W E T

HOUDENDE OPRIGTING VAN SCHUTTERIJEN

OVER DE GEHEELE UITGESTREKTHEID DES RIJKS.

(Vastgesteld den 11den April 1827 en uitgegeven den 18den April 1827 (Stsbl. no. 17).

Art. 203. (G.W. 1815). Het dragen der wapenen, tot handhaving der onafhankelijkheid van den staat en de beveiliging van deszelfs grondgebied, blijft, overeenkomstig 's lands oude gewoonte, den geest der pacificatie van Gent, en de grondbeginselen, bij de Unie van Utrecht aangenomen, een der eerste pligten van alle ingezetenen van het rijk."

„Art. 213. In alle gemeenten, welker bevolking binnen den besloten kring of omtrek der gebouwen 2,500 zielen en daarboven bedraagt, worden, als van ouds. schutterijen opgerigt, tot behoud der inwendige rust; deze schutterijen dienen, in tijden van oorlog en gevaar, tegen de aanvallen van den vijand. In andere gemeenten worden, in tijd van vrede, rustende schutterijen ingesteld, welke, ingeval van oorlog, gezamenlijk met de vorengemelde, dienen als een landstorm, tot verdediging des vaderlands."

„Art. 214. De bepalingen, welke door den Koning zoo omtrent het getal en de inrigting der militie, als opzigtelijk hetgeen de schutterden en den landstorm betreft, noodig geoordeeld worden, zijn het voorwerp eener door Hem voor te dragen wet."

 

Gezien de wet op de schutterijen van den 27sten Februari 1815 , alsmede Onze besluiten van den 13den April en 28 Juni daaraanvolgende;

En al verder in overweging nemende, dat de wet op de schutteryen van den 27sten Februari 1815, alsmede Onze besluiten van den 13den April en 28 Junij daaraanvolgende, geene, voor het geheele rijk gelijk werkende maatregelen behelzen, en dat het van belang is, om algemeene bepalingen op de schutterijen daar te stellen, geschikt om aan het oogmerk der Grondwet te voldoen;

Zoo is het, dat Wij, den raad van state gehoord, en met gemeen overleg der staten-generaal, Hebben goedgevonden en verstaan vast te stellen, gelijk Wij vaststellen bij deze, dat er schutterijen zullen worden opgerigt over de geheele uitgestrektheid des rijks, welks dienstdoende zullen zijn in de gemeenten, waarvan de bevolking, binnen den besloten kring of omtrek der gebouwen, 2500 zielen en daarboven bedraagt, en rustende in alle de overige; alles op den voet en onder de verdere bepalingen, bij de volgende artikelen vastgesteld.

EERSTE AFDEELING.

Bepalingen tot de schutterijen in het algemeen,

zoowel dienstdoende als rustende, gelijkelijk

betrekking hebbende.

EERSTE HOOFDSTUK.

OVER DE VERPLIGTING EN BEVOEGDHEID TOT DE

SCHUTTERLIJKE DIENST.

Art 1. Ieder ingezeten van het rijk, die op den 1sten Januarij van elk jaar zijn 25ste jaar zal zijn ingetreden en zijn 34ste niet voleindigd zal hebben, zal, ingevolge de bepalingen dezer wet, daartoe opgeroepen zijnde, verpligt wezen de schutterlijke dienst uit te oefenen.

2. Als ingezetenen worden, met betrekking tot de toepassing dezer wet, beschouwd:

a. Alle Nederlanders, binnen het rijk hun gewoon verblijf houdende.

b. Alle vreemdelingen, binnen het rijk woonachtig, welke hun voornemen om zich aldaar te vestigen, zullen hebben aan den dag gelegd, hetzij door eene uitdrukkelijke verklaring, hetzij door het werkelijk overbrengen van den zetel van hun vermogen en de hoofd-middelen van hun bestaan.

De tijdelijke uitoefening van een bedrijf of handwerk in eenige ondergeschikte betrekking, gelijk die van leerling, knecht, enz., kan op zich zelve niet beschouwd worden als een bewijs van het voornemen om zich in dit rijk te vestigen.

3. Van deelneming in de dienst der schutterijen worden vrijgesteld:

Onvoorwaardelijk

a. Die met ongeneeslijke ziekten of gebreken zijn behebt, waardoor zij tot den wapenhandel duurzaam buiten staat zijn.

b. Die kleiner zijn dan eene Nederlandsche el, en vijf honderd zeventig strepen.

Voorwaardelijk.

e. Die met ziekte of gebreken zijn behebt, waardoor zij tijdelijk tot den wapenhandel buiten staat zijn, voor zoolang deze verhindering mogt voortduren.

d. De geestelijken van alle gezindheden, zoolang zij niet van stand veranderen.

e. De professoren en lectoren aan de hoogescholen, aan de athenaea en de seminariën.

ƒ. De studenten in de godgeleerdheid.

g. Die den rang van officier in dienst van den staat, te lande of ter zee, hebben bekleed, en door eervol ontslag die dienst verlaten hebben of gepensioneerd zijn, zoolang zij niet in eenen gelijken of hoogeren rang bij de schutterijen kunnen worden aangesteld.

h. Die, wegens verandering van woonplaats, eervol uit de schutterij zijn ontslagen in den rang van officier, voor zooverre zij in hunnen vorigen of in eenen hoogeren rang niet weder kunnen worden aangesteld.

i. Die in militaire dienst ter zee of te lande zijn.

k. De broeder van hem, die in persoon voor zich zelven bij de schutterij dient, met dien verstande, dat van een gelijk getal broeders altijd de helft en van een ongelijk getal slechts de kleinste helft tot de dienst zal worden geroepen; strekkende deze bepaling zich echter niet uit tot zoodanige broeders , die , om welke reden ook, niet meer bij hunne ouders inwonen.

Het staat eenen broeder vrij voor zijnen broeder in dienst te treden, mits hij de hoedanigheden in zich vereenigt, welke bij deze wet zijn voorgeschreven.

l. Zij, die tot de dienst der nacht- of brandwachten, en tot die der brandspuiten zijn aangesteld, worden, zoolang zij met die werkzaamheden zijn belast, in tijd van vrede niet tot de waarneming van de dienst bij de schutterijen opgeroepen.

m. Ditzelfde zal ook in tijd van vrede het geval:

1°. Met lijf- en huisbedienden, voor welke, als dienstboden, de personele belasting wordt betaald; waaronder echter niet zullen worden verstaan werkboden of zoodanige bedienden, die ter uitoefening van iemands beroep of bedrijf zijn benoodigd.

2°. Met hen, die voortdurend uit armenkassen bedeeld, of in de armengestichten opgevoed of onderhouden worden; met dien verstande evenwel, dat, wanneer het getal der op deze wijze vrijgestelden meerder dan een tiende der gevorderde sterkte eener schutterij mogt uitmaken, alsdan zoo veel hoogere nommers voor de werkelijke dienst zullen worden opgeroepen , als dat meerdere bedraagt.

4. Tot de deelneming in de dienst der schutterijen zullen nimmer worden toegelaten zij, die bij een vonnis, door geene nadere uitspraak of beslissing krachteloos gemaakt, tot eene volgens de wet onteerende straf zijn verwezen; alsmede die, welke in gelijker voege gevonnisd zijn wegens eenig misdrijf, hetwelk den gevonnisden als onbevoegd tot de dienst in de schutterijen moet doen beschouwen, en zulks ter beslissing van gedeputeerde staten der provinciën op voordragt van het plaatselijk bestuur.

5. Gevangenen, in de termen van dienstpligtigheid vallende, zullen gedurende hunne gevangenschap buiten alle oproeping worden gehouden.

TWEEDE HOOFDSTUK.

OVER DE INSCHRIJVING, LOTING EN BEOORDEELING DER

REDENEN VAN VRIJSTELLING EN UITSLUITING.

Art. 6. Elk jaar, vóór den eersten Junij, zullen de ingezetenen, welke op den 1sten Januari] van het jaar hun 25ste jaar van ouderdom zullen zijn ingetreden, zonder onderscheid of zij vermeenen mogten al of niet tot de vrijgestelden of uitgeslotenen te behooren, verpligt zijn zich bij het bestuur der gemeente, in welke zij wonen, voor de schutterij te doen inschrijven.

7. Zij, die in meer dan eene gemeente hun gewoon verblijf houden, of den zetel van hun vermogen hebben gevestigd, zullen tot de inschrijving verpligt zijn, binnen die gemeente, alwaar eene dienstdoende schutterij aanwezig is.

Bijaldien in die verschillende gemeenten alleen dienstdoende of alleen rustende schutterijen bestaan, zullen zij zich doen inschrijven in de gemeente, alwaar zij voor de personele belasting zijn aangeslagen; en de ambtenaren in die gemeente, alwaar zij ambtshalve verpligt zijn hun verblijf te houden.

8. Die van hunnen ouderdom geen voldoend bewijs geven, zullen door het plaatselijk bestuur worden ingeschreven, naar deszelfs oordeel, onverminderd de bevoegdheid van den ingeschrevene, om van zijnen juisten ouderdom nader te doen blijken.

9. Die bevonden zullen worden zich niet vóór den 1sten Junij te hebben doen inschrijven, zullen door het plaatselijk bestuur ambtshalve ingeschreven worden, en door den na te melden schuttersraad worden verwezen tot eene geldboete; terwijl zij daarenboven, zonder loting bij de schutterij zullen worden ingelijfd, indien het zal blijken, dat er, tijdens de verzuimde inschrijving, geene redenen tot uitsluiting of vrijstelling te hunnen aanzien bestonden.

10. Vóór den 1sten Julij, op den tijd, ten minste acht dagen te voren door het plaatselijk bestuur openlijk daartoe aan te kondigen, zal er over al de ingeschrevenen binnen de gemeente eene loting plaats hebben, door middel van welke uit de ingeschrevenen het benoodigd getal personen voor de schutterij zal worden getrokken.

11. Deze loting zal plaats hebben in het openbaar, door de zorg van het plaatselijk bestuur en onder het opzigt van eene commissie uit hetzelve, door hetzelve benoemd. De ingeschrevenen kunnen zelve hunne nommers trekken, of zulks door gemagtigden laten doen; voor hen, die persoonlijk afwezend blijven mogten, of die zich niet door eenen bij de commissie uit het plaatselijk bestuur bekenden gemagtigde zullen hebben doen vertegenwoordigen, zal door een der leden van die commissie worden getrokken.

12. Op gelijke wijze zal voor diegenen, welke, tot de loting verpligt zijnde, buiten hun toedoen niet onder dezelve mogten zijn begrepen geworden eene naloting plaats hebben.

13. Zij, die tot schutters zullen zijn aangewezen, zullen, voor zooverre zij niet in eene der vrijstellingen of uitsluitingen, bij het vorig hoofdstuk vermeld, mogten vallen, in hunne gemeente op de algemeene rol der schutterij, hetzij dienstdoende, hetzij rustende, worden gebragt.

14. Op de voorschreven rol zullen door de commissie, bij art. 11 vermeld, naar volgorde der nommers worden gebragt en vervolgens worden opgeroepen:

a. de ongehuwden, en weduwenaars zonder kinderen;

b. de gehuwden en weduwenaars, één of meer kinderen hebbende.

Uit de tweede klasse zal echter geene oproeping voor de dienst mogen geschieden, vóórdat al de in de termen van dienstpligtigheid vallende manschappen der eerste klasse (a) tot de dienst zijn opgeroepen.

Van het oogenblik af, dat aan iemand door de genoemde commissie kennis zal zijn gegeven, dat hij op deze rol is gebragt, wordt hij als lid der schutterij beschouwd, en onderworpen aan al de verpligtingen, daaraan verbonden.

15. Tot het onderzoeken van, en beslissen omtrent de redenen van vrijstelling en uitsluiting, zal er elk jaar over iedere gemeente, of, des voldoende geacht wordende, over eenige onderscheidene gemeenten, die slechts weinig schutters opleveren mogten, bij zamen-voeging, eene commissie worden aangesteld, uit twee of meer leden des plaatselijken bestuurs of der onderscheiden plaatselijke besturen, en uit den kommandant der schutterij of een der kommandanten van de onderscheiden schutterijen zamengesteld, welke commissie door eenen of meer genees- en heelkundige personen, daartoe aan te wijzen, zal zijn bijgestaan.

De wijze van benoeming der gezegde commissie, en die van der-zelver raadpleging, het uitoefenen des voorzitterschaps, en de vervanging bij tijdelijke verhindering, gelijk verder alle reglementaire bepalingen, welke de inschrijving en loting vorderen, zullen nader door Ons worden vastgesteld.

16. Aan hen, die zich door de beslissingen der gemelde commissie mogten bezwaard achten, wordt de bevoegdheid gegeven om deswege bij gedeputeerde staten der provincie schriftelijk , en wel op ongezegeld papier en zonder eenige kosten, in hooger beroep te komen, welke, naar bevind van zaken, de gedane uitspraken handhaven of verbeteren zullen

Die van deze bevoegdheid zullen verkiezen gebruik te maken, zullen zich binnen 14 dagen, na de uitspraak der commissie, moeten aanmelden, -wanneer de bezwaren het niet-toestaan van vrijstelling of uitsluiting, door hen zelve gereclameerd, mogten betreffen, en binnen drie maanden, indien de bezwaren uit hunne designatie, ten gevolge van verklaarde vrijstelling of uitsluiting van anderen, mogten voortspruiten.

DERDE HOOFDSTUK

OVER DE NOMMERVERWISSELING.

Art. 17. Aan hen, die, tot de persoonlijke dienst geroepen zijnde, van de waarneming van de dienst wenschen te zijn bevrijd, zal het geoorloofd zijn ieder jaar van nommer te verwisselen met iemand, die een hooger nommer is te beurt gevallen.

18. Deze nommerverwisseling zal alleen plaats hebben tusschen inwoners van ééne en dezelfde gemeente, en zich ook slechts tot lotelingen onderling bepalen; zullende hij, die alzoo in de plaats van eenen anderen treedt, al de vereischten in zich moeten vereenigen, welke volgens deze wet gevorderd worden om lid eener schutterij te kunnen zijn.

19. Hij, die verlangt van het voorregt van nommerverwisseling gebruik te maken, moet binnen acht dagen, nadat de loting heeft plaats gehad, daarvan kennis geven aan de commissie, bij art. 15 vermeld, met opgave van den persoon, die hem zal vervangen, en van het nommer, door denzelven getrokken; door welke commissie alsdan zal worden onderzocht, of de alzoo optredende volgens het voorgaande artikel al dan niet voor de dienst kan worden geadmitteerd; zoo ja, zal behoorlijk aanteekening daarvan op het lotings-register worden gedaan.

20. Ingeval de optredende persoon door de gemelde commissie niet tot nommerverwisselaar mogt kunnen worden geadmitteerd, zal het den bij art. 17 bedoelden vrijstaan om binnen acht dagen, nadat hij van die afwijzing behoorlijk is geïnformeerd, anderen tenzelfden einde aan te geven; deze echter, insgelijks afgewezen moetende worden, wordt de gevraagde nommerverwisseling gehouden voor vervallen, tenzij de commissie het, ter zake van bijzondere omstandigheden, voegzaam oordeelen mogt, nog een uitstel van acht dagen toe te staan.

21. Die zijn nommer tegen een hooger heeft verwisseld, bekomt daardoor geene verdere vrijstelling dan waarop hij, vóór de plaats gehad hebbende ruiling, aanspraak had volgens deze wet.

Die bij nommerverwisseling optreedt voor een lager nommer, wordt geacht volkomen te hebben afgezien van alle redenen van vrijstelling voor zich zelven, waarop hij anderzins, op grond dezer wet zoude hebben kunnen aanspraak maken; na verloop van een jaar, echter, zal hij dezelfde aanspraak op tusschenbeide opgekomen redenen van vrijstelling hebben als welke aan andere leden der schutterij, die op hunne eigene nommers zijn ingelijfd, toekomt.

22. Hij, voor wien een hooger nommer in de dienst is opgetreden, zal, voor deze aan hem verleende gunst, eene jaarlijksche contributie aan de gemeentekas betalen, welke op niet minder dan tien en op niet meerder dan vijf en twintig guldens zal mogen worden gesteld, ter beslissing der hiervoren gemelde commissie, en zal hij bovendien verpligt zijn, zijnen plaatsvervanger te kleeden.

Deze contributie zal ophouden op het oogenblik, dat het hoogere nommer zal worden opgeroepen om voor zich zelven te dienen.

VIERDE HOOFDSTUK.

OVER DE STERKTE, DEN DIENSTTIJD, HET JAARLIJKSCH

ONTSLAG EN DE WEDERAANVULLING.

Art. 23. De schutterijen zullen sterk zijn twee man van iedere honderd zielen in elke gemeente. De werkelijke diensttijd derzelve is op vijfjaren bepaald, na welke vijfjarige dienst de manschappen nog vijf jaren op de stamboeken zullen worden gevoerd en in reserve blijven; zullende echter zoodanige tot de reserve opgeschrevenen in tijd van vrede, zulks verlangende, noch tot het dragen van wapenen, noch tot eenige andere schutterlijke dienst verpligt, of in de sterkte der schutterijen begrepen zijn.

24. Zij, die volgens art. 3, litt. l en m voorwaardelijk worden vrijgesteld, zullen dadelijk bij de reserve worden opgeschreven, en daarbij opgeschreven blijven gedurende tien jaren, of zooveel korter als zij in de termen van voorwaardelijke vrijstelling mogten blijven verkeeren.

25. De plaatsen van hen , die, na vijf jaren bij de schutterij te hebben gediend, overgegaan zijn tot de reserve, alsmede de plaatsen, welke in den loop van het jaar door overlijden, verandering van woonplaats, opgekomen vrijstellingen als anderzins, zijn opengevallen , zullen eenmaal jaarlijks worden aangevuld uit de lotelingen, volgens de artikelen 13 en 14 op te roepen.

Zij, die gedurende vijfjaren bij de reserve hebben gestaan, zullen, zulks verlangende, jaarlijks finaal worden ontslagen.

26. Zij, die bij de reserve geplaatst zijnde, hun 34ste jaar zullen hebben voleindigd, zijn, zulks verlangende, van regtswege onder het getal der jaarlijks finaal ontslagen wordende manschappen begrepen.

Op dit ontslag, hetwelk altijd door den voorzitter des plaatselijken bestuurs zal zijn onderteekend, zal melding gemaakt worden van de aanvrage, daartoe gedaan.

27. Die van woonplaats veranderen gedurende den tijd, dat zij tot eene schutterij behooren, zijn daardoor niet ontslagen, maar, na alvorens van dit hun voornemen kennis gegeven te hebben aan het bestuur der door hen te verlaten gemeente, verpligt, om het overige van hunnen diensttijd te volbrengen bij de schutterij van derzelver nieuwe woonplaats.

Binnen acht dagen na hunne aankomst in de nieuwe gemeente, zijn zij verpligt, aan het plaatselijk bestuur aldaar, bij behoorlijk bewijs, aan te toonen, in welke betrekking zij zich tot de schutterij in derzelver vorige woonplaats bevonden. Daaraan nalatig blijvende, zullen zij, onverminderd derzelver verpligting om het bewijs alsnog te bezorgen, door den schuttersraad verwezen worden in eene geldboete.

28. De verdere formatie der schutterijen tot kompagniën, bataillons of afdeelingen , alsmede de reglementaire bepalingen, daartoe betrekkelijk, zullen door Ons worden vastgesteld; en zal bij deze organisatie van het beginsel worden uitgegaan, dat bij ieder korps keurkompagniën zullen worden opgerigt, bestaande uit de bij hunne inlijving ongehuwden en gehuwden zonder kinderen; deze kompagniën zullen eventueel den eersten ban van den landstorm uitmaken.

De overige schutters zullen in eenen tweeden en derden ban worden verdeeld, en bij den tweeden ban geplaatst worden zij, die met minder talrijke familiën belast zijn en door hunnen stand, hun bedrijf of andere omstandigheden, voor hunne familiën meer misbaar worden gemaakt. De overige schutters behooren tot den derden ban, en zullen de laatste sectiën der overige kompagnièn uitmaken; terwijl die van den tweeden ban bij de eerste sectiën dier kompagniën zullen worden geplaatst.

VIJFDE HOOFDSTUK.

OVER DE OFFICIEREN EN ONDEROFFICIEREN.

Art. 29. Alle hoogere en lagere officieren bij de schutterijen zullen door Ons worden aangesteld, en door Ons alléén ontslagen kunnen worden.

Tot officieren bij de schutterijen zullen ook, met hunne toestemming, kunnen worden aangesteld de zoodanigen, die, alleen uit hoofde van hunnen ouderdom, niet meer tot de waarneming van de schutterlijke dienst zijn verpligt, doch overigens de vereischten daartoe bezitten.

De aanstelling der kommanderende officieren zal geschieden zonder voorafgaande voordragt; die der verdere, na voordragt van het kollegie van dagelijksch bestuur, met overleg van den kommandant der schutterij, welke voordragt drie kandidaten zal moeten bevatten.

30. De hoofdofficieren zullen in handen van den gouverneur der provincie, en de overige officiereu in handen van den voorzitter van het plaatselijk bestuur, moeten afleggen den navolgenden eed (of de volgende belofte):

„Ik zweer (beloof) te zullen zijn getrouw aan den Koning, en dat ik mij stiptelijk naar de bepalingen der wet op de schutterijen zal gedragen.Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!"

Van deze eeds-aflegging zal op het afschrift van het besluit van benoeming aanteekening worden gedaan.

31. De onderofficieren en korporaals zullen door de kapiteins der kompagniën worden aangesteld, onder goedkeuring van den kommandant der schutterij; of door den laatstgemelden alleen, indien zij aan den staf der schutterij zijn verbonden.

32. Leden der schutterijen, tot den rang van officier bij dezelve wordende benoemd, of zij, die volgens § g en h van art. 3, tot eene voorwaardelijke vrijstelling zijnde toegelaten, in hunnen vorigen of in eenen hoogeren rang bij de schutterijen worden geplaatst, en zonder wettige redenen , door den schuttersraad te beoordeelen , daarvoor bedankende, zullen gedurende den vijfjarigen diensttijd, door hen nog niet volbragt, eene jaarlijksche contributie betalen van ƒ 100 tot ƒ 200, ter bepaling door de commissie, bij art. 15 vermeld, en niettemin hunnen overigen activen diensttijd als gewoon schutter moeten volbrengen.

Die, tot onderofficieren of korporaals benoemd zijnde, zonder wettige redenen, ter beoordeeling als voren, bedanken mogten, zullen gedurende het overige van hunnen diensttijd eene jaarlijksche contributie betalen van ƒ 15 tot f 30, te bepalen als voren, en mede hunnen overigen diensttijd als gewoon schutter moeten volbrengen.

33. Wij behouden ons voor, om aan officieren, onder-officieren en verdere leden der schutterijen, die zich zulks door aanhoudend onberispelijk gedrag en langdurige diensten, of wel door uitstekende daden mogten hebben waardig gemaakt, zoodanige eereteekenen toe te kennen, als daartoe nader door Ons zullen worden bepaald, en zulks onverminderd andere onderscheidingen, waarop zij uit dienzelfden hoofde mogten aanspraak hebben, mitsgaders de billijke voorkeur, welke hun, bij het begeven van zekere ambten en bedieningen zal kunnen worden gegeven boven personen, die noch bij de staande armee noch bij de nationale militie hebben gediend.

ZESDE HOOFDSTUK.

OVER DE MIDDELEN TER BESTRIJDING DER KOSTEN EN HET

VERDERE FINANTIËLE DER SCHUTTERIJEN.

Art. 34. Elk jaar zal er voor iedere gemeente, waar zulks mogt kunnen te pas komen, door den schuttersraad worden opgemaakt en aan den raad der gemeente ter goedkeuring of nadere wijziging aangeboden, een staat van begrooting van hetgeen er berekend wordt aan onvermijdelijke kosten der schutterij over het volgend jaar te zullen noodig zijn.

Deze staat wordt door den raad der gemeente, zoodanig als die door denzelven voorloopig zal zijn vastgesteld, gezonden aan het kollegie van gedeputeerde staten der provincie, ten einde, zoo als die is liggende, of met de noodige wijzigingen, door dezelve definitivelijk te worden vastgesteld; zullende echter deze schutterlijke begrooting altijd een gedeelte moeten uitmaken van de gewone begrooting, welke jaarlijks voor de algemeene behoefte in elke gemeente wordt opgemaakt en gearresteerd.

35. Voor geene andere onderwerpen, dan die op den voorschreven staat van begrooting zijn vermeld, en tot geen hooger bedrag voor ieder derzelve respectivelijk, dan daarbij zal zijn vastgesteld, zullen er eenige belastingen mogen plaats hebben, dan op bijzondere autorisatie van gedeputeerde staten voornoemd, terwijl ook door deze kollegiën, ieder in den zijnen, de noodige voorschriften ter verantwoording van het gebruik der gelden zullen worden gegeven.

Er zullen jaarlijks door het departement van binnenlandsche zaken een zeker aantal van deze begrootingen worden opgevraagd en onderzocht, en van de bevinding derzelven aan Ons rapport worden gedaan.

36. De kosten, op de dienstdoende schutterijen vallende, zullen gevonden worden:

1°. Uit de boeten , de bijdragen en contributiën, bij deze wet bepaald, door de schutters-raden in te vorderen en aan de gemeentebesturen te verantwoorden;en

2°. Uit eene toelage uit de gemeentekas.

TWEEDE AFDEELING.

Bepalingen tot de dienstdoende schutterijen in het

bijzonder betrekkelijk.

EERSTE HOOFDSTUK.

OVER DE WAPENEN, ONDERSCHEIDINGSTEEKENEN EN KLEEDING.

Art. 37. De schutterijen zullen met geweren van hetzelfde kaliber, als bij het leger, worden gewapend en van patroontasschen, alsmede van het, tot derzelver wapenrusting benoodigd lederwerk worden voorzien.

De onderofficieren, korporaals en tamboers zullen sabels bekomen, l Voor zooverre deze wapenen en wapenrustingen niet voorhandenzijn, zullen dezelve voor de eerste maal van 's lands wege worden verstrekt.

38. De onderofficieren en overige leden der schutterij, van minderen rang, zullen de van het land of van de gemeente onvangene wapenen en wapenrustingen te hunnen kosten moeten onderhouden, en die bij het eindigen van hunne dienst in goeden staat moeten teruggeven.

Ingeval echter deze voorwerpen in de dienst of bij de wapenoefeningen mogten worden beschadigd, zal door het gemeentebestuur daarin worden voorzien.

39. De ammunitiën, zoo voor de gewone dienst als anderzins benoodigd, zullen, op voorstel der schuttersraden, door den gouverneur der provincie aan het departement van oorlog worden aangevraagd, en door hetzelve voor 's lands rekening worden verstrekt.

40. Voor de leden der schutterijen, de officieren daaronder begrepen, zal door Ons eene uniforme kleeding worden bepaald.

De erkenningsteekenen der officieren, onder-officieren enz., zullen dezelfde zijn als die, bij het leger in gebruik.

41. Elke schutter zal verpligt zijn, zich zelven te kleeden; ingeval echter van onvermogen, zal hij zich tot het bestuur zijner gemeente kunnen wenden, ten einde, hetzij geheel of gedeeltelijk, in zijne kleeding of kleedingskosten uit de gemeente-fondsen te worden te gernoet gekomen.

TWEEDE HOOFDSTUK.

OVER DE WAPENOEFENINGEN, DE DIENSTVERRIGTINGEN,

DE VERHOUDING TOT DE MILITAIRE MAGT.

Art. 42. De schutterijen zullen jaarlijks, van den 1sten April tot den 1sten October, op gezette dagen in het schieten naar de schijf worden geoefend, bij welke gelegenheid tevens eene verdere oefening zal plaats hebben, zooveel zulks voor de gewone dienst onontbeerlijk is te achten.

De oefeningen zullen telkens, in tijd van vrede, hoogstens twee uren mogen duren, en altijd een half uur vóór zonsondergang moeten zijn afgeloopen; zij zullen niet spoediger op elkander mogen volgen , dan van 14 tot 14 dagen, en bij voorkeur des zondags, zooveel mogelijk na het afloopen van alle godsdientoefeningen, plaats hebben, doch in geen geval vóór des middags ten vijf ure aanvangen.

De schutter, die de noodige bekwaamheid bezit of heeft verkregen, zal dadelijk van het bijwonen dezer oefening worden vrijgesteld.

43. Er zullen jaarlijks twee of drie wapenschouwingen in de gemeente plaats hebben, op welke ook de zoodanige zullen verschijnen, die, overeenkomstig bet slot van bet voorgaande artikel, van alle verdere wapenoefeningen zijn verschoond.

Allen, die bij deze revue bevonden worden de onontbeerlijke bekwaamheid niet te bezitten voor de dagelijksche dienst, zullen door den schuttersraad kunnen worden verwezen om de exercitiën weder te moeten bijwonen.

44. De kormmandanten der schutterijen zullen steeds op last der plaatselijke besturen (dien zij , echter, gelijk ook in alle andere gevallen, schriftelijk kunnen vorderen), hunne onderhebbende manschappen onder de wapenen doen komen, en in alles naar de bij dien last ontvangene bevelen moeten handelen.

Bij gelegenheid van brand, en wanneer er alarm wordt geslagen , zal elk lid der schutterij zich dadelijk naar de voor hem bestemde loopplaats begeven; in dringende gevallen zullen de kommandanten der schutterijen op eigen gezag hunne onderhebbenden kunnen doen onder de wapenen komen , en al die maatregelen van voorzorg moeten nemen , welke hun naar de omstandigheden zullen toeschijnen noodig of dienstig te zijn; mits verpligt zijnde, om daarvan onverwijld aan het plaatselijk bestuur kennis te geven.

45. De schutterijen zullen geene parades betrekken , en geene wachten, noch eere- of andere posten bezetten, dan voor zooverre die posten voor Ons of voor het Koninklijk gezin mogten plaats hebben, of, ten gevolge der bepalingen, bij deze wet gemaakt, door het plaatselijk bestuur volstrekt noodig mogten worden geacht, en door den gouverneur der provincie zijn goedgekeurd.

46. Zij zullen, wat de gewone dagelijksche dienst betreft, niets gemeens hebben met het militaire garnizoen.

In buitengewone omstandigheden echter, en zoodra er binnen de gemeente alarm voor de militaire bezetting wordt geslagen, zullen al de leden der dienstdoende schutterij aldaar zich ordelijk en in volle wapenrusting naar de voor hen aangewezen alarm- of loopplaatsen moeten begeven, ten einde de aan hen te geven bevelen aldaar af te wachten en vervolgens na te komen.

In de laatstgemelde gevallen, zullen de schutterijen door de plaatselijke besturen onder het bevel van den militairen kominandant worden gesteld.

47. De kommandanten der schutterijen zullen aan de militaire kommandanten, binnen hunne gemeenten aanwezig, moeten kennis geven van alle verzamelingen van gewapende manschappen, onder hunne bevelen staande, tenzij dat dezelve op gezette dagen of uren plaats hebben, als wanneer net voldoende zal zijn, zulks bij den aanvang daarvan eens voor al, ter hunner kennis te brengen.

48. De momentanele hulp der schutterijen door de militaire autoriteiten wordende gevraagd, zal dezelve in zeer dringende gevallen door het plaatselijk bestuur op eigen gezag, en in alle andere gevallen niet dan onder goedkeuring van den gouverneur der provincie, kunnen worden verleend.

In de eerstgenoemde gevallen echter, moet de gouverneur dadelijk door het plaatselijk bestuur daarvan verwittigd worden.

49. Wanneer in eene naburige gemeente de rust mogt worden bedreigd of gestoord, zullen de dienstdoende schutterijen uit andere gemeenten, op vordering van den gouverneur der provincie, en in dringende gevallen op last zelfs van den voorzitter des plaatselijken bestuurs, hulp moeten verkenen; behoudens, in de laatstbedoelde gevallen, de verpligting van dien voorzitter, om onverwijld den gouverneur daarvan berigt te geven.

De gemeente, welke de hulp heeft noodig gehad, zal de kosten deswege dragen; zullende echter geene schutterij geheel of gedeeltelijk kunnen worden gebezigd buiten de provincie, tot welke zij behoort, tenzij op Onzen bijzonderen last.

50. In de gemeenten, alwaar eene militaire bezetting aanwezig is, zal het parool en contrasein door den kommandant derzelve aan dien der dienstdoende schutterij aldaar worden medegedeeld. Bij ontstentenis van militaire bezetting, zal het parool en contrasein door den kommandant der dienstdoende schutterij gegeven, doch ook door hem aan den voorzitter van het plaatselijk bestuur moeten worden opgegeven.

51. De officieren der schutteryen en die van bet leger zullen elkander in hunne respectieve rangen erkennen, de gewone eerbewijzingen doen geven en elkanders rondes en patrouilles doen eerbiedigen, zonder echter elkanders wachten of posten in oogenschouw te mogen nemen of te onderzoeken. Blijvende nogtans de militaire kommandant en de plaatsmajoor in de gemeente in allen gevalle tot het voorschreven onderzoek bevoegd.

52. Bij zoodanige zeldzame gelegenheden, in welke de schutterijen met de marechaussee of het militair garnizoen vereenigd of gezamenlijk mogten onder de wapenen komen, zullen de schutterijen altijd den regtervleugel bezetten.

DERDE HOOFDSTUK.

OVER DE SCHUTTERLIJKE TUCHT EN DE REGTSPLEGING.

Art. 53, De leden der schutterijen, van welken rang ook, zullen in alles wat de dienst betreft, aan hunne meerderen gehoorzamen, en zich overeenkomstig de bij deze wet gemaakte bepalingen moeten gedragen.

54. Die zich gedurende de dienst, of ter gelegenheid van dienstzaken, door woorden of met daden tegen hunne meerdere verzetten, zullen met degradatie, of des noods, met wegzending uit de schutterij gestraft worden.

55. Schutters, die eenen hun toevertrouwden post, en officieren-en onder-officieren en korporaals, die eenen zoodanigen post, of wel een aan hunne zorg overgelaten detachement verlaten, zullen gestraft worden:

De eerstgemelden, niet geldboete of wegzending uit de schutterij; en

De laatstgenoemden met geldboete, en bij verzwarende omstandigheden, met degradatie of wegzending uit de schutterij.

56. Zij, die de bekomen wapenen of wapenrustingen, of andere voorwerpen, zonder onderscheid, welke hun in derzelver betrekking van leden der schutterij, tot een bepaald gebruik, als zoodanig worden toebetrouwd, mogten bederven of onbruikbaar maken, verzetten, verpanden, verkoopen, of op eenige andere wijze afhandig maken, zullen, onverminderd derzelver verpligting tot vergoeding der waarde, met geldboete worden gestraft, voor zooverre de omstandigheden niet van dien aard zijn mogten om hem, wegens moedwillig misbruik van vertrouwen, te dezer zake, voor den burgerlijken regter te doen te regt staan, en als zoodanig te straffen.

57. Die tot eenige dienst geroepen zijnde, te laat komen, zich te vroeg verwijderen, of in het geheel niet verschijnen, alsmede de zoodanigen, van welken het blijken mogt, dat zij, na tot eenige dienst te zijn geroepen, zonder voorkennis hunner superieuren, of ook slechts ter ontduiking van de dienst, de gemeente hebben verlaten, zullen met geldboeten worden gestraft.

58. Alle pligtverzuim of gedrag tegen de ondergeschiktheid, waaromtrent bij deze wet geene bijzondere bepalingen zijn gemaakt, alsmede alle misbruiken van gezag tegen onderhebbenden, zullen, naar bevind van zaken, worden verbeterd of gestraft met zoodanige boeten of straffen, als niet te boven zullen gaan die, welke bij deze wet zijn bepaald.

59. Alle officieren of zoodanigen, die, uit hoofde van hunnen rang, eenig gezag uitoefenen over andere leden der schutterij, zullen het regt hebben om onderhoorigen, die zich gedurende de dienst aan eenig vergrijp mogten schuldig maken, dadelijk te doen ontwapenen en provisioneel te verwijderen; zij zullen echter daarvan onverwijld moeten kennis geven aan den kommaudant der schutterij.

60. Die, ingeval van oproer, zich onder de wapenen wederstrevig tegen de orders hunner meerderen gedragen, zich feitelijk tegen dezelve verzetten, of de muitelingen door gebaren, woorden of daden, aanmoedigen mogten, zullen als medepligtigen worden beschouwd. In deze gevallen, gelijk mede in alle andere, waar de vergrijpen tegen de ondergeschiktheid mogten gepaard gaan met verzwarende omstandigheden, welke bij het Wetboek van Strafregt onder de misdaden of misdrijven worden gerangschikt, zullen de schuldigen aan den burgerlijken regter worden overgeleverd.

61. De geldboeten, waartoe ingevolge de wet zal kunnen worden verwezen, zullen, voor zooverre zulks bij dezelve niet in het bijzonder anders mogt zijn bepaald, de som van vijftien guldens, telkens, niet mogen te boven gaan; in de gevallen, wanneer de schutterijen bij brand, bedreigde of reeds gestoorde rust, of wel buiten hunne gemeente moeten dienst doen, kunnen deze boeten tot eene som van honderd guldens worden verhoogd.

Op het verzwarende, uit die omstandigheden ontstaande, zal steeds, bij de bepaling der hoegrootheid van de boeten, moeten worden acht gegeven.

62. Die uit de schutterij zullen worden weggezonden, zullen tevens onder goedkeuring des plaatselijken bestuurs, worden verwezen in eene boete, die, bij wijze van contributie, over hunnen nog overigen vijfjarigen diensttijd zal worden omgeslagen, en waarvan het jaarlijksch bedrag niet minder dan ƒ 50, en niet meerder dan ƒ 150 zal kunnen beloopen.

63. Bij de dienstdoende schutterij in elke gemeente, of bij de dienstdoende schutterijen over eenige gemeenten, die slechts weinig schutters opleveren mogten, te zamen genomen, zal een schuttersraad bestaan, aan welken, behalve de verdere attributen, bij deze wet gegeven , het beoordeelen van en de uitspraak doen omtrent alle verzuimen overtreding, in zaken van de schutterij, en mitsdien ook het opleggen der straffen en boeten, bij de wet vastgesteld of vrijgelaten, zal zijn opgedragen, voorbehoudens hetgeen bij artikel 65 zal worden bepaald.

In zeer bevolkte gemeenten zal, met Onze toestemming, behalve den schuttersraad nog een raad van administratie, uit andere leden bestaande, kunnen worden opgerigt, alleen belast met de geldelijke administratie der schutterijen in die gemeente.

64. Deze schuttersraden zullen gewoonlijk zijn zamengesteld uit eenen officier van eiken rang bij de schutterij, eenen onderofficier, eenen korporaal en eenen schutter; deze zullen echter elkander niet tot in den derden graad van bloedverwantschap of zwagerschap mogen bestaan.

65. Van de vonnissen der voorschreven schuttersraden, welke degradatie, wegzending uit de schutterij of beboeting van meer dan zes guldens inhouden, zal men zich, uiterlijk binnen den tijd van veertien dagen na het kennis bekomen van die vonnissen , schriftelijk kunnen beroepen op gedeputeerde staten der provincie, die deze vonnissen zullen kunnen handhaven, verbeteren of te niet doen.

Mogten. dezelve vonnissen de degredatie of wegzending uit de schutterij inhouden van officieren, zullen dezelve onverwijld aan Ons ter bekrachtiging worden ingezonden; terwijl, wanneer daarop binnen zes weken na die inzending (van welke in allen gevalle zal moeten blyken), geene dispositie ter contrarie van Ons, of Onzent-wege mogt zijn ingekomen, de sententie alsdan zal worden aangemerkt als door Ons te zijn goedgekeurd.

De officieren, tegen welke zoodanige sententie is geslagen, zullen hangende Onze overweging zijn gesuspendeerd.

66. Bij elk der schuttersraden zal door Ons een auditeur worden aangesteld, die met de vervolging van alle verzuimen en overtredingen, de dienst en de ondergeschiktheid der schutters betreffende, zal zijn belast.

Een der leden van dien raad zal tevens als secretaris bij denzelven fungeren.

67. De kommandanten der schutterijen zijn verpligt, van al de hun bekende verzuimen en overtredingen, door de onderhoorigen begaan, in zooverre, namelijk, dezelve door feitelijkheden, openbaren onwil, het bieden van tegenstand, opzettelijke weigering, of moedwillige nalatigheid, zijn gekenmerkt, dadelijk kennis te geven aan de auditeurs, met bijvoeging der bewijzen, en met opgave zooveel mogelijk der personen, die als getuigen zullen kunnen dienen.

68. Alle fouten , door schutters begaan wordende, welke alleen aan onachtzaamheid of slordigheid zijn toe te schrijven, alsmede kleine of geringe vergrijpen tegen de orde en ongeschiktheid, zullen door de kommandanten zelve met de oplegging eener boete kunnen worden gestraft, welke, voor de officieren, de som van f 3, en voor de onder-officieren en verdere leden der schutterij die van f l, niet zal mogen te boven gaan.

69. De auditeur door den bevel voeren den officier, ingevolge art. 67, kennis bekomen hebbende van pligtverzuim of wangedragingen, zal, daartoe termen vindende, tegen de overtreders moeten handelen, en, na ingewonnen berigten, de beschuldigden voor den schuttersraad doen hooren. Indien hij vermeent, dat er geene termen tot vervolging bestaan, zal hij de aanklagt aan den raad overhandigen, die daarop beslissen zal.

Indien zij, voor den raad ontboden zijnde, niet verschijnen op den tijd, bij de oproeping bepaald, welke niet korter dan na drie volle dagen mag worden gesteld, zullen zij bij verstek kunnen ge-vonnisd worden.

70. Leden der schutterij, die, voor den schuttersraad opgeroepen zijnde om getuigenis der waarheid te geven, zonder wettige reden niet verschijnen op den bepaalden tijd, welke dezelfde zal moeten zijn als die, in het laatst voorgaande artikel vermeld, zullen voor de eerste maal door den raad verwezen worden tot geldboete; voor de tweede maal niet voldoende aan de oproeping, zullen zij door den bode van den schuttersraad, op een schriftelijk bevel van medebrenging, door dien raad afgegeven, voor denzelven worden gebragt, onverminderd de toepassing van dezelfde boete voor eene tweede maal, welke echter de som van ƒ 6 niet zal mogen te boven gaan.

Indien de opgeroepene getuigen geene leden der schutterij zijn, zal er te dezen opzigte gehandeld worden overeenkomstig hetgeen daaromtrent in de regtspleging bij de landmagt, bij Ons besluit van 20 Julij 1814 gearresteerd, en wel in den tweeden titel, het tweede hoofdstuk, art. 92 tot 98, is voorgeschreven.

71. Bekeurde of gevonnisde leden der schutterijen de hun opgelegde straffen of vergoedingen bij deze wet bepaald, binnen acht dagen na de bekeuring of na het vonnis niet hebbende betaald, zullen door de boden der schuttersraden tot die betaling worden aangemaand of geïnsinueerd, welke aanmaning of insinuatie, bij verder in gebreke blijven, van acht tot acht dagen, nog twee maal zal worden herhaald. Het verschuldigde alsdan binnen 48 uren na deze laatste aanmaning of insinuatie niet zijnde voldaan met de kosten, zal de bekeurde of gevonnisde daartoe kunnen worden geconstringeerd door middel van provoost-arrest, onder goedkeuring van het plaatselijk bestuur op te leggen, en welk arrest insgelijks ten koste van den bekeurden of gevonnisden zal zijn, doch den tijd van veertien dagen niet zal mogen te boven gaan.

72. De citatiën en andere akten van vervolging aan leden der schutterij door den schuttersraad, de vonnissen, daarop volgende, alsmede de akten, welke ter inning bij die vonnissen bepaalde boeten en kosten strekken, zoowel als die, welke ter inning der bij art. 68 aangewezen boeten mogten noodig zijn, gelijk mede alle geschriften, welke een lid der schutterij in deze zijne betrekking mogt noodig hebben, zullen vrij van zegel en registratie-regten zijn.

DERDE AFDEELTNG.

Bepalingen, tot de rustende schutterijen in het

bijzonder betrekkelijk.

Art. 73. Wij behouden Ons voor, om de rustende schutterijen te doen wapenen op dezelfde wijze , als ten aanzien der dienstdoende bij deze wet is bepaald, en zulks, naar mate 's rijks aangelegenheden dat zullen vorderen.

74. De rustende schutterijen kunnen in tijd van vrede tot geene diensten worden opgeroepen, dan die tot derzelver instandhouding worden vereischt, onverminderd echter, dat, wanneer een plaatselijk bestuur oordeelen mogt, voor de bewaring der publieke rust of de veiligheid dier gemeente de tijdelijke mede werking dier schutterij te vorderen, dezelve alsdan daartoe zullen kunnen worden opgeroepen, en zij tevens gehouden zullen zijn daaraan te gehoorzamen.

75. Bij elke der rustende schutterijen, of, bij zamenvoeging, over eenige onderscheidene, zal insgelijks een schuttersraad bestaan, gewoonlijk zamengesteld als bij art. 64 omtrent de dienstdoende schutterijen is gezegd, en een auditeur, als bij art. 66 voor de dienstdoende schutterijen is bepaald; terwijl insgelijks een der leden, van dien raad tevens als secretaris bij denzelven zal fungeren.

Zij zullen dezelfde attributen en verrigtingen uitoefenen, als aan.de schuttersraden en auditeurs bij de dienstdoende schutterijen volgens deze wet zijn opgedragen daar, alwaar Wij zulks zullen noodig oordeelen; behoudende Wij Ons voor, om het vastgestelde bij deze wet, ten aanzien der tucht en regtspleging bij de dienstdoende schutterijen, ook op de rustende schutterijen toepasselijk te verklaren, naar mate de omstandigheden zulks noodzakelijk zullen maken.

76. De officieren en verdere leden der rustende schutterijen zijn, in tijd van vrede, niet tot het dragen van montering gehouden; zulks verkiezende, is het echter aan ieder hunner geoorloofd; in welk geval dezelve geheel overeenkomstig aan die der dienstdoende schutterijen zal moeten zijn.

VIERDE AFDEELING.

Over den landstorm.

Art. 77. Zoodra in de gevallen, bij art. 209 der Grond wetvoorgeschreven, de geheele militie zal zijn bijeengeroepen, zal de mogelijke vereeniging der dienstdoende en rustende schutterijen (de reserve daaronder begrepen) kunnen worden voorbereid, en zullen deze schutterijen onverwijld in den wapenhandel werden geoefend, zoodanig en zoo dikwijls, als Wij zulks ter bevordering van de verdediging des vaderlands zullen noodig achten.

78. Tegen de aanvallen van den vijand zullen, aanvankelijk en in de eerste plaats, worden bestemd en opgeroepen:

1°. zoodanige leden der schutterijen, welke zich vrijwillig tot dat einde zullen hebben aangeboden;

2°. de ongehuwde en, bij een dringend gevaar, de verdere leden van den eersten ban;

3°. de tweede ban.

Terwijl eindelijk de overige leden der schutterijen, en bij het dringendst gevaar al de overige ingezetenen, geschikt om de wapenen te dragen, naar aanleiding van art. 203 der Grondwet, den derden of laatsten ban van den landstorm zullen uitmaken.

79. De oproeping van den landstorm zal, indien de staten-generaal niet vergaderd zijn, gepaard gaan met eene buitengewone bijeenroeping van denzelven, ten einde van het verrigte opening tegeven en de verdere daartoe betrekkelijke maatregelen met de vergadering te beramen.

80. De plaatsvervanging zal, in tijd van oorlog, aan ieder der tot de landstorm opgeroepenen geoorloofd zijn, onder voorwaarden, door Ons nader te bepalen; waarbij van het beginsel zal worden uitgegaan, dat dezelve in het belang van nuttige beroepen zoo min mogelijk drukkende zij, en aan den anderen kant, niet tot prejudicie strekke van derden, en in geen geval meer bezwarend zij dan die, welke bij de wet op de nationale militie is toegestaan.

81. De inrigting van den landstorm, en meer bepaaldelijk deszelfsverdeeling in kompagniën, bataillons, regimenten of legioenen, zal door Ons worden bevolen.

82. Dat gedeelte van den landstorm, hetwelk aanvankelijk tegen de aanvallen van den vijand moet dienen, zal worden beschouwd een gedeelte der legermagt van het rijk uit te maken en diensvolgens op denzelfden voet behandeld worden, en onder dezelfde verpligtingen staan. Hetzelve zal ook op gelijke wijze worden verpleegd en bezoldigd als het leger van den staat; en zullen al de inrigtingen, welke ten behoeve van dat leger bestaan, alsdan ook op den landstorm van toepassing zijn, welke mitsdien op eene gelijke verzorging en belooning ten volle zal aanspraak hebben.

83. In geen geval zal de landstorm buiten de grenzen van het rijk mogen worden gevoerd of gebruikt.

VIJFDE AFDEELING.

Over de eerste daar stelling der schutterijen op den

voet dezer wet en verdere transitoire bepalingen.

Art. 84. De eerste oprigting der schutterijen, overeenkomstig deze wet, zal achtereenvolgende plaats hebben op zoodanige tijdstippen, als Wij daartoe het meest geschikt zullen oordeelen, en binnen twee jaren tot stand zijn gebragt.

Tot deze eerste daarstelling zullen zich alle ingezetenen , welke op den 1sten Januari] van het jaar der oproeping hun 25ste jaar zullen zijn ingetreden en hun 34ste jaar niet zullen hebben voleind, bij het bestuur hunner woonplaats doen inschrijven, ten einde vervolgens, bij gelijksoortige loting, als bij de artikelen 10, 11 en 12 is bepaald, en op den verderen voet dezer wet, het vereischte getal manschappen tot de eerste daarstelling daaruit worde getrokken.

85. Zij, die bij de eerste daargestelde schutterijen geplaatst zijnde, hun 34ste jaar mogten voleinden, alvorens gedurende tien jaren tot de schutterij te hebben behoord, zullen, des verkiezende, jaarlijks worden ontslagen.

86. In plaatsen , alwaar reeds schutterijen zijn georganiseerd , blijven dezelven zoo lang bestaan, totdat de nieuwe verordening, bij deze wet voorgeschreven, overeenkomstig art. 84 zal zijn ingevoerd.

De thans bij de schutterijen dienende manschappen zullen de vijfjarige dienst, waartoe de schutters volgens deze wet verpligt zijn, bij de nieuwe schutterijen volbrengen; en zullen zij, die langer dan vijf en minder dan zeven jaren hebben gediend, of, in plaats van die persoonlijke dienst, gedurende vijf jaren of langer eene verhoogde contributie hebben betaald, overgaan tot de reserve; terwijl zij, die hun 34ste jaar hebben volbragt of door zevenjarige dienst aan de vroegere wet op de schutterijen hebben voldaan, des verkiezende, finaal zullen worden ontslagen.

87. Er zal door het lot worden beslist, welke manschappen van de eerste daargestelde schutterijen respectivelijk zullen behooren tot het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde gedeelte, hetwelk van jaar tot jaar tot de tweede hoofdafdeeling of de reserve zal overgaan; gelijk mede, in welke volgorde het jaarlijksch ontslag bij de reserve der eerste daargestelde schutterijen zal plaats hebben.

88. De eerste aanstelling der officieren bij de onderscheidene schutterijen zal door Ons, zonder uitzondering, buiten voorafgaande voordragt geschieden.

SLOTARTIKEL.

Alle wetsbepalingen en verordeningen , welke ten aanzien der schutterijen, burgerwachten en burgermilitiën, tot hiertoe in de onderscheidene gedeelten van het rijk hebben bestaan , zijn met de afkondiging dezer wet ingetrokken en vervallen.


Bron: J.C. Meijer (ed.) Nederlandsche Staatswetten (Sneek 1870), blz. 296 e.v.


Terugkeren naar Overzicht pagina costuymen etc.

Terugkeren naar Inhoudsopgave

Laatst bijgewerkt op 17 juli 2009