als commissaris bij het onderzoek der deskundigen tegenwoordig te zijn, en wijst het dagblad aan, waarin de aankondiging door het openbaar ministerie, in het volgende artikel vermeld, moet geschieden.

28. Het vonnis der regtbank wordt door de onteigenende partij aan de wederpartij beteekend ten minste acht dagen vóór dien, waar op het onderzoek is bepaald, met oproeping om daarbij tegenwoordig te zijn. Bij afwezigheid der wederpartij gaat het onderzoek door.

Binnen acht dagen, nadat het vonnis is gewezen, wordt het door de meest gereede partij aan de deskundigen beteekend.

De regtercommissaris bepaalt, met inachtneming van den meest mogelijken spoed, tijd en plaats van hot onderzoek der deskundigen, en geeft daarvan onmiddellijk kennis aan het openbaar ministerie.

Dit doet daarvan aankondiging in het dagblad, in het vonnis aan gewezen. De griffier roept de deskundigen op.

Derde belanghebbenden kunnen bij dat onderzoek tegenwoordig zijn, ten einde ook hunne schade te doen begrooten.

29. De deskundigen leggen op de plaats des onderzoeks in handen van den regtercommissaris den eed af.

Zij kunnen, op de gronden in art. 1950 van het burgerlijk wet boek vermeld, door partijen gewraakt worden.

De regtercommissaris beslist over de redenen van wraking, die niet dan vóór de eedsaflegging mogen worden voorgesteld. Van zijne beslissing valt noch hooger beroep, noch cassatie.

In de plaats der deskundigen, die niet opgekomen zijn, of weigeren aan hunne verpligtingen te voldoen, als ook in de plaats van die, tegen welke hij de wraking heeft aangenomen, benoemt hij anderen. Indien ten gevolge hiervan het onderzoek moet worden uit gesteld, bepaalt de regter-commissaris daarvoor eenen naderen tijd, waarvan noch beteekening door partijen, noch aankondiging door het openbaar ministerie geschiedt.

De regtercommissaris brengt de bepaling dezer wet omtrent de begrooting der schadeloosstelling, voor zooveel ter zake vereischt wordt, onder de aandacht der deskundigen.

30. Partijen kunnen aan den regtercommissaris en de deskundigen al die stukken mededeelen en al de gronden opgeven, welke volgens haar oordeel tot eene juiste bepaling der schade kunnen leiden.

31. Ook ambtshalve kan de regtercommissaris ten allen tijde die personen voor zich en voor de deskundigen doen verschijnen, wier inlichtingen hij tot betere beoordeeling der zaak nuttig mogt achten.

Indien deze personen schadeloosstelling vorderen, wordt die door den regtercommissaris begroot en daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal.

32. De formaliteiten, bij het wetboek van burgerlijke regtsvordering voorgeschreven omtrent het getuigenverhoor en het berigt van deskundigen, zijn ten deze niet toepasselijk.

33. Wanneer de deskundigen of de personen, wier verschijning de regtercommissaris gelast heeft, op den bepaalden tijd, schoon behoorlijk geroepen, niet opkomen, of, zonder wettige redenen, weigeren den eed te doen, of de van hen gevraagde inlichtingen te geven, worden zij door den regtercommissaris veroordeeld tot vergoeding der te vergeefs gedane onkosten en tot eene boete van niet meer dan vijf en twintig gulden; alles onverminderd hunne gebondenheid jegens de partijen tot vergoeding van kosten, schaden en interessen.

Hij kan hen echter op hun verzet bij ongezegeld verzoekschrift, om billijke redenen, van de tegen hen uitgesprokene veroordeeling vrijstellen.

34. De griffier maakt een procesverbaal op, door den regtercommissaris en hem te onderteekenen, van het bij het onderzoek gebeurde.

Hij neemt daarin de verklaringen op der personen, bij het onderzoek gehoord, welke verklaringen hun worden voorgelezen en door hen onderteekend. De deskundigen doen hun advies in het procesverbaal opnemen of voegen het er onderteekend bij. In het eerste geval teekenen zij mede het proces-verbaal.

In geval een deskundige of ander gehoord persoon niet kan teekenen of weigert dit te doen, wordt daarvan melding gemaakt in het procesverbaal, met opgave der redenen.

De deskundigen verklaren de gronden, waarop hunne bepaling der schadeloosstelling rust.

Zij begrooten ook de schadeloosstellingen aan derde belanghebbenden te betalen, voor zooverre die bij deze wet niet zijn geregeld.

In het proces-verbaal wordt de dag vermeld, waarop de nederlegging ter griffie, in het volgende artikel voorgeschreven, zal plaatshebben.

35. Een en ander wordt gedurende veertien dagen ter inzage der partijen als ook der derde belanghebbenden op de griffie nedergelegd, waarvan door den griffier in een dagblad, door den regtercommissaris aan te wijzen, kennis wordt gegeven.

36. Gedurende die veertien dagen kunnen partijen en derde belanghebbenden hunne bezwaren, na die aan de wederpartij te hebben beteekend, schriftelijk aan den regtercommissaris indienen.

37. Na afloop dier veertien dagen brengt de regtercommissaris, in de eerstvolgende voor de behandeling van burgerlijke zaken bestemde teregtzitting, zijn rapport uit, zonder dat er eenige verdere oproeping van partijen vereischt wordt.

Op dezelfde teregtzitting kunnen derde belanghebbenden conclusiën nemen, en, zoowel als partijen, hunne conclusiën nader bij pleidooi doen ontwikkelen. Het openbaar ministerie neemt zijne conclusiën in dezelfde teregtzitting of uiterlijk binnen acht dagen daarna.

Uiterlijk veertien dagen na die teregtzitting doet de regtbank, indien zij geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid, in art. 235 van het wetboek van burgerlijke regtsvordering toegekend, uit spraak over de onteigening en over de schadeloosstelling, aan de eigenaars en derde belanghebbenden uit te keeren.

38. Gebouwen, van welke een gedeelte onteigend wordt, moeten, op de vordering des eigenaars bij zijne conclusie, in art. 24 genoemd, door de onteigenende partij geheel worden overgenomen.

Ditzelfde zal met erven moeten geschieden, wanneer deze door de onteigening tot een vierde hunner uitgestrektheid verminderen of kleiner dan tien vierkante Nederlandsche roeden worden.

Deze overneming kan echter niet gevorderd worden, wanneer het overgebleven stuk gronds onmiddellijk aan een ander erf van den zelfden eigenaar grenst.

39. Bij de berekening der schadevergoeding wordt niet gelet op nieuwe getimmerten of op veranderingen, gemaakt na de nederlegging ter inzage, in art. 7 of in art. 12 bepaald, naar gelang het goed volgens het plan in eerstgemeld, of volgens dat in laatstgemeld artikel genoemd, ter onteigening is aangewezen.

40. Alleen de werkelijke waarde der goederen, niet de denkbeeldige, welke zij uitsluitend voor den persoon des eigenaars hebben, komt in aanmerking.

41. Bij de berekening der schadeloosstelling wordt acht gegeven, op de mindere waarde, welke voor de niet onteigende goederen het noodzakelijk gevolg van de onteigening is.

42. Bij onteigening van een verhuurd goed wordt door de onteigenende partij aan den huurder, wiens huurtijd nog één of meer jaren moet duren, tot schadeloosstelling eene som betaald , gelijk staande aan den huurprijs van twee jaren.

Indien nogtans de te velde staande vruchten, of de onkosten welke de huurder aantoont gedurende de laatste twee jaren aan het goed te hebben besteed, meer beloopen dan de tweejarige huur prijs, wordt de waarde dier vruchten of het bedrag dier onkosten, als schadeloosstelling betaald.

Indien de huurder minder dan een jaar huur had, wordt hem de huurprijs van een vol jaar, of de waarde der te velde staande vruchten, zoo die meer beloopt, vergoed.

Indien de verhuring of hare verlenging na een der termijnen, in art. 39 volgens de daarbij vermelde onderscheiding aangewezen, heeft plaats gehad, wordt door de onteigenende partij aan den huurder geene schadeloosstelling betaald, maar heeft deze eene vordering tot schadevergoeding tegen den verhuurder, ten ware anders mogt zijn overeengekomen.

43. De hypotheekhouder heeft geen regt op eenige afzonderlijke schadevergoeding. Hij oefent zijn regt alleen uit op de som, die aan den van zijn erf onteigende is toegekend, en zulks onverschillig of zijne schuldvordering al dan niet opeischbaar zij.

Hij heeft geen regt, de betaling zijner geheele schuldvordering te eischen, wanneer slechts een gedeelte van het verhypothekeerde goed onteigend wordt.

Wanneer de hypotheek tot zekerheid eener voorwaardelijke schuld of eener schuld van onbepaalde grootte is gesteld, kan de schuldeischer vorderen, dat die som tot het beloop der in de acte opgegevene waarde in een van de grootboeken der nationale werkelijke schuld, ter zijner keuze, worde ingeschreven; in het eerste geval totdat de onzekerheid omtrent het bestaan der schuld hebbe op gehouden.

Wanneer de hypotheek tot zekerheid van altijddurende renten is gesteld, wordt het twintigvoudig bedrag der jaarlijksche rente uit de schadeloosstelling voldaan.

44. Wanneer ten gevolge der onteigening een regt van erfdienstbaarheid verloren wordt, zal de vergoeding uit de aan den onteigende toegekende som worden gevonden, en daarop bij de bepaling dier som worden gerekend. Bij de berekening wordt vooral de meerdere of mindere noodzakelijkheid dier erfdienstbaarheid, en de mogelijkheid haar door eene andere te doen vervangen , in het oog gehouden.

45. Hij, die op het onteigende goed een regt van vruchtgebruik had, heeft slechts aanspraak op de interessen van de aan den onteigende als schadeloosstelling toegekende som, welke op zijn verlangen in een der grootboeken der nationale werkelijke schuld , ter zijner keuze, wordt ingeschreven.

Hetzelfde geldt voor hen, die een regt van gebruik of bewoning op het onteigende goed hebben, doch alleen tot een bedrag, berekend naar gelang van hun genot, door de deskundigen te bepalen.

Bij onteigening van fideieommissaire goederen, doet de bezwaarde erfgenaam de schadeloosstelling in een der grootboeken inschrijven.

46. Zij, die door de onteigening een regt van grondrenten of tienden verliezen, hebben uit de som, tot schadeloosstelling aan den schuldpligtige toegewezen, regt op den afkoopprijs, bij de vestiging bepaald, en, bij gebreke van zoodanige bepaling, op het twintigvoudig bedrag der jaarlijksche of gemiddelde opbrengst, volgens de regels in artt. 799 en 800 van het burgerlijk wetboek gesteld.

47. Bij verlies ten gevolge van onteigening van eenen in tijdelijke erfpacht bezeten grond, wordt de vergoeding, aan den erf pachter verschuldigd, door de deskundigen begroot, die daarbij letten op den tijd, dien het regt waarschijnlijk nog zou hebben geduurd.

Op gelijke wijze bepalen zij, wat uit de schadeloosstelling aan hem, die een regt van opstal verliest, zal worden betaald.

Bij onteigening van erven , aan het regt van beklemming onderworpen of in eeuwigdurende erfpacht bezeten, worden zoowel de eigenaar als de beklemde meijer, of de erfpachter in het geding geroepen en de aan elk hunner verschuldigde schadeloosstelling af zonderlijk begroot.

48. Bij onteigening in geval van bepoldering en droogmaking van verdronken landen, wordt aan de onteigenden, overeenkomstig de bepaling van art. 649 van het burgerlijk wetboek, slechts de waarde betaald, waarop die gronden als verdronken land zullen worden geschat. •

49. Wanneer de onteigening niet den geheelen grond, waarop de in de vorige artikelen genoemde regten rusten, maar slechts een gedeelte treft, wordt de schadeloosstelling in evenredigheid van het niet onteigende tot het onteigende gedeelte, naar de bovenstaande regels, berekend.

50. Wanneer de bij het vonnis bepaalde schadevergoeding meer bedraagt dan het gedane aanbod, wordt de onteigenende partij, en in de overige gevallen de verweerder, in de kosten veroordeeld.

51. Wanneer het vonnis bij verstek is gewezen, kan men daartegen binnen acht dagen na de beteekening, op de wijze, in het wetboek van burgerlijke regtsvordering voorgeschreven, in verzet komen.

52. Tegen het vonnis wordt geen hooger beroep toegelaten.

De voorziening in cassatie moet binnen drie dagen na de uitspraak plaats hebben.

Zij geschiedt door eene verklaring ter griffie der regtbank, die het vonnis heeft gewezen.

53. Deze verklaring wordt binnen acht dagen met eene ontwikkeling van de gronden der cassatie aan de tegenpartij beteekend, en gaat vergezeld van dagvaarding tegen de eerstvolgende voor de behandeling van burgerlijke zaken bestemde, teregtzitting na den in het volgend lid bepaalden termijn.

De tegenpartij heeft veertien dagen om, des verkiezende, te antwoorden.

In de genoemde teregtzitting nemen de partijen hare conclusiën, des verkiezende bij pleidooi, mits in dezelfde teregtzitting nader te ontwikkelen.

Het openbaar ministerie neemt zijne conclusiën in diezelfde te-regtzitting, of uiterlijk binnen vijf dagen daarna.

Uiterlijk acht dagen na de teregtzitting spreekt de hooge raad zijn arrest uit.

54. Binnen acht dagen, nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, doet het openbaar ministerie het bij uittreksel in een dagblad der provincie, bij het vonnis aangewezen, plaatsen.

Hetzelfde heeft, met inachtneming van denzelfden termijn, op last van het openbaar ministerie bij den hoogen raad plaats, wanneer de voorziening in cassatie tegen het vonnis, waarbij de onteigening werd uitgesproken, verworpen is, of wanneer de hooge raad, het vonnis des eersten regters vernietigende, de onteigening uitspreekt, in welk geval zijn arrest het dagblad aanwijst.

VIERDE HOOFDSTUK.

OVER DE BETALING VAN DE SCHADELOOSSTELLING.

Art. 55. Het vonnis van onteigening vervalt, wanneer niet binnen zes maanden, nadat het in kracht van gewijsde is gegaan, de schadeloosstelling betaald, of, in de gevallen, waarin dit volgens deze wet kan geschieden, geconsigneerd is. De onteigenende partij is alsdan gehouden tot vergoeding der schade, welke de wederpartij daardoor mogt hebben geleden. Onder die schade zijn echter niet begrepen de proceskosten, waarin de onteigende mogt zijn veroordeeld, noch ook het verlies der voordeelen, die de onteigende uit de onteigening zou hebben getrokken.

Onder de schadeloosstelling zijn begrepen de wettelijke interessen daarvan , te rekenen van den achtsten dag nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.

56. Wanneer zij, tegen wie de onteigening is uitgesproken, de bepaalde schadeloosstelling weigeren aan te nemen, kan de onteigenende partij zich in het bezit doen stellen van het onteigende goed, mits de schadeloosstelling aangeboden en geconsigneerd zij, op de wijze in de tweede afdeeling van den vierden titel van het derde boek van het burgerlijk wetboek bepaald.

57. In het geval van het voorgaand artikel wordt de onteigenende partij, op bevelschrift van den voorzitter der arrondissementsregtbank, des noods door middel van den sterken arm, in het bezit der onteigende goederen gesteld.

Bij haar verzoekschrift aan dien voorzitter moet zij een afschrift van het vonnis overleggen, waarbij de onteigening uitgesproken is, en eene verklaring van den griffier der arrondissementsregtbank, of, zoo er voorziening in cassatie heeft plaats gehad, van den griffier bij den hoogen raad, dat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.

Ook de acte, waaruit van het aanbod van gereede betaling en van de daarop gevolgde consignatie, of wel alleen van de consignatie in het geval van het volgend artikel, blijkt, moet worden over gelegd.

58. Wanneer onder de onteigenende partij beslag op de schadeloosstelling gelegd, of wanneer er rangregeling gevraagd mogt worden, doet zij terstond zonder eenig aanbod de gelden consigneren en zich op de hierboven bepaalde wijze in het bezit stellen.

59. Het vonnis van onteigening wordt tegen overlegging van. een duplicaat der quitantie van betaalde schadeloosstelling, of van een afschrift der beschikking van den voorzitter der arrondissementsregtbank, waarbij de inbezitneming wordt toegestaan, in de openbare registers, bedoeld bij art. 671 van het burgerlijk wetboek, overgeschreven.

Door die overschrijving gaat de eigendom op de onteigenende partij over, vrij van alle lasten en regten daarop rustende. Alleen erfdienstbaarheden kunnen op het onteigende goed gevestigd blijven, doch niet dan met goedvinden der onteigenende partij.

60. Dijk- en soortgelijke lasten en alle belastingen, hoegenaamd, waarmede het onteigende goed is bezwaard of die daarvan worden betaald, gaan van den dag, waarop het eindvonnis van onteigening in kracht van gewijsde is gegaan, of waarop, in het geval van art. 57 de in-bezit-neming heeft plaats gehad, op de onteigenende partij over.

61. Indien, ten gevolge van oorzaken welke de onteigenende bij magte was uit den weg te ruimen, met het werk, waartoe werd onteigend, niet binnen een jaar nadat het eindvonnis van onteigening in kracht van gewijsde is gegaan, aanvang is gemaakt, of de arbeid daaraan meer dan een jaar mogt zijn gestaakt, of indien uit andere omstandigheden is aan te toonen , dat het werk blijkbaar niet tot stand zal worden gebragt, kan de onteigende bij de regter het afgestane goed terugvorderen in den toestand, waarin het zich alsdan bevindt; doch onder gehoudenheid om, in evenredigheid tot de terugontvangen waarde, de schadeloosstelling terug te geven.

TITEL II.

OVER DE ONTEIGENING BIJ VESTINGBOUW, DEN AANLEG, HET

HERSTEL OP ONDERHOUD VAN DIJKEN, BIJ BESMETTING

OP ANDERE DRINGENDE OMSTANDIGHEDEN.

EERSTE HOOFDSTUK.

OVER DE ONTEIGENING BIJ VESTINGBOUW, DEN AANLEG,

HET HERSTEL OF ONDERHOUD VAN DIJKEN.

Art. 62. Onteigening van onroerende zaken , ten behoeve van vestingbouw, den aanleg, het herstel of het onderhoud van dijken, heeft plaats uit kracht van een door Ons, den raad van state gehoord. genomen besluit, waarbij de goederen die onteigend moeten worden, naauwkeurig, met opnoeming hunner kadastrale nommers en van de namen der in de registers van het kadaster aangeduide eigenaars, worden aangewezen.

Dat besluit wordt in liet Staatsblad geplaatst.

63. Alvorens dit besluit te nemen worden de belanghebbenden in staat gesteld, hunne bezwaren tegen de rigting van het werk kenbaar te maken aan eene commissie, zamengesteld op de wijze bij art. 10 bepaald.

Waar het den aanleg, het herstel of het onderhoud van dijken geldt, wordt de commissie mede bijgestaan door een lid van een er ter plaatse bestaande collegiën of besturen, in artt. l en 2 der wet van 9 October 1841 vermeld.

Deze commissie houdt in alle gemeenten, onder welke goederen te onteigenen zijn, ten minste ééne zitting.

64. Art. 9, het laatste lid van art. 10 en de artt. 11 tot en met 61 zijn ten deze toepasselijk, met uitzondering van no. l van art. 25.

65. Wanneer niet de grond zelf onteigend wordt, maar slechts tot liet verrigten van.in dezen titel vermelde werken zekere speciën uit den grond noodig geacht worden, mag dit ook op een besluit van gedeputeerde staten of wel der in artt. l en 2 der wet van 9 October 1841 vermelde collegiën en besturen, geschieden.

Het besluit, door Ons of door de zoo even genoemde collegiën of besturen genomen, wijst zoo naauwkeurig mogelijk de oppervlakte aan, waarover en de diepte, tot welke de uitgraving zal plaats hebben.

Behalve de plaatsing in het Staatsblad, in art. 62 voorgeschreven, wordt het in de Staatscourant en in een dagblad der provincie opgenomen.

De schadeloosstelling bepaalt zich in dat geval tot de waarde der weggenomen speciën en de schade, door die wegneming aan den grond toegebragt, met inachtneming der bepaling van art. 41.

66. Bij gebreke van minnelijke schikking benoemt de arrondissementsregtbank, in het geval van het voorgaande artikel, op het verzoekschrift hetzij van hem, die onteigent, of van den eigenaar van den grond, een of meer deskundigen, in oneffen getale, om een berigt over de schadeloosstelling te geven.

Bij het verzoekschrift moet een exemplaar van het Staatsblad, waarin Ons besluit, of van de Staatscourant en het dagblad der provincie, waarin dat der gedeputeerde staten of der andere genoemde collegiën of besturen is opgenomen, worden overgelegd.

De regtbank benoemt één harer leden, om als commissaris, vergezeld van den griffier, bij het onderzoek der deskundigen tegen woordig te zijn.

Zij bepaalt tevens den dag en de plaats, waar en wanneer dat onderzoek zal geschieden. Ten minste twee maal vier en twintig uren te voren wordt dit aan de wederpartij beteekend en afschrift van het exploit ter griffie van de regtbank nedergelegd. Bij gebreke dier beteekening vervalt het vonnis.

Het vonnis wordt aan het gebouw der regtbank aangeplakt, en de griffier roept de deskundigen op.

Derde belanghebbenden kunnen bij het onderzoek tegenwoordig zijn, ten einde ook hunne schade te doen begrooten.

De regtercommissaris bepaalt bij het onderzoek den dag, waarop hij zijn rapport aan de regtbank zal uitbrengen. Deze dag wordt aan de wederpartij beteekend, zoo zij niet is verschenen bij het onderzoek, en afschrift van het exploit ter griffie nedergelegd. In middels liggen het procesverbaal van den regtercommissaris en het advies der deskundigen op de griffie ter lezing.

Op den bepaalden dag nemen, na het rapport van den regtercommissaris, partijen en derde belanghebbenden hunne conclusiën, welke zij, mits op dezelfde teregtzitting, bij pleidooi breeder kunnen ontwikkelen.

De regtbank beslist, na het openbaar ministerie gehoord te heb ben, terstond of op de eerstvolgende teregtzitting.

Geenerlei andere formaliteiten behoeven hier in acht te worden genomen.

Tegen het vonnis, waarbij de onteigening is uitgesproken, wordt noch verzet, noch hooger beroep, noch beroep in cassatie toegelaten.

Het 2de en 3de lid van art. 20, het laatste lid van art. 24, de artt. 29 en 33 en de vijf eerste leden van art. 34 zijn op de regtsvordering, in dit artikel omschreven, van toepassing.

67. De wegneming der speciën heeft niet plaats dan nadat de onteigenende partij de schadeloosstelling heeft betaald of geconsigneerd. De artt. 55 tot 58 zijn ook hier van toepassing.

68. De artt. 65 tot en met 67 zijn niet toepasselijk ingeval de specie wordt genomen van gronden, waarop de verpligting tot levering tegen of zonder vergoeding, krachtens gewoonte of verordening, zoowel als uit anderen hoofde, mogt rusten. Geene nieuwe verpligting van dezen aard kan na de afkondiging dezer wet door gewoonte of verordening worden gevestigd (Aldus gewijzigd bij de wet van l Junij 1801 Staatsblad no. 54).

TWEEDE HOOFDSTUK.

OVER ONTEIGENING BIJ BESMETTING.

Art. 69. Onteigening ter afwering eener gevreesde, of tot het stuiten van den voortgang eener aanwezige, besmetting heeft plaats uit kracht van een besluit, door ons genomen, verklarende dat daar voor genoegzame reden bestaat. Wanneer echter het gevaar slechts voor eene provincie in het bijzonder te duchten is, kan die verkla ring ook bij besluit van gedeputeerde staten geschieden.

In zeer dringende gevallen kunnen de gemeentebesturen hiertoe overgaan, mits van hun besluit binnen twee maal vierentwintig uren aan gedeputeerde staten kennis gevende.

In het besluit, zoo van Ons, als van gedeputeerde staten of van het gemeentebestuur, worden de goederen, die onteigend moeten worden, met opnoeming van de namen der eigenaars, aangewezen, en wordt daarin wijders melding gemaakt van de schriftelijke verklaring van eenen deskundige, waaruit van de noodzakelijkheid dier onteigening blijkt.

Het besluit wordt op de gebruikelijke wijze ter openbare kennis gebragt, en in een of meer daarbij aan te wijzen dagbladen geplaatst.

Indien het besluit de onteigening betreft van besmette of van be smetting verdachte voorwerpen, kunnen die voorwerpen onmiddellijk of later door of van wege het bestuur, met de onteigening belast, worden in beslag genomen.

Gedeputeerde staten kunnen de toepassing van hun besluit aan de gemeentebesturen opdragen

70. Bij gebreke van minnelijke schikking dient, in het geval van het voorgaand artikel, het bestuur, met de onteigening belast, een verzoekschrift aan den kantonregter in, strekkende dat de onteigening door hem worde uitgesproken en de schadeloosstelling bepaald.

Bij het verzoekschrift moet het besluit, volgens het voorgaand artikel genomen, worden overgelegd.

De kantonregter benoemt daarop onmiddellijk een of meer deskundigen, in oneffen getale, welke, na beëedigd te zijn, hun oordeel omtrent de hoegrootheid der schadeloosstelling uitbrengen.

71. De kantonregter is met zijnen griffier bij het onderzoek der deskundigen tegenwoordig. Hij laat terstond van hunne meening en de gronden, daarvoor door hen aangevoerd, door zijnen griffier procesverbaal opmaken, en bepaalt onmiddellijk daarna of uiterlijk drie maal vier en twintig uren later, de verschuldigde schadevergoeding.

De eigenaar wordt, indien hij binnen de gemeente woont, waar het onderzoek moet plaats hebben, door den kantonregter, zooveel noodig schriftelijk, uitgenoodigd, bij het onderzoek der deskundigen tegenwoordig te zijn; desgelijks, indien het de onteigening van een besmet voorwerp geldt, de personen bij welke het gevonden is.

Derde belanghebbenden kunnen bij het onderzoek tegenwoordig zijn, ten einde ook hunne schade te doen begroeten.

De artt. 29 en 33 zijn ook hier toepasselijk, behoudens dat het geen daar van den regtercommissaris gezegd is. op den kantonregter toepasselijk wordt.

Geenerlei andere formaliteiten behoeven hier in acht te worden genomen.

De termijnen worden naar gelang der omstandigheden, door den kantonregter, des noods van uur tot uur, bepaald.

Tegen het vonnis des kantonregters, waarbij de onteigening is uitgesproken, wordt noch verzet, noch hooger beroep, noch beroep in cassatie toegelaten.

72. De overgang van den eigendom, voor zooverre het roerende goederen betreft, heeft niet plaats, dan nadat van wege het bestuur, met de onteigening belast, de schadeloosstelling is betaald of geconsigneerd; het laatste, wanneer binnen de gemeente, waar het onteigende goed zich bevindt, de gelegenheid ontbreekt de betaling te doen, of de onteigende weigeren mogt op het hem gedane aanbod de schadevergoeding te ontvangen, of wel, wanneer er beslag op die penningen mogt zijn gelegd. Art. 55 is ook hier van toepassing.

Bij onroerende goederen gelden de bepalingen van het vierde hoofdstuk van den eersten titel, behoudens dat hetgeen daar van den president der regtbank gezegd is, op den kantonregter toepasselijk wordt, en de overlegging van de verklaringen des griffiers, in art. 57 voor geschreven, vervalt.

De schadeloosstelling wordt door het bestuur, met de onteigening belast, voorgeschoten en komt ten laste van den staat. In die provinciën echter waar provinciale belastingen tot het te keer gaan der besmetting worden geheven, komen de kosten ten laste der provincie.

TITEL III.

OVER ONTEIGENING BIJ OORLOG, BRAND OFWATERSNOOD.

Art. 73. Wanneer ingeval van oorlog, brand of watersnood, oogenblikkelijke inbezitneming volstrekt noodzakelijk geacht wordt, kan deze op last van de hoogste burgerlijke of militaire overheid, ter plaatse aanwezig geschieden.

Ingeval van watersnood kan die last ook door de betrokken collegiën en besturen, in artt. l en 2 der wet van den 9den October 1841 vermeld, of door de hoofden dier collegiën en besturen, gelijk door hunne daartoe gemagtigde leden, worden gegeven.

Door oorlog wordt hier niet enkel openbaar verklaarde oorlog, maar ook het geval verstaan, waarin vestingen of versterkte plaatsen in staat van oorlog of van beleg zijn gesteld.

Door watersnood wordt niet enkel het geval verstaan dat dijken zijn doorgebroken of overstroomingen hebben plaats gehad, maar ook dat van dringend of dreigend gevaar voor doorbraak of overstrooming.

De eigendom gaat onmiddellijk op dengene over, in wiens naam de inbezitneming is geschied, vrij van alle regten en lasten daarop rustende. Alle in art. 60 genoemde lasten of belastingen, waarmede het onteigende goed is bezwaard, gaan van den dag der inbezitneming op hem over.

74. Zoodra mogelijk na de onteigening, moet degene, die haar bevolen heeft, aan de onteigenden geregtelijk eene schadevergoeding doen aanbieden, of in de gevallen, in art. 58 genoemd, consigneren.

Indien dit aanbod of die consignatie niet binnen drie maanden is geschied, alsmede wanneer met het aangebodene of geconsigneerde geen genoegen wordt genomen, kan de schadevergoeding in regten door de onteigenden worden gevorderd.

In het eerste geval kan de staat, de provincie, de gemeenten of het waterschap de bedoelde schadeloosstelling van hen, die de onteigening gelast hebben, persoonlijk terugvorderen, ten ware het verzuim buiten hunne schuld mogt hebben plaats gehad.

75. De wettelijke interessen der verschuldigde schadevergoeding moeten van den dag der inbezitneming aan de onteigenden worden hetaald.

76. Wanneer hij, in wiens naam de onteigening gelast is, den eigendom van het goed niet langer voor het beoogde doel noodig acht, en er nog geene drie jaren sedert de onteigening verloopen zijn, is de onteigende bij voorkeur boven alle anderen tegen betaling van den prijs, door deskundigen te begrooten, tot de verkrijging daarvan geregtigd.

SLOTBEPALINGEN.

Art. 77. Op de gevallen, waarin volgens art. 187 der grondwet moet worden voorzien, is deze wet niet toepasselijk.

78. De wet van 29 Mei 1841 is ingetrokken.

Zij blijft intusschen toepasselijk op regtsvorderingen tot onteigening vóór de afkondiging dezer wet aangevangen.

Het zal desniettemin aan de onteigenende partij vrijstaan, van hare volgens de vorige wet aangevangen regtsvordering. zoolang nog geen vonnis in de zaak is gewezen, afstand te doen en eene nieuwe volgens deze wet in te stellen. In dat geval moet zij alle kosten, door de wederpartij tot op het doen van dien afstand gemaakt, betalen.

Zij kan tot die betaling genoodzaakt worden op het enkel bevel schrift van den voorzitter der arrondissementsregtbank, gesteld aan den voet van den door de wederpartij opgemaakten staat van kosten.

Dit bevelschrift is uitvoerbaar bij voorraad.

Bron: J.C. Meijer (ed.) Nederlandsche Staatswetten (Sneek 1870)

Terugkeren naar Overzicht pagina costuymen etc.

Terugkeren naar Inhoudsopgave

Laatst bijgewerkt op 17 juli 2009