|
WET HOUDENDE VOORZIENINGEN OMTRENT DE NEDERLANDSCHE BANK. (Vastgesteld den 22sten December 1863, en uitgegeven den 28sten December 1863, (Stsbl. no. 148). Art. 1. Geen circulatiebank kan worden opgerigt en geen buitenlandsche circulatiebank mag hare bankbiljetten hier te lande in omloop brengen anders dan krachtens eene bijzondere wet en op den voet en de voorwaarden bij zoodanige wet te stellen. Onder circulatiebank wordt verstaan elke inrigting, bestemd om bankbiljetten uit te geven of in omloop te brengen. 2. De Nederlandsche Bank blijft na het eindigen van het bestaand octrooi, onder de navolgende bepalingen en voor een tijdperk van vijf en twintig jaren, geregtigd om als circulatiebank werkzaam te zijn. 3. De Nederlandsche Bank is eene naamlooze vennootschap. 4. De inhoud dezer wet zal ten grondslag liggen aan de acte van oprigting der Nederlandsche Bank als naamlooze vennootschap. 5. De hoofdzetel der Nederlandsche Bank blijft te Amsterdam. Vóór of met l Januarij 1865 vestigt zij te Rotterdam eene bijbank en elders agentschappen en correspondentschappen. In elke provincie zal minstens één agentschap zijn. Het aantal correspondentschappen regelt zich naar de bestaande behoeften. De inrigting en de werkkring der bij bank en der agentschappen worden aan Onze goedkeuring onderworpen. 6. Het maatschappelijk kapitaal der Nederlandsche Bank bedraagt minstens zestien millioen guldens, ten volle gestort. Naar gelang van de uitbreiding der operatiën kan door Ons, de directie der Bank gehoord, ten allen tijde vergrooting van het kapitaal worden gelast. 7. De operatiën der Bank zullen bestaan: 1°. in het disconteren: a. van wisselbrieven en ander handelspapier, met twee of meer solidair verbondenen, en geen langer looptijd, dan de gebruiken des handels medebrengen; b. van hier te lande binnen drie maanden aflosbare of verschijnende schuldbrieven of rentebewijzen, zoowel van nationale als van vreemde schuld, en van soortgelijke stukken van bijzondere ligchamen of vennootschappen, altijd onder solidaire medeverbindtenis van den discontant: 2°. In het beleenen: a. van effecten, hetzij staatsschulden, hetzij aandeelen en obligatiën van bij zondere ligchamen of maatschappijen; b. van goederen, waren en koopmanschappen, munt en muntmateriaal; 3°. in den handel in goud en zilver, biljoen en verder muntmateriaal, en in het doen verwerken en vermunten daarvan; 4°. in het ontvangen van gelden in rekening courant. Daarenboven zal de Bank de bevoegdheid hebben, om, op de voorwaarden door haar in het openbaar aan te kondigen, gelden en andere waarden in eigenlijk gezegde bewaring te nemen. 8. De Nederlandsche Bank houdt zich met geene andere operatiën bezig dan de in het vorig artikel genoemde. Zij verleent niemand, wie het ook zijn moge, eenig crediet of voorschot in blanco. Zij neemt geen deel in eenige handels-, nijverheids- of andere onderneming. Zij kan hare eigene aandeelen niet inkoopen. Evenmin koopt zij effecten, goederen, waren of koopmanschappen. Met uitzondering der localen, noodig voor haar bedrijf, koopt of bezit zij geene vaste goederen. Van hare beleeningen blijven uitgesloten hare eigene aandeelen. Zij schiet geen geld op hypotheek, noch onder verband van schepen. 9. Indien bij de acte van oprigting tot de vorming van een reservefonds besloten wordt, kan dit, bij uitzondering op de bepalingen van art. 8, worden belegd in Nederlandsche staatsschuld en in pandbrieven van door Ons goedgekeurde hypotheekmaatschappijen. 10. De Nederlandsche Bank blijft zich belasten met de kostelooze waarneming der functiën van agent van 's rijks schatkist te Amsterdam. Zij kan door Ons worden belast met de evenzeer kostelooze waarneming van de functiën van rijkskassier te Rotterdam en in alle plaatsen, waar zij agentschappen vestigt. Wegens een en ander is zij verantwoordelijk aan den minister van finantiën en rekenpligtig aan de Algemeene Eekenkamer. De wet bepaalt of, en op welke voorwaarden zij met de geheele dienst van 's rijks schatkist in het rijk zal worden belast. 11. De Nederlandsche Bank verleent kosteloos, naar de wet, hare hulp en medewerking tot de vervaardiging, uitgifte en intrekking der muntbiljetten; zij is daartoe echter alleen verpligt zoolang het gezamenlijk bedrag van deze de som van vijftien millioen niet te boven gaat. De wijze waarop zij de haar in dit en het vorig artikel opgelegde verpligtingen vervult, wordt door Ons, de directie der Bank gehoord, vastgesteld. 12. De vorm en de hoegrootheid der uit te geven bankbiljetten worden door de directie der bank ter kennisse van het publiek gebragt. Zij geeft geene biljetten uit tot een lager bedrag dan van ƒ 25. 13. De biljetten der Nederlandsche Bank zijn op vertooning betaalbaar bij de hoofdbank, de bijbank en de agentschappen. De betaling bij de agentschappen kan echter worden uitgesteld, tot dat specie van de hoofdbank zal kunnen ontvangen zijn. De biljetten der bank kunnen als betaalmiddel in 's rijks kassen worden toegelaten. Zij zijn vrijgesteld van het regt van zegel. 14. De houder van een bankbiljet is bij uitsluiting geregtigd om de uitbetaling der daarin uitgedrukte geldsom van de Bank te vorderen. Wegens verlies of vernietiging van bankbiljetten behoeft door de Bank geene vergoeding verleend te worden. Bij verdenking wegens misdrijf of op schriftelijk aanzoek der belanghebbenden, staat het der directie vrij, quitering en afteekening der biljetten te vorderen van hem, die ze ter inwisseling aanbiedt. De bepalingen van artt. 227-229 van het Wetboek van Koophandel zijn niet van toepassing op bankbiljetten. 15. Behalve bankbiljetten zal de Nederlandsche Bank geen ander papier uitgeven dan assignatiën aan order van het eene bankkantoor op het andere. 16. De verhouding, waarin het gezamenlijk bedrag van bankbiljetten, bankassignatiën en rekening courant saldo's door munt of muntmateriaal moet zijn gedekt, wordt bepaald bij koninklijk besluit, op voordragt van de directie der Bank te nemen. Dit besluit wordt in het Staatsblad geplaatst, en, voor zooveel noodig, van tijd tot tijd gewijzigd 17. De directie der Bank bestaat uit een president, vijf directeuren en een secretaris. Het toezigt op de handelingen der directie wordt uitgeoefend door commissarissen. 18. De president en de secretaris worden door ons, telkens voor zeven jaren benoemd. In eene gemeenschappelijke vergadering van de directie en de commissarissen wordt voor elke benoeming eene aanbevelingslijst van twee personen opgemaakt en Ons aangeboden, ten einde daarop door Ons zooveel acht kunne geslagen worden, als Wij zulllen vermeenen te behooren. De directeuren worden, telkens voor den tijd van vijf jaren, benoemd door de stemgeregtigde aandeelhouders, uit eene voordragt van drie personen, opgemaakt door de directie en de commissarissen in eene gemeenschappelijke vergadering. Jaarlijks treedt een der directeuren af. Alle leden der directie zijn bij hunne aftreding terstond op nieuw benoembaar. Voor de eerste maal wordt de directie regtstreeks en zonder voordragt door Ons benoemd. De orde, waarin de directeuren aan de beurt van aftreding zullen zijn, wordt bij loting geregeld. 19. Er zijn minstens vijftien commissarissen. Zij worden door de stemgeregtigde aandeelhouders gekozen. 20. Van regeringswege wordt toezigt op de handelingen der Bank uitgeoefend door een koninklijken commissaris, door Ons te benoemen en te ontslaan. De koninklijke commissaris heeft het regt, alle vergaderingen van aandeelhouders en van commissarissen bij te wonen en aldaar eene raadgevende stem uit te brengen. De directie der bank is gehouden, hem telkens op zijne aanvrage volledige opening te geven van den stand der verschillende operatiën. De verdere instructie van den koninklijken commissaris wordt door Ons bij besluit vastgesteld. Zijne bezoldiging komt ten laste der Bank. 21. De directie der Nederlandsche Bank doet eenmaal 's weeks, door plaatsing in de Nederlandsche Staats-courant, mededeeling van eene verkorte balans in een door Ons goed te keuren vorm. OVERGANGSBEPALINGEN 22. De statuten der vennootschap „de Nederlandsche Bank" worden, behoudens Onze goedkeuring, vastgesteld door het bestuur der thans, krachtens koninklijk besluit van den 21sten Augustus 1838 aanwezige Bank, in overleg met het collegie van commissarissen. Aan ieder deelhebber in de tegenwoordige bank wordt de gelegenheid verschaft om voor een gelijk bedrag, als waarvoor hij in die instelling aandeel heeft, in de nieuwe vennootschap deel te nemen. Hij zal van zijn verlangen, om van deze gelegenheid gebruik te maken, moeten doen blijken binnen een door bedoeld bestuur in overleg met commissarissen te bepalen termijn. Aan hem, die geene verklaring van toetreding tot de nieuwe vennootschap zal hebben afgelegd, zal zijn aandeel in het kapitaal en in het reservefonds, te gelijk met het dividend over het laatste boekjaar, worden uitgekeerd naar den maatstaf van de krachtens art. 44 van het koninklijk besluit van 21 Augustus 1838 door commissarissen goedgekeurde slotbalans van 31 Maart 1864. Met 1 April 1864 zullen alle baten en lasten der tegenwoordige Nederlandsche Bank, volgens balansvoorwaarden, aan de nieuwe vennootschap overgaan. De op dat tijdstip, volgens het besluit van den Souvereinen Vorst van 25 Maart 1814, en volgens art. 22 van het koninklijk besluit van 21 Augustus 1838 uitgegeven en omloopende bankbiljetten zullen gelijkstaan met regtstreeks door de nieuwe vennootschap uitgegeven biljetten. De stortingen, noodig om het maatschappelijk kapitaal der Nederlandsche Bank te brengen op het bedrag, bepaald bij het eerste lid van art. 6, en om het bestaande reservefonds, in evenredigheid tot die verhooging, aan te vullen, geschieden door den staat. Deze ontvangt daarvoor duizend aandeelen, volkomen gelijk aan die der overige deelhebbers. De aldus door den staat verkregen aandeelen worden in het openbaar vervreemd. De winst op die vervreemding wordt onder de staatsinkomsten verantwoord. Bronnen: J.C. Meijer (ed.) Nederlandsche Staatswetten (Sneek 1876)
|
|
Terugkeren naar Overzicht pagina costuymen etc. Terugkeren naar Inhoudsopgave Laatst bijgewerkt op 17 juli 2009 |