WET TOT REGELING DER ALGEMEENE VOORWAARDEN,
OP WELKE, TEN AANZIEN VAN DE UITLEVERING
VAN VREEMDELINGEN, VERDRAGEN MET VREEMDE
MOGENDHEDEN KUNNEN WORDEN GESLOTEN.
(Vastgesteld den 6den April
en uitgegeven den 13den April 1875, Stsbl. no. 66).
Art. 1. De artt. 16, 17 en 18 der wet van 13 Augustus 1849 worden ingetrokken.
Ten aanzien van de uitlevering van vreemdelingen worden geene nieuwe verdragen gesloten of bestaande vernieuwd, dan met inachtneming van de bepalingen dezer wet.
2. Vreemdelingen worden niet uitgeleverd dan wegens de volgende misdrijven, buiten het rijk gepleegd:
1°. aanslag tegen het leven van den vorst, van leden van het vorstelijk huis of van het hoofd eener republiek;
2°. doodslag, moord, vadermoord, kindermoord, vergiftiging;
3°. bedreigingen, strafbaar gesteld bij art. 305 van het Wetboek van Strafregt;
4°. het opzettelijk veroorzaken van het misvallen eener zwangere vrouw door haar zelve of door anderen;
5°. opzettelijke verwondingen, slagen of stooten, die eene ziekte of een beletsel van te werken van meer dan twintig dagen ten gevolge hebben, of die met voorbedachten rade zijn toegebragt;
6°. verkrachting of andere gewelddadige aanslag tegen de eerbaarheid;
7°. aanslag tegen de zeden, strafbaar gesteld bij art. 334 van het Wetboek van Strafregt;
8°. dubbel huwelijk;
9°. opligting of wegvoering, verberging, wegmaking of onderschuiving van een kind;
10°. opligting of wegvoering van een minderjarige;
11°. het namaken, vervalschen, verminken of uiterlijk schenden van muntspeciën of het des bewust in omloop brengen van nagemaakte, vervalschte, verminkte of uiterlijk geschonden muntspeciën ;
12°. valschheid in staatszegels, bankbriefjes, openbare schuldbrieven of papieren, geldswaarde hebbende, of in keur- of papierstempels, ijk- en soortgelijke merken, strafbaar gesteld bij de artt. 139 tot en met 143 van het Wetboek van Strafregt; valschheid in muntpapier en postzegels;
13°. valschheid in geschriften, strafbaar gesteld bij de artikelen 145 tot en met 148, 150 en 151 van het Wetboek van Strafregt;
14°. valsch getuigenis, omkooping van getuigen, meineed;
15°. omkooping van openbare ambtenaren, strafbaar gesteld bij de artikelen 177 tot en met 179 en 181 tot en met 183 van het Wetboek van Strafregt, knevelarij, verduistering of ontvreemding door ambtenaren met ontvangsten of bewaring belast;
16°. opzettelijke brandstichting, strafbaar gesteld bij de artikelen 434 en 435 van het Wetboek van Strafregt;
17°. opzettelijke vernieling van onroerende goederen, strafbaar gesteld bij artikel 437 van het Wetboek van Strafregt;
18°. plundering van roerende goederen, strafbaar gesteld bij de artikelen 440 en 442 van het Wetboek van Strafregt;
19°. het wederregtelijk en opzettelijk doen zinken of stranden, vernielen of onbruikbaar maken van schepen en andere vaartuigen;
20°. muiterij en verzet van passagiers tegen den schipper, en van mindere schepelingen jegens hunne meerderen in rang;
21°. het opzettelijk doen ontstaan van gevaar voor een spoortrein;
22°. diefstal;
23°. opligting;
24°. misbruik van eene handteekening in blanco;
25°. het verduisteren of weerloos maken, ten nadeele van den eigenaar, bezitter of houder, van goederen, gelden of geldswaardige papieren, die in bewaring zijn gegeven of voor eenen betaald wordenden arbeid zijn toevertrouwd;
26°. bedriegelijke bankbreuk.
3. De uitlevering kan geschieden niet alleen wegens het begaan van het mjsdrijf, maar ook wegens poging daartoe of medepligtigheid daaraan, voor zoover die poging of die medepligtigheid ook hier te lande strafbaar is.
4. Geene uitlevering wordt toegestaan zoolang de vreemdeling wegens het buiten het rijk gepleegde misdrijf hier te lande wordt vervolgd, of wanneer hij deswege hier te lande heeft teregt gestaan en hetzij veroordeeld, hetzij van regtsvervolging ontslagen of vrijgesproken is.
5. Geene uitlevering wordt toegestaan wegens misdrijven, waarvan de vervolging of de opgelegde straf vóór de aanhouding hier te lande, of, zoo er nog geene aanhouding heeft plaats gehad, vóór de oproeping om door de regtbank te worden gehoord, naar de Nederlandsche wetgeving is verjaard.
6. Indien de vreemdeling wegens een ander misdrijf dan dat waarvoor zijne uitlevering wordt aangevraagd hier te lande vervolgd wordt of straf ondergaat, kan de uitlevering niet worden toegestaan dan na den afloop der hier te lande ingestelde vervolging en nadat hij de hem opgelegde straf zal hebben ondergaan, of hem daarvan gratie zal zijn verleend.
Deze bepaling belet niet dat de vreemdeling tijdelijk worde uitgeleverd, ten einde in den vreemden staat teregt te staan, onder voorwaarde dat hij na afloop van het onderzoek worde teruggevoerd.
7. Geene uitlevering wordt toegestaan dan onder voorwaarde dat de uitgeleverde niet zal mogen worden vervolgd of gestraft voor eenig in het verdrag niet genoemd misdrijf vóór zijne uitlevering gepleegd, dan nadat hij, na zijne uitlevering, eene maand de vrijheid heeft gehad om het land weder te verlaten.
8. De uitlevering wordt aangevraagd langs diplomatieken weg.
Zij wordt niet toegestaan dan na advies van de regtbank, onder welker regtsgebied de opgeëischte persoon is aangehouden of zich bevindt.
De regtbank beslist bij haar advies welke der in beslag genomen goederen ingeval van uitlevering aan den opgeëischten persoon zullen worden teruggegeven, welke, als stukken van overtuiging, zullen worden afgegeven.
9. In afwachting van de aanvrage langs diplomatieken weg kan de vreemdeling, wiens uitlevering kan worden aangevraagd, op last van een officier of hulp-officier van justitie voorloopig worden aangehouden op aanvrage van de magt, in den vreemden staat tot voorloopige aanhouding bevoegd en als zoodanig in het verdrag aangewezen.
De op en bij hem zijnde goederen kunnen in beslag genomen worden.
Geschiedt de aanhouding op last van een hulp-officier van justitie, dan stelt deze den aangehoudene onverwijld ter beschikking van den officier.
10. De officier kan, na den aangehoudene te hebben gehoord, een bevel van voorloopige aanhouding tegen hem uitvaardigen, dat aan den aangehoudene binnen tweemaal vier en twintig uren wordt beteekend.
De officier beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van den aangehoudene, ten ware hij uit anderen hoofde behoort in hechtenis te blijven, en de teruggave van de in beslag genomen goederen, ten ware er uit anderen hoofde redenen van terughouding bestaan, een en ander indien hem geene aanvrage tot uitlevering, niet de daarbij noodige bescheiden, is medegedeeld binnen een termijn, bij het verdrag te bepalen, en van niet langer dan:
1°. twintig dagen na de dagteekening van het bevel van aanhouding, indien de aanvrage tot aanhouding namens eene Europesche regering is gedaan;
2°. drie maanden na die dagteekening, indien zij namens eene niet-Europesche regering is gedaan.
Geschiedt de aanvrage tot uitlevering binnen den gestelden termijn, dan wordt verder gehandeld overeenkomstig het bepaalde bij de artt. 13 tot en met 18.
11. Bij de aanvrage tot uitlevering door de vreemde regering gedaan, moet, in het oorspronkelijke of in gewaarmerkt afschrift, worden overgelegd hetzij het vonnis van veroordeeling, hetzij het vonnis van in staat van beschuldiging stelling of van regtsingang met bevel van gevangenneming, hetzij eene daarmede gelijk te stellen akte, in den vreemden staat gebruikelijk, en als zoodanig in het verdrag aangewezen.
12. Vreemdelingen, wier uitlevering krachtens verdrag wordt aangevraagd, kunnen, voor zoover dit niet reeds geschied is, worden aangehouden.
Het bevel van aanhouding moet hun binnen tweemaal vier en twintig uren worden beteekend.
De op en bij hen zijnde goederen kunnen worden in beslag genomen.
Binnen vier en twintig uren na de aanhouding wordt daarvan kennis gegeven aan den officier van justitie bij de regtbank, binnen welker regtsgebied zij heeft plaats gehad.
13. De officier requireert binnen drie dagen na de aanhouding en, zoo deze geen plaats heeft gehad of reeds vóór de aanvrage is geschied, binnen drie dagen na daartoe te zijn aangeschreven, dat de opgeëischte persoon door de regtbank worde gehoord, en dat deze haar advies uitbrenge over het al of niet toestaan der gevraagde uitlevering.
14. Het verhoor geschiedt in het openbaar, tenzij de opgeëischte persoon de behandeling der zaak met gesloten deuren verlange, of wel de regtbank, om gewigtige redenen, bij het proces-verbaal der zitting te vermelden, bevele, dat het geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaats hebben.
Het verhoor heeft plaats in tegenwoordigheid van het openbaar ministerie.
De opgeëischte persoon is bevoegd zich door een raadsman te doen bijstaan. Als raadsman kan gekozen worden ieder, die bevoegd is voor den strafregter tot verdediging van beklaagden op te treden.
15. Binnen veertien dagen na het verhoor zendt de regtbank haar advies en hare beslissing, in art. 8 bedoeld, met de tot de zaak behoorende stukken aan Onzen minister van justitie.
16. De voorloopig aangehouden of opgeëischte persoon, die beweren mogt dat hij Nederlander en deze wet op dien grond niet op hem van toepassing is, kan dit beweren, mits niet later dan op den veertienden dag na zijn verhoor door de regtbank, bij verzoekschrift aan de beslissing van den hoogen raad onderwerpen.
Hij wordt zoo spoedig mogelijk na zijne aanhouding door den officier van justitie bekend gemaakt met en bij zijn verhoor voor de regtbank herinnerd aan die bevoegdheid, onder mededeeling dat hij zich daaromtrent met een raadsman kan verstaan.
De griffier van den hoogen raad geeft onmiddellijk kennis aan Onzen minister van justitie, dat het verzoekschrift is ingediend.
17. De hooge raad doet uitspraak na den prokureur-generaal te hebben gehoord.
Beslist de hooge raad dat de verzoeker Nederlander is, dan beveelt de raad, indien hij aangehouden is, zijne onmiddellijke invrijheidstelling, ten ware hij uit anderen hoofde behoort in hechtenis te blijven.
De prokureur-generaal bij den hoogen raad geeft onmiddellijk kennis aan Onzen minister van justitie van de gevallen uitspraak.
Is daarbij beslist dat de verzoeker Nederlander is, dan worden de in beslag genomen goederen teruggegeven, ten ware er uit anderen hoofde redenen van terughouding bestaan, en vervalt de procedure bij de regtbank, indien die reeds aangevangen en nog niet geëindigd is.
18. Is vóór of op den dag in art. 16 bepaald de beslissing van den hoogen raad niet ingeroepen of is door dezen beslist dat de opgeëischte persoon geen Nederlander is, dan wordt, nadat het advies der regtbank is ontvangen, door Onzen minister de uitlevering gelast of geweigerd.
Ingeval van weigering wordt de opgeëischte, indien hij aangehouden is, onmiddellijk ontslagen, ten ware hij uit anderen hoofde behoort in hechtenis te blijven, en worden hem de in beslag genomen goederen teruggegeven, ten ware er uit anderen hoofde redenen van terughouding bestaan.
19. Is de opgeëischte persoon niet aangehouden en, na behoorlijk te zijn opgeroepen om door de regtbank te worden gehoord, niet verschenen, dan gaan de termijnen, in artt. 15 en 16 genoemd, in met den dag waarop het verhoor door de regtbank is bepaald.
20. De regering kan vergunnen, dat een vreemdeling, wiens uitlevering door eene vreemde mogendheid aan eene andere vreemde mogendheid is toegestaan, over het Nederlandsch grondgebied, onder medegeleide van Nederlandsche beambten, worde vervoerd, mits met de mogendheid, aan welke de uitlevering geschiedt, door Nederland een uitleveringsverdrag zij gesloten en het misdrijf, waarvoor uitlevering toegestaan is, in dat verdrag vermeld zij.
21. Vreemdelingen, die hier te lande in voorloopige hechtenis zijn of straf ondergaan, kunnen ter confrontatie of tot het afleggen van verklaringen in strafgedingen, die in eenen vreemden staat aanhangig zijn, op last der regering tijdelijk worden overgezonden.
Indien die vreemdelingen hier te lande straf ondergaan, zal hun straftijd geacht worden niet te zijn afgebroken door die tijdelijke overzending.
22. Als Nederlanders beschouwt deze wet hen, die het zijn volgens het Burgerlijk Wetboek.
De krachtens art. 8 van dat wetboek met Nederlanders gelijk gestelden worden, voor de toepassing dezer wet, als vreemdelingen beschouwd.
23. Alle akten en stukken, ten gevolge dezer wet op te maken, zijn vrij van zegel en registratie en worden kosteloos afgegeven.
24. Deze wet is niet van toepassing op het aanhouden, het aan boord terug brengen of het ter beschikking van de consulaire ambtenaren stellen van gedeserteerde matrozen.
Bronnen: J.C. Meijer (ed.) Nederlandsche Staatswetten (Sneek 1876)
|
Terugkeren naar Overzicht pagina costuymen etc. Terugkeren naar Inhoudsopgave Laatst bijgewerkt op 17 juli 2009 |