WET

TOT REGELING DER TOELATING EN UITZETTING

VAN VREEMDELINGEN.

(Vastgesteld den 13den Augustus, en uitgegeven den 10den September 1849, Stb. no. 39.)

Art. 1. Alle vreemdelingen, die voldoende middelen van bestaan hebben, of door werkzaamheid kunnen verkrijgen, worden in Nederland toegelaten op den voet, bij de vier eerstvolgende artikelen omschreven.

2. De toelating heeft plaats op een regelmatig buitenlandsch paspoort.

Buitenlandsche paspoorten zijn regelmatig, wanneer zij zijn:

a. afgegeven door of vanwege de regering van het land, waar toe de vreemdeling behoort;

b. geviseerd voor de reis herwaarts door eenen Nederlandschen diplomatieken of consulairen agent bij die regering;

c. niet verjaard.

3. Ook het bezit van andere geleibrieven kan de toelating wettigen, mits daaruit blijke, wie de houder is, en van waar en met welk doel hij herwaarts komt.

4. Zelfs kunnen vreemdelingen worden toegelaten op bloote aanmelding van hunne personen, met opgave, wie zij zijn, en van waar en met welk doel zij herwaarts komen.

In dit geval kan gevorderd worden een bewijs van bekendheid, door twee of meer bij de policie bekende personen geteekend.

5. De toelating geschiedt door het hoofd van politie der gemeente aan de grenzen of ter plaatse van eerste aankomst, met uitreiking van eene reis- en verblijfpas, hetzij al dan niet tegen inbewaargeving van het buitenlandsche paspoort of van andere vertoonde geleibrieven.

6. De reis- en verblijfpassen zijn geldig voor den tijd van drie maanden. Zij kunnen worden verlengd door het hoofd van politie, ter plaatse waar de vreemdeling zich bevindt.

De verlenging dezer passen kan alleen worden geweigerd wegens gemis van de vereischten, bij art. 1 bedoeld.

Wanneer de betrokken ambtenaar van politie meent, dat de verlenging van de reis- en verblijfpas niet kan worden toegestaan, zal hij de weigering onverwijld aan de beoordeeling van den kantonregter onderwerpen, om daaromtrent te handelen overeenkomstig art. 11.

7. De vreemdelingen zijn verpligt, hunne reis- en verblijfpassen en de buitenlandsche paspoorten of andere geleibrieven, die in hun bezit zijn, te vertoonen aan de ambtenaren van politie, die zulks mogten vorderen, en aan de bewoners der huizen, waarin zij worden opgenomen.

8. Aan vreemdelingen, die binnen 's lands zonder reis- en verblijf pas worden aangetroffen, kan door het hoofd van politie der gemeente, binnen welke zij zich bevinden, zoodanige pas alsnog worden afgegeven, met inachtneming der regelen, voor de toelating van eerst aankomende vreemdelingen vastgesteld.

9. Niet toegelaten vreemdelingen, die geene reis- en verblijfpas kunnen bekomen, binnen 's lands gevonden wordende, moeten over de grenzen worden gebragt.

10. Toegelaten vreemdelingen kunnen niet over de grenzen worden gebragt, dan op bevel van den kantonregter der plaats, waar zij zich ophouden, of op Onzen last.

11. De kantonregter kan geene uitzetting bevelen dan wegens gemis der vereischten, in art. 1 omschreven, en na den vreemdeling te hebben gehoord, of nadat deze daartoe behoorlijk is opgeroepen.

Van dit verhoor wordt procesverbaal opgemaakt.

Indien de vreemdeling niet is verschenen, wordt daarvan in het bevel tot uitzetting melding gemaakt.

Het bevel van uitzetting moet met redenen omkleed zijn.

Van het procesverbaal en het bevel van uitzetting zendt de kantonregter afschriften aan Onzen commissaris in de provincie.

Wij behouden Ons de bevoegdheid voor, om het bevel van uitzetting, of de uitvoering er van, op te heffen.

Het is echter uitvoerbaar, niettegenstaande een beroep op Ons, of, overeenkomstig art. 20, op den hoogen raad.

12. De vreemdeling, gevaarlijk voor de publieke rust, kan op Onzen last worden uitgezet.

De vreemdeling, wiens uitzetting door Ons is bevolen, is verpligt binnen veertien dagen na bekomen kennisgeving het rijk te verlaten. Gedurende dien tijd kan hij gebruik maken van de bevoegdheid, bij art. 20 dezer wet verleend, en inmiddels in verzekerde bewaring gesteld worden.

Wanneer hij van die bevoegdheid geen gebruik gemaakt, of de hooge raad zijne bezwaren ongegrond bevonden heeft, wordt aan den last tot uitzetting onmiddellijk gevolg gegeven.

Hij wordt dan verwijderd, zoo mogelijk over die grens, welke hij zelf zal aanwijzen.

13. Wij behouden Ons de bevoegdheid voor, om aan vreemdelingen, gevaarlijk voor de publieke rust, eene bepaalde plaats binnen het koningrijk tot verblijf aan te wijzen, of hun het verblijf op bepaalde plaatsen van het rijk te ontzeggen.

Van de koninklijke besluiten, in dit en art. 12 bedoeld, wordt mededeeling gedaan aan de kamers der staten generaal.

14. Vreemdelingen, die, binnen vijf jaren na dagteekening van het bevel van uitzetting eens kantonregters, binnen 's lands worden aangetroffen, zonder van eene latere toelating te kunnen doen blijken, worden gestraft met gevangenis van acht dagen tot drie maanden.

15. Vreemdelingen, die tegen eene uitzetting, op Onzen last, zonder dat deze is opgeheven, in Nederland terugkeeren, worden gestraft met gevangenis van drie tot zes maanden.

In de gevallen, bij dit en het voorgaand artikel voorzien, worden de veroordeelden, na afloop der straf, over de grenzen gebragt.

16. Vreemdelingen kunnen, ter zake van desertie, aan buitenlandsche regeringen worden uitgeleverd uit krachte van bijzondere verdragen, onder belofte van wederkeerigheid en met inachtneming der bepalingen, onder litt. c, en d van het volgende artikel voorkomende.

17. Ten aanzien van de uitlevering van vreemdelingen wegens andere misdrijven worden, na de uitvaardiging dezer wet, geen nieuwe verdragen gesloten of bestaande vernieuwd, dan onder in achtneming der navolgende algemeene voorwaarden:

Op aanzoek van buitenlandsche regeringen kunnen uitgeleverd worden vreemdelingen, door den regter daar te lande veroordeeld of in staat van beschuldiging gesteld, of tegen wie door dien regter regtsingang, met bevel van gevangenneming, is verleend, terzake van een of meer der na te melden misdrijven, buiten 's lands gepleegd:

1. moord, vergiftiging, vadermoord, kindermoord, manslag, verkrachting;

2. brandstichting;

3. valschheid in geschriften, daaronder begrepen het namaken van bankbiljetten, muntpapier en openbare schuldbrieven;

4. muntvervalsching, muntschennis, het des bewust in omloop brengen van valsche munt;

5. valsch getuigenis;

6. diefstal met verzwarende omstandigheden, opligting, knevelarij, omkooping van openbare ambtenaren, verduistering of ontvreemding door ambtenaren, met ontvangsten of bewaring belast;

7. bedriegelijke bankbreuk.

Geene uitlevering wordt toegestaan:

a. dan op vertoon van een behoorlijk geautentiseerd afschrift van het vonnis van veroordeeling of in staat van beschuldigingstelling, of van den regtsingang met bevel van gevangenneming;

b. wanneer de vreemdeling wegens het buiten 's lands gepleegde misdrijf in Nederland reeds straf ondergaat of ondergaan heeft, en zulks onverschillig of hier te lande op het misdrijf al dan niet eene ligtere straf gesteld zij, dan bij de wetten van het land, welks regering de uitlevering vraagt;

c. wegens misdrijven, waarvan de vervolging of de opgelegde straf naar de Nederlandsche wetgeving is verjaard;

d. indien zij ten gevolge zou hebben de onttrekking aan eene aangevangene vervolging wegens overtreding der Nederlandsche strafwetten, of aan eene vóór de aanvrage tot uitlevering uitgesprokene veroordeeling onder bedwang van gijzeling.

18. Vreemdelingen, krachtens de verdragen, in het voorgaande artikel bedoeld, opgeëischt, kunnen voorloopig in hechtenis gesteld en de op en bij hen zijnde goederen in beslag genomen worden.

Binnen drie maal vierentwintig uren wordt van de inhechtenisneming kennis gegeven aan het openbaar ministerie bij de regtbank, binnen welker regtsgebied zij heeft plaats gehad.

Het openbaar ministerie requireert binnen acht dagen na de in hechtenisneming, en, zoo deze geen plaats heeft gehad, binnen acht dagen na daartoe te zijn aangeschreven, dat de opgeëischte persoon in raadkamer worde gehoord en de regtbank binnen eene maand haar advies over het al of niet toestaan der gevraagde uitlevering uitbrenge.

De regtbank beslist alsdan tevens, welke der in beslag genomen goederen aan den opgeëischten persoon zullen worden teruggegeven, of, als stukken van overtuiging, kunnen worden uitgeleverd.

Het advies en de beslissing worden, met de tot de zaak behoorende stukken, aan den minister van justitie opgezonden.

Het staat den opgeëischten persoon vrij, gedurende den tijd van veertien dagen, te rekenen van den dag, waarop hij in raadkamer is gehoord, van de bevoegdheid gebruik te maken, bij art. 20 verleend.

Nadat de bovenvermelde formaliteiten zijn nagekomen, de termijn van veertien dagen, bij het voorgaand lid gesteld, verstreken is, of de hooge raad, overeenkomstig art. 20, uitspraak gedaan heeft, wordt de uitlevering gelast of geweigerd.

In het laatste geval wordt de opgeëischte, wanneer hij voorloopig in hechtenis is gesteld, onmiddellijk ontslagen, ten ware hij uit anderen hoofde behoort in hechtenis te blijven.

19. De bepalingen dezer wet zijn niet toepasselijk op vreemdelingen, die, naar art. 8 van het burgerlijk wetboek, met Nederlanders zijn gelijkgesteld, en met betrekking tot deze wet voor ingezeten worden gehouden, noch op den binnen het rijk gevestigden vreemdeling, die met eene Nederlandsche vrouw is gehuwd of gehuwd geweest en uit haar een kind of kinderen heeft, in Nederland geboren.

20. Allen, op wie deze wet van toepassing mogt worden gemaakt en die beweren Nederlanders te zijn of in de uitzonderingen van het voorgaand artikel te vallen, kunnen zich, doch alleen op die gronden, bij verzoekschrift, en, in de gevallen, bij de artt 12 en 18 met inachtneming van den termijn, bij die artikelen gesteld, tot den hoogen raad wenden, ten einde te doen verklaren, dat deze wet op hen van geene toepassing is.

De hooge raad beoordeelt deze vraagpunten, na den procureur generaal te hebben gehoord, en doet alleen daarop uitspraak.

21. Alle acten en stukken, ten gevolge dezer wet op te maken of af te geven, zijn vrij van zegel-, registratie- en griffieregten.

Bron: J.C. Meijer (ed.) Nederlandsche Staatswetten (Sneek 1870)

Terugkeren naar Overzicht pagina costuymen etc.

Terugkeren naar Inhoudsopgave

Laatst bijgewerkt op 17 juli 2009