|
WET, HOUDENDE REGELING DER ZAMENSTELLING EN DE BEVOEGDHEID VAN DEN RAAD VAN STATE. (Vastgesteld den 21sten December en uitgegeven den 27sten December 1861, Stb. no. 129) EERSTE HOOFDSTUK. VAN DE ZAMENSTELLING VAN DEN RAAD VAN STATE EN DE AMBTENAREN BIJ DIEN RAAD. EERSTE AFDEELING. Van de zamenstelling van den raad. Art. 1. De raad van state is zamengesteld, buiten Ons als voorzitter, uit: een vice president en veertien leden. 2. De Prins van Oranje heeft, nadat zijn achttiende jaar is vervuld, zitting in den raad van regtswege en eene raadgevende stem. Door Ons kan aan de overige Prinsen van Ons huis, wanneer zij meerderjarig zijn, zitting en raadgevende stem in den raad verleend worden. 3. De vice president en de leden van den raad worden door Ons benoemd en ontslagen. 4. Er kunnen staatsraden in buitengewone dienst door Ons worden benoemd ten getale van hoogstens vijftien. Zij worden door Ons ontslagen. Zij worden door Ons of van Onzentwege opgeroepen om deel te nemen aan bepaalde werkzaamheden van den raad, en hebben alsdan gelijke bevoegdheid als de leden. Aan de behandeling der onderwerpen, bedoeld bij art. 23, nemen zij geen deel. Zij genieten, als zoodanig, geene bezoldiging. Wanneer zij elders woonachtig zijn dan ter plaatse, waar de zetel der regeering gevestigd is, erlangen zij schadeloosstelling voor reis- en verblijfkosten naar een door Ons vast te stellen tarief. 5. De staatsraden in buitengewone dienst worden gekozen uit hen, die bewijzen hebben gegeven, hetzij van bekwaamheid in zaken van wetgeving of bestuur, hetzij van bij zondere bekendheid met de aangelegenheden van de koloniën en bezittingen van den staat in andere werelddeelen. 6. Niemand kan zijn vice president, lid van den raad van state of staatsraad in buitengewone dienst, dan die Nederlander, in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten is en den ouderdom van vijf en dertig jaren heeft vervuld. 7. Bloedverwantschap of zwagerschap in den eersten of tweeden graad mag niet bestaan tusschen den vice president en de leden, noch tusschen de leden onderling. Ingeval van opkomende zwagerschap na de benoeming, legt hij, door wiens huwelijk de zwagerschap ontstaat, zijn ambt neder. De zwagerschap houdt op door het overlijden der vrouw, die haar veroorzaakte. 8. Onvereenigbaar met de betrekking van vice president of lid van den raad is: de betrekking van geestelijke of bedienaar van de godsdienst, pleitbezorger, advocaat, notaris, solliciteur of zaakwaarnemer; elke openbare bediening. 9. Alvorens hunne betrekking te aanvaarden leggen de vice pre sident, de leden van den raad en de staatsraden in buitengewone dienst, ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, in Onze handen den volgenden eed (belofte) en verklaring af: „Ik zweer (verklaar), dat ik middellijk, noch onmiddellijk, onder welken naam of wat voorwendsel ook, tot het verkrijgen mijner aanstelling aan iemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven." „Ik zweer (beloof), dat ik, om iets hoegenaamd in deze betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of geschenken aannemen zal, middellijk of onmiddellijk." „Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning, dat ik de grondwet steeds zal helpen onderhouden, en al de pligten van een vice president/lid van den raad van state (staatsraad in buitengewone dienst) eerlijk en vlijtig zal vervullen." „Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig." („Dat verklaar en beloof ik.") Deze eed (verklaring en belofte) kan door de leden van den raad en de staatsraden in buitengewone dienst ook worden afgelegd in eene vergadering van den raad in handen van den vice-president, daartoe door Ons gemagtigd. 10. De vice-president en de leden van den raad hebben hun vast en voortdurend verblijf in de gemeente, waar de zetel der regering is gevestigd. 11. Om zich uit die gemeente te verwijderen behoeft de vicepresident Onze toestemming, en behoeven de gewone leden die van den vice president. Om het rijk te verlaten is Onze toestemming noodig voor de leden en, ingeval van afwezigheid van meer dan veertien dagen, ook voor de staatsraden in buitengewone dienst. 12. De vice-president wordt, bij verhindering of ontstentenis, vervangen door het oudste aanwezige lid, naar rang van benoeming. 13. De raad wordt in afdeelingen verdeeld. Eene daarvan, zamengesteld uit vijf leden, den vice president daaronder begrepen, is, onder diens voorzitterschap, belast met de taak, omschreven bij art. 23. Bij verhindering of ontstentenis wordt de vice president vervangen door het oudste aanwezige lid der afdeeling. De algemeene maatregel van inwendig bestuur, bedoeld bij art. 46, bepaalt het getal der overige afdeelingen en harer leden, regelt eene periodieke afwisseling dier leden, alsmede vervanging wegens verhindering of ontstentenis, en wijst de ministeriële departementen aan, waartoe die afdeelingen in betrekking staan. Door Ons, den raad gehoord, worden de leden der afdeelingeu aangewezen. De leden van de afdeeling voor de geschillen van bestuur worden niet afgewisseld. In bijzondere gevallen, waarin, tot verzekering der dienst, vervanging noodzakelijk is, wordt door Ons, den raad gehoord, voorzien. De staatsraden in buitengewone dienst worden door Ons of van Onzentwege opgeroepen om aan bepaalde werkzaamheden van eene of andere afdeeling deel te nemen. Het derde lid van art. 4 is hier van toepassing. 14. Door Ons kunnen, op voordragt van den raad, deskundigen worden opgeroepen, ten einde in den raad of in zijne afdeelingen te dienen van voorlichting en advies. TWEEDE AFDEELING. Van de ambtenaren bij den raad. Art. 15. Bij den raad worden door Ons benoemd één secretaris en het vereischte getal referendarissen en commiesen van staat. Zij worden door Ons ontslagen. De aanstelling der overige beambten en der bedienden geschiedt op de wijze, door Ons, den raad gehoord, te bepalen. 16. Behalve de hoedanigheid van Nederlander, in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten, wordt vereischt, om te zijn secretaris van den raad van state, dat men den ouderdom van dertig jaren, om te zijn refendaris, dien van vijf en twintig, en om te zijn commies van staat, dien van drie en twintig jaren hebbe bereikt. Tot referendaris of tot commies van staat zijn bij voorkeur benoembaar zij, die den graad van doctor in de beide regten aan eene van 's rijks hoogescholen verkregen hebben. Niemand wordt tot referendaris of tot commies van staat aangesteld dan na vooraf daartoe ten gevolge van een in het openbaar af te leggen examen te zijn bekwaam verklaard. De commiesen van staat zijn benoembaar tot referendarissen, zonder tot het afleggen van een nieuw examen gehouden te zijn. De regeling van het examen heeft plaats bij algenmeenen maatregel van inwendig bestuur. 17. De secretaris, de referendarissen en de commiesen van staat leggen, alvorens hun ambt te aanvaarden, ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, in 's raads vergadering den navolgenden eed (belofte) en verklaring af: „Ik zweer (verklaar), dat ik, middellijk noch onmiddellijk, onder welken naam of voorwendsel ook, tot het verkrijgen mijner aanstelling aan iemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, noch geven zal. „Ik zweer (beloof), dat ik, om iets hoegenaamd in deze betrekking te doen of te laten , van niemand hoegenaamd eenige beloften of geschenken aannemen zal, middellijk of onmiddellijk." „Ik zweer (beloof), dat ik al de pligten, aan mijn ambt verbonden, eerlijk en vlijtig zal vervullen." „Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig!" („Dat verklaar en beloof ik.") 18. De secretaris, de referendarissen en de commiesen van staat hebben hun vast en voortdurend verblijf in de gemeente, waar de zetel der regering is gevestigd. De bepaling van art. 8 is op hen van toepassing. 19. Zij zijn verpligt geheim te houden wat hun in hunne betrekking bekend wordt. Hunne overige verpligtingen worden geregeld bij eene instructie, door Ons, den raad gehoord, vast te stellen. TWEEDE HOOFDSTUK. VAN DE BEVOEGDHEID EN DE WERKZAAMHEDEN VAN DEN BAAD VAN STATE. EERSTE AFDEELING. Van de bevoegdheid van den raad. 20. Onverminderd de bijzondere bevoegdheid van den raad van state, bij de artikelen 42 en 47 der grondwet toegekend, is de raad werkzaam naar de regelen van bevoegdheid, in de volgende artikelen omschreven. 21. Door Ons worden bij den raad ter overweging gebragt alle voorstellen, door Ons aan de staten generaal te doen, of door de staten generaal aan Ons gedaan, alsmede alle algemeene maatregelen van inwendig bestuur van den staat en van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen. 22. De raad wordt door Ons gehoord over vernietiging van besluiten der provinciale of gedeputeerde staten of van plaatselijke verordeningen. 23. De afdeeling, welker zamenstelling geregeld is in het tweede lid van art. 13, wordt belast met het onderzoek der geschillen van bestuur of andere, aan Onze beslissing onderworpen, en draagt Ons de uitspraak voor. 24. De raad wordt wijders door Ons gehoord in de gevallen, waarin de wet het beveelt, mitsgaders over alle zaken van algemeen of bijzonder belang, waaromtrent Wij het noodig oordeelen. 25. De raad is bevoegd aan Ons voordragten te doen omtrent onderwerpen van wetgeving of bestuur, waaromtrent hij het doen van voorstellen aan de staten generaal of het uitvaardigen van algemeene maatregelen van inwendig bestuur wenschelijk acht. 26. De afdeelingen van den raad dienen de hoofden der ministeriële departementen in zaken van bestuur of wetgeving, des gevraagd, van voorlichting. TWEEDE AFDEELING. Van de regeling der werkzaamheden van den raad. Art. 27. De vergadering, in art. 42 der grondwet bedoeld, wordt bijeengeroepen door den vice president, hetzij ambtshalve, hetzij op een voorstel van vijf leden van den raad, hetzij op verlangen van de hoofden der ministeriële departementen. Hij zit in de vergadering voor, tot door haar een voorzitter is gekozen. 28. In alle gevallen, waarin de raad of de afdeeling, welker zamenstelling geregeld is in liet tweede lid van art. 13, wordt gehoord, wordt de overweging aanhangig gemaakt door de hoofden der ministeriële departementen, krachtens telkens door Ons te verleenen magtiging. 29. Alvorens de raad beraadslaagt en besluit over de onderwerpen, bedoeld bij de artt. 21, 22 en 24, heeft een voorbereidend onderzoek plaats door de afdeeling, in betrekking staande tot het ministerieel departement, hetwelk de zaak aangaat. De afdeeling treedt, des noodig, met het hoofd van het departement in overleg. Zij brengt in den raad verslag uit. Het verslag gaat vergezeld van een ontwerp van het te geven advies en vermeldt, bij verschil van gevoelen tusschen de leden der afdeeling, de gronden van het verschil. Betreft de zaak meerdere departementen, tot meer dan ééne afdeeling in betrekking staande, het onderzoek heeft op gelijke wijze plaats in, en het verslag wordt uitgebragt door de vereenigde afdeelingen. De vice president kan ook in dit geval het onderzoek en het uitbrengen van verslag opdragen aan leden, die uit de afdeelingen, welke de zaak betreft, door hem worden aangewezen. De vice president is bevoegd, waar hij dit noodig acht, leden eener afdeeling, door hem aan te wijzen, te doen deel nemen aan het onderzoek, bij eene andere afdeeling aanhangig. In bijzondere gevallen kan, met Onze magtiging, het voorbereidend onderzoek door den raad worden opgedragen aan leden of staatsraden in buitengewone dienst, niet behoorende tot de afdeeling, die met het onderzoek zou zijn belast. Door dezen wordt gehandeld gelijk voor het onderzoek der afdeelingen is bepaald. 30. De raad beraadslaagt over de onderwerpen, bedoeld bij de artt. 21, 22 en 24, met het hoofd van het ministerieel departement, hetgeen de zaak aangaat, wanneer hij of dat hoofd het verlangt. 31. De hoofden der ministeriële departementen geven aan den raad, aan zijne afdeelingen of aan de leden, of staatsraden in buitengewone dienst, met eenig voorbereidend onderzoek belast, de inlichtingen, die in verband met de te behandelen zaken vereischt worden. Zoo de raad het dienstig acht inlichtingen in te winnen of bezwaren te kennen van bij de zaak betrokken besturen, collegiën of personen, geschiedt dit door tusschenkomst van de hoofden der ministeriële departementen, die de zaak aangaat. 32. Tot het vaststellen van 's raads advies wordt gevorderd een aantal van minstens negen leden, de vice president of staatsraden in buitengewone dienst daaronder gegrepen. Het advies wordt vastgesteld bij volstrekte meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen wordt het vaststellen van het advies tot eene volgende vergadering uitgesteld. Wanneer ook dan de stemmen staken, beslist die van den vice president, of, bij diens ontstentenis, van het voorzittend lid. Van die omstandigheid wordt in het advies melding gemaakt. 33. De raad geeft, zoo dikwijls hij door Ons wordt gehoord, zijn advies schriftelijk en met redenen omkleed. Zijn er gevoelens in den raad uitgebragt, van dat der meerderheid afwijkende, de afzonderlijke adviesen, die gevoelens ontwikkelende, worden bij 's raads advies gevoegd. 34. Van het door Ons genomen besluit in zaken, waarover de raad gehoord is, wordt hem telkens mededeeling gedaan. 35. Bij de behandeling der onderwerpen, bedoeld in art. 23, worden in acht genomen de regels, bij de volgende artikelen gesteld. 36. Wanneer geschillen van bestuur of andere aan Onze beslissing worden onderworpen, worden de belanghebbenden opgeroepen om de memoriën of bewijsstukken, die zij tot staving hunner bezwaren of beweringen noodig achten, in te dienen binnen eenen door den vice president in dier voege te bepalen termijn, dat hun de daartoe noodige tijd niet ontbreke. De vice president kan, op schriftelijk verzoek van de opgeroepenen, de termijnen verlengen, zoo dikwerf het belang der zaak het vordert. De memoriën moeten door de belanghebbenden of door bijzondere gemagtigden onderteekend zijn. Alle schrifturen en bewijsstukken, zoowel van Onzentwege als van wege de belanghebbenden ingediend, worden ter secretarie van den raad nedergelegd. Door de belanghebbenden of hunne gemagtigden kan daarvan inzage, en te hunnen koste, volgens een door Ons vast te stellen tarief, afschrift worden genomen. 37. Na verloop der in het vorig artikel bedoelde termijnen worden al de stukken, tot de zaak betrekkelijk, tot onderzoek gesteld in handen van de afdeeling, welker zamenstelling geregeld is in het tweede lid van art. 13. Deze is bevoegd bij de belanghebbenden of hunne gemagtigden de inlichtingen in te winnen, die het onderzoek vordert. Het eerste lid van art. 31 is hier van toepassing. 38. In eene openbare vergadering der afdeeling wordt verslag uitgebragt, behelzende een overzigt van de zaak en van haren loop en vermeldende de gevoerde beweringen en overgelegde bewijsstukken. Het verslag onthoudt zich van het uiten van een gevoelen. De belanghebbenden worden opgeroepen om in die vergadering te verschijnen en na het uitbrengen van het verslag toegelaten om persoonlijk of door hunne gemagtigden hunne belangen toe te lichten. 39. De afdeeling beraadslaagt daarna met gesloten deuren. Zij draagt Ons de uitspraak over het geschil voor bij een schriftelijk advies, vergezeld van het ontwerp van een met redenen om kleed door Ons te nemen besluit. Tot het vaststellen van het advies wordt gevorderd een aantal van meer dan de helft der leden Het tweede, derde en vierde lid van art. 32, alsmede het laatste lid van art. 33 zijn hier van toepassing. 40. Indien Onze beslissing van het advies afwijkt, wordt zij, met redenen omkleed, in het Staatsblad geplaatst. Zij wordt tegelijk in de Staatscourant openbaar gemaakt met het rapport van het hoofd van het ministerieel departement, hetwelk Onze beslissing mede onderteekend heeft. Dit rapport bevat het ontwerp, bedoeld bij het tweede lid van art. 39. 41. In eene openbare vergadering der afdeeling wordt voorlezing gedaan van Onze beslissingen omtrent de onderwerpen, bij art. 23 omschreven. 42. Het beleggen der openbare vergaderingen, bedoeld bij de artt. 38 en 41, wordt in de Staatscourant aangekondigd. De viee president zorgt in die vergaderingen voor de handhaving der orde en is bevoegd, wanneer die orde wordt verstoord, hen, die dit doen, of allen te doen vertrekken. 43. De vice president zoowel als de leden zijn verpligt over alle zaken hun gevoelen en hunne stem uit te brengen. Zij onthouden zich van medestemmen in die zaken, welke hen, hunne echtgenooten of hunne bloed- of aanverwanten, tot den derden graad ingesloten, persoonlijk aangaan, of wanneer zij als gelastigden daarin zijn betrokken. Deze bepalingen zijn van toepassing op de staatsraden in buiten gewone dienst, wat betreft de zaken, tot welker behandeling zij zijn opgeroepen. 44. Zij, die aan de beraadslaging van den raad of van zijne afdeelingen deel nemen of daarbij tegenwoordig zijn, nemen de geheim houding in acht, door Ons opgelegd, of door de hoofden der ministeriële departementen, wie de zaak aangaat, aanbevolen. Geheimhouding wordt ook in acht genomen, wanneer de meerderheid van hen, die aan de beraadslaging deel nemen, daartoe besluit. 45. Niemand is geregtelijk vervolgbaar wegens de meening, door hem in den raad uitgebragt. 46. Alle verdere bepalingen ter regeling van de werkzaamheden van den raad, hetzij in zijne algemeene vergaderingen, hetzij in zijne afdeelingen, worden vastgesteld bij eenen algemeenen maatregel van inwendig bestuur. DERDE HOOFDSTUK. SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN. Art. 47. Op het oogenblik, waarop deze wet in werking treedt, is de thans bestaande raad van state ontbonden. De staatsraden in buitengewone dienst, die niet in de zamenstelling van den nieuwen raad begrepen worden, erlangen den titel van honorair staatsraad. 48. De tegenwoordige referendarissen zijn op nieuw benoembaar, zonder tot het afleggen van het bij art. 16 bedoelde examen gehouden te zijn. De tegenwoordige commiesen van staat zijn als zoodanig op nieuw benoembaar, zonder tot het afleggen van dat examen gehouden te zijn. Om tot referendaris te worden benoemd, zijn zij tot het afleggen daarvan gehouden. Aan de gewone leden, die bij de zamenstelling van den raad niet op nieuw worden benoemd en geene aanspraak hebben op pensioen, wordt een wachtgeld toegelegd ten bedrage van twee derden der door hen genoten jaarwedde. 49. Zoolang de instructie en de algemeene maatregel van inwendig bestuur, bedoeld bij de artt. 19 en 46, niet zijn vastgesteld, worden de bestaande bepalingen zooveel mogelijk opgevolgd. 50. Alle stukken, voortvloeiende uit de behandeling van onderwerpen, bedoeld bij art. 23, zijn vrij van zegelregten en worden, voor zooveel zij aan registratie onderhevig zijn, gratis geregistreerd. 51. Deze wet treedt in werking op 1 Julij 1862, of op een vroeger door Ons te bepalen tijdstip. Bron: J.C. Meijer (ed.) Nederlandsche Staatswetten (Sneek 1870)
|
|
Terugkeren naar Overzicht pagina costuymen etc. Terugkeren naar Inhoudsopgave Laatst bijgewerkt op 17 juli 2009 |