|
WET REGELENDE DE ZAMENSTELLING EN MAGT VAN DE PROVINCIALE STATEN. (Vastgesteld den 6den Julij 1850, Staatsbl. no. 39). EERSTE AFDEELING. Van de zamenstelling der provinciale staten. EERSTE HOOFDSTUK. ALGEMEENE BEPALINGEN. Art. 1. De statenvergadering van elke provincie is zamengesteld uit het in art. 2 bepaald getal leden; Onzen commissaris, als voorzitter; een griffier. 2. Het getal der leden bestaat:
TWEEDE HOOFDSTUK. VAN DE LEDEN DER STATEN. § 1. Van hunne benoeming. 3. De leden der staten worden gekozen in de kiesdistricten, waarin de provincie wordt verdeeld, door hen, die op de in art. 6 der wet, regelende het kiesregt enz., bedoelde lijst van kiezers voor de staten zijn gebragt. 4. Eene afzonderlijke wet regelt, nadat de staten zijn gehoord, de verdeeling der provinciën in kiesdistricten, en bepaalt het getal der in elk district te kiezen leden. 5. De gewone tijd ter verkiezing der leden van de staten is de tweede Dingsdag der maand Mei. Alsdan wordt voorzien in de vervulling van de plaatsen der leden, die met den volgenden eersten Dingsdag van Julij, volgens den bij art. 24 bedoelden rooster, moeten aftreden. 6. De verkiezing ter vervulling der plaatsen, die door ontslag, overlijden of om eene andere reden openvallen, geschiedt binnen twee maanden na dat openvallen, op den door gedeputeerde staten te bepalen dag. 7. De verkiezing geschiedt in de onderkiesdistricten op denzelfden dag als in de hoofdkiesdistricten. 8. Bij de eerste stemming wordt niemand benoemd, dan met volstrekte meerderheid van stemmen. Bij herstemming, noodzakelijk wanneer die meerderheid bij de eerste stemming niet is verkregen, wordt men benoemd met de meeste stemmen. Indien de stemmen staken is de oudste in jaren de benoemde. In geval van gelijken ouderdom beslist het lot. 9 Wanneer bij eene eerste stemming geene volstrekte meerderheid is verkregen, wordt onmiddellijk door het bureau van stemopneming, waarbij de opening der stembriefjes is geschied, eene lijst opgemaakt, bevattende tweemaal zooveel namen, als er personen te benoemen zijn. Op de lijst worden gebragt zij, die bij de eerste stemming de meeste stemmen hebben erlangd. In geval bij de eerste stemming de stemmen tusschen meer, dan het in de eerste zinsnede bedoeld getal personen waren verdeeld, worden op de lijst allen gebragt, die aldus de meeste stemmen hebben verkregen. Deze lijst, aan gedeputeerde staten en aan de besturen van alle de gemeenten van het kiesdistrict terstond op te zenden, wordt, met den brief van oproeping, aan de kiezers rondgezonden. De stemming over de op de lijst vermelde personen geschiedt binnen veertien dagen na de dagteekening van het in art. 67 der wet, regelende het kiesregt enz., bedoeld procesverbaal. 10. Het bureau van stemopneming, waarbij de opening der stembriefjes is geschied, zendt ten spoedigste aan den benoemde een door den voorzitter en een der stemopnemers geteekend afschrift van het in art. 67 der wet, regelende het kiesregt enz., bedoeld procesverbaal. Het zendt hem, is hij bij herstemming gekozen, afschrift zoo van bet verbaal, dat na de eerste stemming, als van hetgeen na de herstemming is opgemaakt. Dit afschrift strekt den benoemde tot geloofsbrief. 11. De benoemde geeft, bij het bekomen van het afschrift, een bewijs van ontvang daarvoor af. Dit bewijs wordt terstond aan gedeputeerde staten medegedeeld. Binnen drie weken na de dagteekening van dat bewijs geeft de benoemde kennis aan gedeputeerde staten, of hij de benoeming aanneemt. Hij wordt, laat hij dien tijd zonder kennisgeving voorbijgaan, geacht de benoeming niet aan te nemen. 12. Hij, die in meer dan één kiesdistrict is benoemd, verklaart aan gedeputeerde staten, binnen den in het vorig artikel gestelden termijn, welke benoeming hij aanneemt. Hij wordt, laat hij dien tijd zonder verklaring voorbijgaan, geacht geene der op hem uitgebragte benoemingen aan te nemen. 13. Wanneer een benoemde zijne benoeming niet aanneemt, of de in de beide vorige artikelen bepaalde tijd verstreken is, geschiedt binnen veertien dagen eene nieuwe keuze. Hetzelfde vindt, zoo iemand de benoeming in een district heeft aangenomen, en in een ander op de lijst staat van hen waarover moet worden herstemd, plaats in dit laatste district. Te dien einde geeft het bureau van het eerstgenoemde district aan dat van het laatste onmiddellijk kennis van de aanneming 14. De dag voor de, ter verkiezing van een lid der staten noodige, herstemming of nieuwe stemming wordt bepaald door gedeputeerde staten. 15. De tot lid der staten benoemde legt, nevens zijn geloofsbrief, aan de staten over: een uittreksel uit de geboorteregisters; bij gemis daarvan eene acte van bekendheid, waaruit tijd en plaats zijner geboorte blijken; eene verklaring van den voorzitter van den raad der gemeente, waarin hij woont, getuigende, dat hij gedurende het laatste, aan zijne verkiezing voorafgaande jaar zijne woonplaats binnen de provincie gehad heeft; eene door hem zelven af te geven verklaring, vermeldende alle openbare betrekkingen die hij bekleedt. 16. De leden der staten kunnen ten allen tijde hun ontslag nemen. Het wordt door hen ingezonden aan gedeputeerde staten. § 2. Van de vereischten voor het lidmaatschap der staten, en van de hiermede onvereenigbare betrekkingen. 17. Leden der staten kunnen alleen zijn de ingezetenen der provincie, die Nederlanders en in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten zijn, en den ouderdom van vijf en twintig jaren hebben vervuld. Voor ingezetenen worden gehouden zij, die gedurende het laatste jaar hunne woonplaats binnen de provincie gehad hebben; voor Nederlanders, zij, die het zijn volgens de wet, verklarende wie Nederlanders zijn. 18. Zij die, ter waarneming der hun door Ons of van Onzentwege opgedragene commissiën, verpligt zijn, tijdelijk buiten de provincie te verblijven, houden daardoor niet op ingezetenen te zijn, zoolang hun hoofdverblijf binnen de provincie gevestigd blijft. 19. Zij die, ter verkiezing van de leden der staten, voorzitten, zijn binnen het district, waar zij voorzitten, niet tot lid der staten benoembaar. 20. Bloedverwantschap of zwagerschap in den eersten graad mag niet bestaan tuschen de leden der staten. Wanneer personen, zich in dien graad bestaande, ter gelijker tijd in hetzelfde kiesdistrict of in verschillende districten zijn gekozen, wordt de oudste in jaren voor benoemde gehouden. Die na zijne benoeming in den verboden graad van zwagerschap geraakt, behoeft vóór den afloop van zijn tijd van zitting niet af te treden. De zwagerschap houdt op door het overlijden der vrouw, die haar veroorzaakte. 21. Het lidmaatschap der staten is onvereenigbaar met: het lidmaatschap der eerste kamer van de staten generaal of van de staten eener andere provincie; de betrekking van hoofd van een departement van algemeen bestuur; van commissaris des Konings in de provincie; van griffier der staten; van ambtenaar in de dienst der provincie werkzaam, of met het ontvangen of uitgeven der gelden van de provincie belast; van geestelijke of bedienaar der godsdienst. 22. De leden der staten mogen in regtsgedingen, waarin de provincie betrokken is, niet als advocaat of procureur werkzaam zijn. 23. Een lid der staten, een der in art. 17 vermelde vereischten verliezende, of eene der in art. 21 uitgeslotene betrekkingen aannemende, houdt op lid te zijn. Hij geeft hiervan kennis aan gedeputeerde staten, met vermelding der reden. De nieuwe keuze geschiedt binnen twee maanden nadat gedeputeerde staten van het feit kennis hebben bekomen. § 3. Van den rooster van aftreding der leden van de staten. 24. De helft van de leden der staten treedt om de drie jaren af, met den eersten Dingsdag der maand Julij. De aftredenden zijn dadelijk weder verkiesbaar. De rooster hunner aftreding wordt vastgesteld bij de in art. 4 bedoelde wet. 25. Het lot bepaalt den tijd, waarop elk lid der staten, naar den rooster, aftreedt. 26. Die, ter vervulling eener buiten den bij den rooster bepaalden tijd opengevallene plaats, tot lid der staten verkozen is, treedt af op het tijdstip, waarop degene, in wiens plaats hij is verkozen, moest aftreden. § 4. Van de vergoeding der reis en verblijfkosten van de leden der staten. 27. De leden der staten genieten reis en verblijfkosten volgens de wet. De leden, met der woon gevestigd in de gemeente, waar de vergadering der staten wordt gehouden, genieten geene reis en verblijfkosten. DERDE HOOFDSTUK. VAN DEN COMMISSARIS DES KONINGS. 28. Onze commissaris heeft zijne vaste woonplaats in de gemeente, waar de vergadering der staten wordt gehouden. 29. Hij zit voor in de vergadering der staten en in die der gedeputeerde staten. In de vergadering der staten heeft hij eene raadgevende stem en uit hij zijn gevoelen, zoo dikwijls hij het noodig oordeelt. In die der gedeputeerde staten heeft hij stem, doch onthoudt hij zich van medestemmen over de zaken, die hem, zijne echtgenoote, of zijne bloed of aanverwanten, tot den derden graad ingesloten, persoonlijk aangaan, of waarin hij als gelastigde is betrokken. 30. Hij teekent alle de stukken, die van de staten en gedeputeerde staten uitgaan. 31. Hij ontvangt en opent alle aan de staten of gedeputeerde staten gerigte stukken. Hij brengt die terstond ter tafel in de vergadering, waar zij hooren, tenzij die stukken, volgens de orde der vergadering, dadelijk behooren te worden verzonden aan dat lid of aan die leden, aan wier meer bijzondere behandeling het onderwerp, waartoe de stukken betrekking hebben, is opgedragen. Hij zorgt, zooverre het van hem afhangt, voor de uitvoering van hetgeen de vergadering omtrent de stukken besluit. Hij is, in spoedeischende gevallen, bevoegd, het gevorderd voorloopig onderzoek der stukken, alvorens ze ter tafel te brengen, te doen plaats hebben, en geeft daarvan in de eerstkomende vergadering kennis. Ten behoeve van dit onderzoek zijn alle aan de staten ondergeschikte ambtenaren en besturen verpligt, hem de gevraagde inlichtingen te verstrekken. 32. Hij is belast met de uitvoering van alle besluiten en beslissingen der staten en gedeputeerde staten. Het besluit, dat, naar zijn oordeel, als strijdig met de wet of het algemeen belang, door Ons kan worden geschorst of vernietigd, brengt hij niet ten uitvoer. Hij geeft van dit gevoelen, binnen vier en twintig uren na het nemen van het besluit, aan de staten of gedeputeerde staten kennis. Hij is, indien, dertig dagen na de dagteekening dezer kennisgeving, geene schorsing of vernietiging door Ons is bevolen, tot uitvoering van het besluit verpligt. 33. In alle regtsgedingen, de provincie betreffende, treedt hij, namens gedeputeerde staten, als eischer of verweerder op, en worden de vonnissen en gewijsden voor of tegen hem uitgesproken en ten uitvoer gelegd. 34. Hij heeft het oppertoezigt over de provinciale griffie. Op zijne voordragt worden, uitgenomen de griffier, de ambtenaren en bedienden bij de griffie door gedeputeerde staten benoemd, geschorst en ontslagen. 35. Ongesteld of afwezig zijnde, wordt hij, tot dat Wij zullen hebben voorzien, vervangen door het oudste lid in jaren van gedeputeerde staten, dat aanwezig is. VIERDE HOOFDSTUK. VAN DEN GRIFFIER. 36. De griffier wordt door de staten benoemd, uit eene voordragt van drie personen, door gedeputeerde staten te doen, en door hen, op voorstel van gedeputeerde staten, ontslagen. 37. Niemand is tot griffier benoembaar, dan die Nederlander, in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten is, en den ouderdom van vijf en twintig jaren heeft vervuld. 38. De griffier mag Onzen commissaris en de leden van gedeputeerde staten niet in den eersten of tweeden graad van bloedverwantschap of zwagerschap bestaan. De zwagerschap houdt op door het overlijden der vrouw, die haar veroorzaakte. 39. Hij mag, met zijn ambt, geenerlei lands of provinciale bediening, noch eenige betrekking bij een in de provincie gelegen waterschap, noch die van hoogleeraar, lector of onderwijzer, notaris of procureur, te gelijk bekleeden, noch de practijk als advocaat uitoefenen. Het is hem verboden, middellijk of onmiddellijk aandeel te hebben in pachten, leveringen of aannemingen ten behoeve der provincie. 40. Alvorens zijne betrekking te aanvaarden, wordt door hem, in de vergadering van gedeputeerde staten, in handen van den voorzitter, op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, de volgende eed of belofte afgelegd: "Ik zweer (beloof), dat ik alle de pligten, die de wet op de zamenstelling en magt van de provinciale staten en de door de staten van .... vastgestelde of vast te stellen instructie aan het ambt van griffier hebben verbonden, eerlijk en vlijtig zal vervullen." "Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!" ("Dat beloof ik!") Hij wordt hiertoe niet toegelaten, dan na den in art. 83 der grondwet bedoelden eed (verklaring en belofte) van zuivering te hebben afgelegd. 41. De griffier is Onzen commissaris en de gedeputeerde staten, in alles wat het hun bij deze wet opgedragen bestuur aangaat, behulpzaam. 42. Door hem worden alle de stukken, die van de staten en gedeputeerde staten uitgaan, medeonderteekend. 43. Zijne instructie wordt door de staten vastgesteld. 44. Hij heeft zijne vaste woonplaats in de gemeente, waar de vergadering der staten wordt gehouden. VIJFDE HOOFDSTUK. VAN DE LEDEN DER GEDEPUTEERDE STATEN. § 1. Van hunne benoeming. Art. 45. De staten benoemen uit hun midden een collegie van gedeputeerde staten. Dit collegie bestaat uit zes, doch in Drenthe uit vier leden. 46. De gewone tijd ter verkiezing der leden van gedeputeerde staten is de eerste op de opening der statenvergadering volgende Woensdag der maand Julij. Alsdan wordt voorzien in de vervulling van de plaatsen der leden, die op den vorigen dag zijn afgetreden. 47. De verkiezing ter vervulling der plaatsen, die door ontslag of overlijden, of om eene andere reden openvallen, geschiedt binnen twee maanden na dat openvallen. 48. De benoemde, die in de vergadering tegenwoordig is, verklaart binnen twee, hij die niet tegenwoordig is, binnen acht dagen na ontvangst van het berigt zijner benoeming, of hij die aanneemt. 49. Wanneer een benoemde zijne benoeming niet aanneemt, geschiedt, zoo spoedig mogelijk, eene nieuwe keuze). 50. De leden van gedeputeerde staten kunnen ten allen tijde hun ontslag nemen. Het wordt door hen ingezonden aan de staten. § 2. Van de vereischten voor het lidmaatschap der gedeputeerde staten, en van de hiermede onvereenigbare betrekkingen. Art. 51. Bloedverwantschap of zwagerschap, tot den derden graad ingesloten, mag niet bestaan tusschen Onzen commissaris en de leden der gedeputeerde staten, noch tusschen de leden onderling. Die na zijne benoeming in den verboden graad van zwagerschap geraakt, behoeft vóór den afloop van zijnen tijd van zitting niet af te treden. De zwagerschap houdt op door het overlijden der vrouw, die haar veroorzaakte. 52. Die ophoudt lid der staten te zijn, houdt tevens op lid van gedeputeerde staten te wezen). 53. De leden van gedeputeerde staten mogen, met de hunne, niet te gelijk bekleeden eenige bezoldigde lands of provinciale bediening, noch de betrekking van lid of beambte van een gemeentebestuur; van dijkgraaf, lid of beambte van het bestuur van een in de provincie gelegen waterschap; van hoogleeraar, lector of onderwijzer; van notaris of procureur; noch de practijk als advocaat uitoefenen. 54. Zij mogen niet tegenwoordig zijn bij het opnemen en goedkeuren der rekening eener aan gedeputeerde staten ondergeschikte inrigting, tot welker bestuur zij behooren. 55. Een lid der gedeputeerde staten, eene der in art. 53 uitgeslotene betrekkingen aannemende, houdt op lid te zijn. Binnen twee maanden nadat gedeputeerde staten van het feit kennis hebben bekomen, geschiedt, ter vervulling zijner plaats, eene nieuwe keuze. 56. De leden van gedeputeerde staten zijn verpligt, alle de vergaderingen van hun collegie, tenzij eene geldige reden, ter beoordeeling der vergadering, het hun belette, bij te wonen. 57. Het is hun verboden, middellijk of onmiddellijk aandeel te hebben in pachten, leveringen of aannemingen ten behoeve der provincie. 58. Die met het vorig artikel in strijd handelt, of gedurende eene maand, zonder geldige reden, de vergadering niet bijwoont, wordt in zijne betrekking door gedeputeerde staten geschorst, tot de eerstkomende gewone of buitengewone vergadering der staten. De staten beoordeelen het geval en doen, indien zij den geschorste schuldig bevinden, na dezen vervallen te hebben verklaard, eene nieuwe keuze. Gedurende de schorsing mist de geschorste het genot zijner jaarwedde, die hem, wordt hij door de staten schuldig verklaard, te rekenen van het tijdstip der schorsing, onthouden blijft. § 3. Van den tijd van aftreding der leden van gedeputeerde staten. Art. 59. De leden van gedeputeerde staten worden benoemd voor zes jaren. De helft der leden treedt om de drie jaren af, met den eersten Dingsdag der maand Julij. De aftredenden zijn dadelijk weder verkiesbaar. 60. Het lot bepaalt den tijd, waarop elk lid, overeenkomstig het vorig artikel, aftreedt. 61. Die, ter vervulling eener buiten, den gewonen tijd van aftreding opengevallene plaats, tot lid van gedeputeerde staten verkozen is, treedt af op het tijdstip, waarop degene, in wiens plaats hij is verkozen, moest aftreden. § 4. Van de bezoldiging der leden van gedeputeerde staten. Art. 62. Aan de leden der gedeputeerde staten wordt eene jaarwedde toegelegd, waarvan zij de helft als vast inkomen genieten. De overblijvende helften worden in elke provincie bijeengevoegd en om de drie maanden tusschen de leden verdeeld, naar gelang van het getal der vergaderingen, door ieder in dien tijd bijgewoond. Hij, die wegens commissiën, hem als lid van gedeputeerde staten opgedragen, is afwezig geweest, behoudt zijne aanspraak op het presentiegeld. ZESDE HOOFDSTUK. VAN DE VERGADERING DER STATEN EN DER GEDEPUTEERDE STATEN. § 1. Van de vergadering der staten. Art. 63. De vergadering der staten van Noordbrabant wordt gehouden te 's Hertogenbosch; die der staten van Gelderland te Arnhem; die der staten van Zuidholland te 's Gravenhage; die der staten van Noordholland te Haarlem; die der staten van Zeeland te Middelburg; die der staten van Utrecht te Utrecht; die der staten van Friesland te Leeuwarden; die der staten van Overijssel te Zwolle; die der staten van Groningen te Groningen; die der staten van Drenthe te Assen; die der staten van Limburg te Maastricht. In buitengewone omstandigheden, kan door Ons eene andere plaats daartoe worden aangewezen. 64. Jaarlijks worden twee gewone vergaderingen gehouden. De eene wordt geopend op den eersten Dingsdag der maand Julij; de andere op den eersten Dingsdag der maand November. 65. De gewone vergadering komt zonder voorafgaande oproeping bijeen. Zij duurt, tenzij de staten tot het tegendeel besluiten, ten minste veertien dagen. 66. Buitengewone vergaderingen worden, zoo dikwijls het, tot het doen van keuzen, door de wet wordt gevorderd, of Wij het noodig oordeelen, na voorafgaande oproeping door Onzen commissaris, daartoe telkens door Ons te magtigen, gehouden. In die vergaderingen wordt, behoudens het bepaalde hij art. 58, niets behandeld, dan de zaken waarvoor zij zijn bijeengeroepen. 67. De vergadering, gewone of buitengewone, mag uiterlijk voor veertien dagen worden verdaagd. 68. Zij wordt, in Onzen naam, door den voorzitter geopend en gesloten. 69. Zij wordt in het openbaar gehouden. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende gedeelte der aanwezige leden het vordert of de voorzitter het noodig keurt. De vergadering beslist, of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd. Over de punten, in besloten vergadering behandeld, kan daarin ook een besluit worden genomen. 70. Alvorens tot andere werkzaamheden over te gaan, onderzoekt elke vergadering de geloofsbrieven harer nieuw inkomende leden. Zij beslist de geschillen, welke aangaande die geloofsbrieven of de verkiezing zelve oprijzen, dadelijk of, zoo de zaak uitstel vordert, op een daartoe te bepalen dag. In dit geval gaat zij ondertusschen met hare andere werkzaamheden voort. De nieuw inkomende leden nemen geen deel aan het onderzoek en de beoordeeling hunner eigene geloofsbrieven. Zij wonen de daarover te houden beraadslagingen niet bij. 71. Bij het aanvaarden hunner betrekking wordt door de leden der staten, in de vergadering, in handen van den voorzitter, door ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, de volgende eed of belofte afgelegd: "Ik zweer (beloof) trouw aan de grondwet en aan de wetten des rijks." "Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!" ("Dat beloof ik!") Zij worden hiertoe niet toegelaten, dan na den in art. 83 der grondwet bedoelden eed (verklaring en belofte) van zuivering te hebben afgelegd. 72. De leden stemmen elk volgens eed en geweten, zonder last van, of ruggespraak met hen, die benoemen. 73. Zij onthouden zich van medestemmen over de zaken, die hen, hunne echtgenooten, of hunne bloed of aanverwanten, tot den derden graad ingesloten, persoonlijk aangaan, of waarin zij als gelastigden zijn betrokken. 74. Zij zijn niet geregtelijk vervolgbaar wegens de stem of meening, door hen in de vergadering geuit. 75. De vergadering mag niet beraadslagen of besluiten, zoo niet meer dan de helft der leden tegenwoordig is. 76. Alle besluiten worden door volstrekte meerderheid der stemmende leden opgemaakt. Bij staken van stemmen wordt het nemen van het besluit tot eene volgende vergadering uitgesteld. In deze, en evenzoo in eene voltallige vergadering, wordt, bij staken van stemmen, het voorstel geacht niet te zijn aangenomen. 77. Over alle zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, doch bij het doen van keuzen of voordragten van personen, bij besloten en ongeteekende briefjes. 78. Wanneer eene keuze of voordragt van personen is te doen, benoemt de voorzitter vier leden tot stemopnemers. Zij onderzoeken, of het getal briefjes gelijk is aan dat der tegenwoordig zijnde leden. De inhoud van elk briefje wordt door een der stemopnemers overluid voorgelezen, door een ander nagezien, door de beide overige opgeteekend. 79. Er hebben zoovele stemmingen plaats, als personen te kiezen of voor te dragen zijn. 80. Niet of niet behoorlijk ingevulde stembriefjes worden, tot bepaling der meerderheid, afgetrokken van het getal der leden, die bij de stemming tegenwoordig geweest zijn. In geval van twijfel over den inhoud van een briefje, beslist de vergadering. 81. Eene verkregene meerderheid van stemmen geldt niet, wanneer de vergadering beslist, dat daarop een tusschen het getal der briefjes en dat der tegenwoordig zijnde leden bestaand verschil van invloed heeft kunnen zijn. 82. De stemming is nietig indien het getal behoorlijk ingevulde briefjes niet grooter is, dan de helft van dat der leden van de vergadering. 83. Wanneer niemand bij de eerste stemming de volstrekte meerderheid heeft verkregen, wordt tot eene tweede vrije stemming overgegaan. Is ook bij deze geene volstrekte meerderheid verkregen, dan wordt de stemming bepaald tot de twee personen, die bij de tweede stemming de meeste stemmen hebben verkregen, of, zijn de meeste stemmen tusschen meerdere personen verdeeld, tot allen, die aldus de meeste stemmen hebben erlangd. Ook hierdoor geene volstrekte meerderheid van stemmen verkregen zijnde, heeft er een vierde stemming plaats over de twee personen, die bij de derde stemming de meeste stemmen hebben erlangd. Indien bij de derde of de vierde stemming de stemmen staken, beslist het lot. 84. Het reglement van orde, dat de staten voor hunne vergadering vaststellen, wordt aan Onze goedkeuring onderworpen. § 2. Van de vergadering der gedeputeerde staten. Art. 85. De bepalingen der artt. 63, 73, 74 en 77 zijn van toepassing op de vergadering der gedeputeerde staten. 86. De leden der gedeputeerde staten, ter vergadering komende, teekenen hunnen naam op eene lijst, die, bij het eindigen der vergadering, door den voorzitter en den griffier wordt gesloten en onderteekend. Deze lijst wordt, ten minste gedurende een jaar, ter provinciale griffie bewaard. In elke gewone vergadering der staten worden de sedert de vorige gewone vergadering gehoudene lijsten, ter kennisneming, overgelegd. 87. De vergadering mag geen besluit nemen, tenzij meer dan de helft der leden, de voorzitter daaronder begrepen, tegenwoordig zij. 88. Alle besluiten worden bij volstrekte meerderheid van stemmen opgemaakt. Bij staken van stemmen wordt het nemen van een besluit tot de volgende vergadering verdaagd. De stemmen dan andermaal stakende, wordt geen besluit geacht genomen te zijn. 89. Indien in gevallen, waarin eene beslissing volstrekt wordt gevorderd, de stemmen staken, wordt een lid der staten, daartoe jaarlijks in de gewone zomervergadering door de staten te benoemen, in de vergadering geroepen. Zoodanig lid heeft, zooverre de te beslissen zaak aangaat, stem en zitting in de vergadering, totdat deze eene beslissing heeft genomen. 90. Ingeval omtrent het benoemen of voordragen van personen de stemmen staken, beslist het lot. 91. Het reglement van orde, dat de gedeputeerde staten voor hunne vergadering vaststellen, wordt aan de goedkeuring der provinciale staten onderworpen. TWEEDE AFDEELING. Van de magt der provinciale staten. EERSTE HOOFDSTUK. ALGEMEENE BEPALINGEN. Art. 92. De provinciale staten vertegenwoordigen de geheele provincie. 93. De staten kunnen de belangen van hunne provincie en van hare ingezetenen bij Ons en bij de staten generaal voorstaan. 94. Hun behoort, met betrekking tot de regeling en het bestuur van het provinciale huishouden, alle bevoegdheid, die niet bij deze of eenige andere wet aan gedeputeerde staten is opgedragen. 95 Zij hebhen het regt, de ter uitoefening hunner bevoegdheid noodige inlichtingen, hetzij door eene bijzondere commissie uit hun midden te doen inwinnen, hetzij schriftelijk van alle aan hen ondergeschikte ambtenaren en besturen te vorderen. Indien deze ambtenaren of besturen, na twee malen daartoe te zijn aangeschreven geweest, de inlichtingen terughouden, kunnen deze, na het verstrijken van den te stellen termijn, worden ingewonnen door een of meer leden der staten, onder persoonlijke aansprakelijkheid der ambtenaren en leden van besturen, welke tot de vertraging hebben medegewerkt, voor de kosten. Eene bijzondere commissie mag, op Onze magtiging, hare werkzaamheden ook na de sluiting der statenvergadering voortzetten. 96. Zij kunnen met de staten van andere provinciën over zaken, tot hunne bevoegdheid behoorende, in briefwisseling treden. 97. De zaken, die twee of meer provinciën gemeenschappelijk aangaan, kunnen door de staten dier provinciën, daartoe door Ons gemagtigd, onder Onze goedkeuring worden geregeld. 98. Onze beslissing omtrent de door de staten gemaakte, aan Onze goedkeuring te onderwerpen reglementen en verordeningen wordt bekend gemaakt binnen twee maanden na den dag, waarop zij zijn vastgesteld. De beslissing kan door Ons, bij een, binnen dien tijd te nemen, met redenen te omkleeden besluit, worden verdaagd. Is zij niet genomen vóór de gewone zomervergadering, die na de vaststelling van het stuk volgt, dan worden de staten in die vergadering met de redenen van het uitstel van Onzentwege bekend gemaakt. 99. Onze goedkeuring wordt verleend of onthouden aan de verordening in haar geheel, gelijk zij door de staten is vastgesteld. 100. De door Ons goedgekeurde begrootingen en rekeningen, betreffende de enkel provinciale en huishoudelijke inkomsten en uitgaven, en alle andere algemeene provinciale reglementen en verordeningen, worden in het provinciale blad geplaatst, en algemeen verkrijgbaar gesteld. 101. De reglementen en verordeningen treden, indien zij geen ander tijdstip daartoe aanwijzen, in werking op den achtsten dag na de dagteekening van het blad, waarin zij zijn geplaatst. 102. Het formulier van afkondiging luidt: "De gedeputeerde staten van ..... doen te weten, dat door de staten dier provincie (door hen), in hunne vergadering van..... is vastgesteld hetgeen volgt (de inhoud van het vastgestelde, zoo het stuk Onze goedkeuring behoeft, de dagteekening van het besluit, waarbij die goedkeuring is verleend) Gegeven" enz. De afkondiging van het stuk geschiedt binnen veertien dagen nadat Onze goedkeuring is verleend, of, zoo het deze niet behoeft, binnen acht dagen nadat het is vastgesteld. TWEEDE HOOFDSTUK. VAN DE BEGROOTING. Art. 103. De begrooting der kosten van het provinciaal bestuur, voor zoo veel het rijksbestuur is, en die der enkel provinciale en huishoudelijke inkomsten en uitgaven, worden jaarlijks door gedeputeerde staten opgemaakt en aan elk lid der staten gezonden, veertien dagen vóór het openen der gewone zomervergadering, die voorafgaat aan het jaar, waarvoor zij moeten dienen. De beide begrootingen worden, zoodra zij zijn opgezonden, algemeen verkrijgbaar gesteld. 104. De staten onderzoeken de beide begrootingen zonder uitstel, en doen de eerste het eerst af. 105. Op de begrooting der kosten van het provinciaal bestuur, voor zooveel het rijksbestuur is, worden gebragt: de jaarwedden van Onzen commissaris, van de leden der gedeputeerde staten, van den griffier en van de ambtenaren en bedienden bij de provinciale griffie; de door hen en de leden der staten te genieten vergoeding van reis- en verblijfkosten; de kosten van licht, brand en bureaubehoeften der provinciale griffie; de schrijfloonen aldaar betaald wordende; de kosten van het onderhouden, schoonhouden en meubeleren der gebouwen, bestemd voor de vergaderingen der staten en gedeputeerde staten, en voor de provinciale griffie; de voor die gebouwen, waar zij eigendom van bijzondere personen zijn, te betalen huur; de kosten van onderhoud van het gebouw, tot woning van Onzen commissaris bestemd, waar het rijkseigendom is; de huur van dat gebouw, waar het geen rijkseigendom is, tenzij de commissaris wone in het provinciaal gebouw, voor de vergaderingen der staten en de provinciale griffie bestemd. 106. De in het vorig artikel bedoelde kosten, Ons door de staten voor te dragen, worden, zoover Wij die goedkeuren, door Ons op de begrooting der rijksuitgaven gebragt. Van het door Ons te dien aanzien beslotene geschiedt kennisgeving aan de staten. 107. Op de begrooting der enkel provinciale en huishoudelijke uitgaven worden gebragt: de jaarwedden der niet op de provinciale griffie, in de dienst der provincie werkzame ambtenaren en bedienden; de door hen te genieten vergoeding van reis en verblijfkosten; de kosten van het aanleggen en onderhouden van provinciale wegen en werken; de kosten van het onderhoud der provinciale eigendommen en de wegens die eigendommen verschuldigde lasten; de renten en aflossingen van de door de provincie aangegane geldleeningen; de kosten, vallende op de door de provincie te voeren gedingen; de kosten van het provinciale blad en van andere ten behoeve der provincie gedrukte stukken; de kosten van verpleging der arme krankzinnigen; alle uitgaven, in het provinciaal belang noodig, of door bijzondere wetten aan de provincie opgelegd. 108. De in het vorig artikel bedoelde begrooting wordt ingerigt overeenkomstig de door Ons, te dien aanzien, bij eenen algemeenen maatregel van inwendig bestuur, te geven voorschriften. 109. Zij behoeft, om te werken, Onze goedkeuring. 110. Op de begrooting zijn de bepalingen der artt. 98 en 99 van toepassing. 111. Is Onze goedkeuring niet verleend aan de begrooting vóór den aanvang van het jaar, waarvoor deze moet dienen, dan kunnen gedeputeerde staten door Ons worden gemagtigd, tot op de helft der aangevraagde sommen uitgaven te doen uit die posten der begrooting, waartegen bij Ons geene bedenking bestaat. 112. Indien de staten weigeren, de door de wet aan de provincie opgelegde uitgaven op de begrooting te brengen, geschiedt zulks door Ons. Indien, in dat geval, de provinciale inkomsten niet toereikende zijn, en de staten weigeren nieuwe middelen tot dekking voor te dragen, worden de overige, niet bij de wet aan de provincie opgelegde uitgaven door Ons, bij een in het Staatsblad te plaatsen besluit, in zoodanige rede verminderd, dat tusschen de provinciale inkomsten en uitgaven evenwigt zij. Deze vermindering kan de renten der door de provincie aangegane geldleeningen niet treffen. 113. Af en overschrijving op de posten der in art. 107 bedoelde begrooting kan niet geschieden, dan voor zooverre daartoe bij de begrooting zelve, of bij een afzonderlijk, door Ons goedgekeurd besluit der staten, magtiging is verleend. 114. Tot het bevelen der af en overschrijvingen, waartoe bij de begrooting magtiging is verleend, behoeven gedeputeerde staten in elk geval Onze toestemming. 115. De begrooting der provinciale inkomsten vermeldt alle de inkomsten der provincie, van welken aard ook . Zij wordt te gelijk met de begrooting der in art. 107 bedoelde uitgaven aan Onze goedkeuring onderworpen. Op haar zijn de artt. 108-110 van toepassing. 116. De door de staten voorgedragene provinciale belastingen, waartegen bij Ons geene bedenking bestaat, worden bij een ontwerp van wet, hetwelk de enkel provinciale en huishoudelijke behoeften, tot welker dekking zij moeten dienen, vermeldt, en de reglementaire voorschriften, naar welke zij zullen worden ingevorderd, aanhaalt, zoo spoedig mogelijk, aan de bekrachtiging der wetgevende magt onderworpen. Zoo in de voorschriften, betreffende de invordering, wijziging wordt noodig gekeurd en gebragt, wordt de belasting dienovereenkomstig niet geheven, dan na op nieuw door de wet bekrachtigd te zijn. 117. Accijnsen mogen niet als provinciale belastingen worden voorgedragen. Voor het overige is de voordragt van provinciale belastingen onderworpen aan de regels en perken, door de wetten betreffende 's lands belastingen gesteld. 118. De rekenpligtige provinciale ambtenaren doen van de, door hen voor de provincie gedane ontvangsten en uitgaven rekening en verantwoording aan de algemeene rekenkamer, overeenkomstig de regelen door de wet gesteld. 119. Van de enkel provinciale en huishoudelijke inkomsten en uitgaven wordt door gedeputeerde staten, over elk dienstjaar, aan de staten verantwoording gedaan, onder overlegging van eene rekening, welker cijfers door de rekenkamer zijn deugdelijk verklaard. Gedeputeerde staten zenden deze rekening, met vermelding van hetgeen zij ter hunner verantwoording dienstig achten, aan elk lid der staten, veertien dagen voor het openen der tweede gewone zomervergadering, die volgt na het jaar, waartoe de rekening betrekking heeft. De rekening wordt, zoodra zij is opgezonden, algemeen verkrijgbaar gesteld. 120. De staten onderzoeken de rekening, zonder uitstel, en stellen het bedrag der ontvangsten en uitgaven vast, bij een besluit, waarvan het ontwerp door gedeputeerde staten, te gelijk met de rekening, wordt opgezonden. De gedeputeerde staten zijn bij de beraadslagingen daarover tegenwoordig, doch onthouden zich van medestemmen over het besluit. 121. Het door de staten genomen besluit behoeft Onze bekrachtiging. 122. De betalingen ten behoeve der enkel provinciale en huishoudelijke uitgaven geschieden op bevelschriften van gedeputeerde staten, door hunnen voorzitter, een der leden en den griffier te teekenen. 123. Op de bevelschriften wordt door hem, aan wien zij zijn gerigt, niet betaald, dan wanneer daarin hetgeen te betalen is en de post der begrooting, waarop het is aan te wijzen, wordt vermeld. 124. Wegens uitgaven, door gedeputeerde staten bevolen, waardoor het eindcijfer der begrooting of de aangewezen begrootingspost wordt overschreden, of die, ter kwader trouw, zijn aangewezen op een post, waarmede zij niet overeenstemmen, worden de leden der gedeputeerde staten en de commissaris des Konings, tenzij blijke dat zij tot het bevelen dier uitgaven niet hebben medegewerkt, persoonlijk aansprakelijk jegens de provincie, indien die uitgaven, bij het besluit in art. 120 bedoeld, niet onder de provinciale uitgaven worden opgenomen. De staten benoemen, zoo dikwijls daartoe, volgens dit artikel, termen zijn, iemand uit hun midden met de regtsvervolging tot schadevergoeding belast. 125. De termijnen van verjaring voor de vorderingen ten laste van het rijk, bij de wet bepaald ofte bepalen, zijn op de vorderingenten laste der provincie van toepassing. 126. De gelden, door rijksambtenaren ten behoeve der provincie ontvangen, worden vóór het einde van elke maand, volgende op die waarin zij zijn ontvangen, door den minister van financiën ter beschikking van gedeputeerde staten gesteld. DERDE HOOFDSTUK. VAN DE DOOR DE STATEN UIT TE VOEREN WETTEN EN KONINKLIJKE BEVELEN. Art. 127. De staten worden belast met de uitvoering van de wetsbepalingen en algemeene maatregelen van inwendig bestuur, betreffende het bijzondere bestuur van den waterstaat; de vereeniging en splitsing van gemeenten; het onderwijs, voor zooveel het wordt gegeven op scholen, door de provincie, door gemeenten of bijzondere personen opgerigt; het armbestuur; de nijverheid; voorts van alle wetten, welker uitvoering hun door Ons wordt opgedragen. 128. De algemeene voorschriften en bevelen, door Ons te geven omtrent de uitvoering der wetten, waarvan de uitvoering aan de staten is opgedragen, worden door hen nageleefd. 129. Wanneer de staten niet, of niet behoorlijk, voor de uitvoering der in artt. 127 en 128 bedoelde wetten, maatregelen en bevelen zorgen, kan Onze commissaris door Ons, bij een in het Staatsblad te plaatsen, met redenen omkleed besluit, worden gemagtigd, om in de uitvoering te voorzien. VIERDE HOOFDSTUK. VAN DE REGELING EN HET BESTUUR VAN HET PROVINCIALE HUISHOUDEN. § 1. Algemeene bepalingen. 130. Aan de staten behoort de regeling en het bestuur van het provinciale huishouden. 131. Zij regelen de geldleeningen ten laste der provincie te doen; de bezoldigingen van alle provinciale ambtenaren; en hetgeen verder de geldmiddelen der provincie aangaat. 132. Zij besluiten tot het koopen, ruilen of vervreemden, het bezwaren of verpanden van provinciale eigendommen, het treffen van dadingen daaromtrent, en het aanvaarden der aan de provincie gedane legaten of schenkingen. 133. De besluiten, door de staten omtrent de in artt. 131 en 132 bedoelde zaken te nemen, behoeven Onze goedkeuring. 134. Zij bevelen, behoudens de bepalingen der wet door art. 191 der grondwet gevorderd, het aanleggen of verbeteren van provinciale wegen, gebouwen, werken en inrigtingen. 135. Zij beoordeelen en beslissen of de provincie regtsgedingen zal voeren. 136. De staten oefenen toezigt uit, voor zooverre dit door Ons niet aan anderen is opgedragen, over alle verveeningen, ontgrondingen, indijkingen, droogmakerijen, mijnwerken en steengroeven binnen hunne provincie. 137. Zij hebben het toezigt op alle wateren, bruggen, wegen, waterwerken en waterschappen binnen hunne provincie. 138. Zij zijn bevoegd, behoudens de bepalingen der wet, door art. 191 der grondwet gevorderd, de inrigtingen en reglementen der waterschappen te veranderen en nieuwe vast te stellen. Hunne besluiten te dien aanzien worden onderworpen aan Onze goedkeuring. Daarop zijn de bepalingen der artt. 98 en 99 van toepassing. 139. Zij zorgen, dat de doorvoer, en de uitvoer naar en invoer uit andere provinciën geene belemmering ondergaan. 140. Zij maken de reglementen en verordeningen, die zij voor het provinciaal belang noodig oordeelen, en onderwerpen die aan Onze goedkeuring. 141. Hunne reglementen en verordeningen kunnen geene bepalingen omtrent onderwerpen van algemeen rijksbelang inhouden. 142. De bepalingen dier reglementen en verordeningen houden van regtswege op te gelden, zoodra omtrent het daarin geregelde onderwerp door eene wet of een algemeenen maatregel van inwendig bestuur voorschriften worden gegeven. § 2. Van het toezigt op de gemeentebesturen. Art. 143. De besluiten der gemeentebesturen, betreffende de beschikking over gemeenteeigendom en andere door de gemeentewet aan te wijzen burgerlijke regtshandelingen, worden onderworpen aan de goedkeuring der staten. Dit geschiedt insgelijks met de gemeentelijke begrootingen van inkomsten en uitgaven. 144. Het instellen, afschaffen of veranderen van jaarmarkten of gewone marktdagen in de gemeenten geschiedt niet dan met magtiging der staten, tenzij in de gevallen waarin de goedkeuring aan Ons is voorbehouden, en die door een algemeenen maatregel van bestuur worden aangewezen. 145. De besluiten der gemeentebesturen tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van plaatselijke belastingen worden door de staten, onder mededeeling van hun gevoelen, aan Ons ter goed- of afkeuring voorgedragen. 146. De staten vragen van Ons de schorsing of vernietiging der plaatselijke verordeningen, die hun met de wetten of het algemeen provinciaal belang strijdig voorkomen. 147. Zij trachten alle geschillen tusschen de gemeentebesturen hunner provincie in der minne te doen bijleggen. Indien zij daarin niet slagen, dragen zij het geval, zoo het een geschil van bestuur betreft, aan Ons ter beslissing voor. 148. De geschillen over het aanleggen en onderhouden vau werken, en alle andere geschillen van bestuur tusschen de provincie en ééne of meer gemeenten, worden door Ons beslist. VIJFDE HOOFDSTUK. VAN DE DAGELIJKSCHE LEIDING EN UITVOERING VAN ZAKEN. Art. 149. De dagelijksche leiding en uitvoering van zaken behooren aan gedeputeerde staten, en zulks hetzij de staten zijn vergaderd of niet. 150. Eene door de staten, onder Onze goedkeuring, te maken instructie voor de gedeputeerde staten regelt de uitoefening hunner bevoegdheid tot de dagelijksche leiding en uitvoering van zaken, overeenkomstig de bepalingen der artt. 151-162. 151. Gedeputeerde staten voeren de wetten, algemeene maatregelen van inwendig bestuur en koninklijke bevelen uit, waarvan de uitvoering aan de staten is opgedragen. Zij maken de daartoe noodige verordeningen en onderwerpen die aan Onze goedkeuring. 152. Door hen worden insgelijks uitgevoerd de provinciale reglementen en verordeningen, en de besluiten en beslissingen der staten. 153. Zij beslissen de geschillen, over de in de beide vorige artikelen bedoelde uitvoering gerezen, tenzij de wetten of verordeningen dit aan anderen hebben opgedragen. 154. Zij beheeren de provinciale inkomsten en eigendommen, en zijn bevoegd die eigendommen te verhuren. 155. Zij vertegenwoordigen de provincie in regten. Zij zijn bevoegd, alvorens de magtiging der staten tot het voeren van een regtsgeding ten behoeve der provincie te hebben verkregen, alle conservatoire maatregelen, zoo in als buiten regten, te nemen, en verpligt, te doen wat noodig is, ter voorkoming van verjaring en verlies van regt of bezit. 156. Zij benoemen en ontslaan alle uit de provinciale kas bezoldigde ambtenaren en bedienden, welker benoeming niet bij deze wet of de provinciale reglementen en verordeningen aan de staten is voorbehouden. Zij schorsen den griffier en alle uit de provinciale kas bezoldigde ambtenaren en bedienden. 157. Zij zijn belast met de behoorlijke voorbereiding van al hetgeen in de vergadering der staten, ter overweging en beslissing, moet worden gebragt. Zij ontwerpen, tenzij de staten het aan bijzondere commissiën opdragen, de nieuwe of gewijzigde reglementen van waterschappen en alle de provinciale reglementen en verordeningen, volgens de artt. 138 en 140 door de staten vast te stellen. Zoodanige bijzondere commissie mag, op Onze magtiging, hare werkzaamheden ook na de sluiting der statenvergadering voortzetten. 158. De keuren of policieverordeningen der waterschappen behoeven hunne goedkeuring. 159. Zij stellen de plannen en voorwaarden van aanbesteding vast van de door de staten bevolene werken, tenzij deze zich de goedkeuring daarvan hebben voorbehouden. 160. Zij zijn bevoegd, in het onderhoud van alle provinciale werken, wanneer dit geen uitstel lijden kan, zonder daartoe vooraf door de staten gemagtigd te zijn, te voorzien, mits daarvan in de eerstkomende vergadering der staten kennis gevende. 161. Zij oefenen de in artt. 143-147 vermelde magt der staten uit. 162. Zij houden op al, wat de provincie aangaat, een gedurig toezigt, en doen jaarlijks, in de gewone zomervergadering, aan de staten een uitvoerig en beredeneerd verslag van den toestand der provincie. Dit verslag wordt ingerigt op de wijze en in den vorm door den minister van binnenlandsche zaken voor te schrijven, en algemeen verkrijgbaar gesteld. Een algemeen reglement van inwendig bestuur regelt de oprigting van bureaux van statistiek in de onderscheidene provinciën. 163. Zij zijn wegens de dagelijksche leiding en uitvoering der zaken, voor zooveel de in de artt. 152-162 omschrevene handelingen betreft, aan de staten verantwoording schuldig. Zij geven alle te dien aanzien door de staten verlangde inlichtingen. Ingeval zij weigeren dit te doen, kunnen de staten hen van hunne betrekking vervallen verklaren). 164. Art. 95 is op gedeputeerde staten van toepassing. 165. Over alle zaken, de provincie betreffende, dienen gedeputeerde staten van raad en berigt aan het departement van binnenlandsche zaken en de andere departementen van algemeen bestuur. ZESDE HOOFDSTUK. VAN HET SCHORSEN EN VERNIETIGEN DER BESLUITEN VAN DE STATEN EN GEDEPUTEERDE STATEN. 166. De besluiten der staten en gedeputeerde staten, die met de wetten of het algemeen belang strijdig zijn, worden door Ons geschorst of vernietigd. 167. De door de staten vastgestelde en door Ons goedgekeurde provinciale reglementen en verordeningen kunnen, zoo zij met de wetten of het algemeen belang strijdig zijn, door eene wet, die tevens de gevolgen regelt, worden geschorst of vernietigd. 168. De uitspraken van gedeputeerde staten over geschillen van bestuur of andere, wier beslissing hun door bijzondere wetten is opgedragen, worden geschorst of vernietigd op de wijze en met de gevolgen, in die wetten omschreven. 169. In alle andere, door de twee vorige artikelen niet bedoelde gevallen, wordt de schorsing of vernietiging van besluiten der staten en gedeputeerde staten door Ons bevolen bij een met redenen omkleed, in het Staatsblad te plaatsen besluit, dat, ingeval van schorsing, den duur hiervan bepaalt. 170. Schorsing stuit onmiddellijk de werking van het geschorst besluit. Zij kan niet langer duren dan een jaar. 171. Is binnen den voor de schorsing bepaalden tijd de vernietiging van het besluit door Ons niet uitgesproken, dan wordt dit geacht geldig te zijn. 172. Een besluit, dat geschorst is geweest, kan niet op nieuw worden geschorst. 173. Vernietiging van wege strijd met de wet brengt mede vernietiging van alle de gevolgen van het vernietigd besluit. Bij vernietiging van wege strijd met het algemeen belang, kunnen die gevolgen, welke niet met dat belang strijden, in stand blijven. 174. De staten of gedeputeerde staten zorgen, in geval van schorsing of vernietiging hunner besluiten, dat aan art. 170 of art. 173 worde voldaan, en op nieuw in de bij het geschorst of vernietigd besluit behandelde zaak, voor zooveel noodig is, voorzien. Indien zij dit nalaten, wordt, zoo het besluit de uitvoering gold der in de artt. 127 en 128 bedoelde wetten, maatregelen en bevelen, in die uitvoering, op de bij art. 129 bepaalde wijze, van Onzentwege voorzien. OVERGANGSBEPALINGEN. Art. 175. Alle bestaande provinciale ambtenaren en magten blijven voortduren, totdat zij door andere, volgens deze wet, zijn vervangen. Op alle burgerlijke rijksambtenaren, thans werkzaam voor het provinciaal bestuur, door of van wege Ons benoemd en ten gevolge der bij deze wet aan de provinciale of gedeputeerde staten verleende magt herbenoemd, is de wet van den 9den Mei 1846 (Staatsblad no. 24), betreffende de burgerlijke pensioenen, bij voortduring toepasselijk. Aan dezelfde ambtenaren, door de provinciale of gedeputeerde staten niet herbenoemd, kan door Ons ten laste van 's rijks kas wachtgeld worden toegekend, voor zoover zij geen aanspraak hebben op pensioen. 176. De instructien der griffiers, de bepalingen omtrent de orde in de vergadering, en alle omtrent punten, bij deze wet niet geregeld,.geldende voorschriften blijven gelden, tot dat zij door andere worden vervangen. De thans in sommige provinciën bestaande provinciale accijnsen worden binnen vijf jaren na de dagteekening dezer wet afgeschaft. 177. De eerste keuze voor de leden der staten geschiedt op den eersten Dingsdag der maand September. 178. De eerste helft der leden van de staten en gedeputeerde staten treedt af met den eersten Dingsdag in Julij 1853. 179. De dag der eerste bijeenkomst van de nieuwe statenvergaderingen wordt door Ons bepaald. Na de opening hunner vergadering, gaan de staten, zoo spoedig mogelijk, over tot het benoemen der leden van gedeputeerde staten. 180. Totdat daarin bij de in art. 4 bedoelde wet is voorzien, worden de leden der staten gekozen in de hoofdkiesdistricten, volgens art. 6 van het kiesreglement, in het 7de additionnele artikel der grondwet vervat, door gedeputeerde staten vastgesteld. Gedeputeerde staten kunnen, waar zij het noodig keuren, onderkiesdistricten aanwijzen. Eene bij deze wet gevoegde tabel bepaalt het getal der in elk hoofdkiesdistrict te kiezen leden. 181. Deze wet is verbindende met den dag harer afkondiging. TABEL, BEDOELD IN ART. 180, AANWIJZENDE HET IN ELK. HOOEDKIESDISTRICT TE KIEZEN GETAL LEDEN DER STATEN.
|
|
Terugkeren naar Overzicht pagina costuymen etc. Terugkeren naar Inhoudsopgave Laatst bijgewerkt op 17 juli 2009 |